In en om Assen





De bouw van de Wilhelmina- en Emmakazerne


Militairen onder de overkapping tussen de dwarsvleugels aan de achterzijde van de Wilhelminakazerne


De bouw van de nieuwe kazernes

Militaire bouwwerken waren gedurende lange tijd over de gehele wereld gelijksoortig. Uit de architectuur sprak de gedachte van orde, regelmaat, strengheid en gelijkvormigheid. Eigenschappen die de gebouwen, ondanks alle soberheid, een indrukwekkend voorkomen gaven. Pas tijdens de regering van Lodewijk XIV in Frankrijk, vooral onder invloed van de Franse minister Louvois en de ontwerpen van de beroemde vestingbouwkundige Vauban, kregen de gebouwen de vorm van vierkante blokken. Zij werden zodanig ingericht dat de ramen in oorlogstijd konden worden geblindeerd. De kamers lagen dicht bij elkaar, de muren waren zwaar en de plafonds hoog. De binnenplaatsen konden worden gebruikt voor huishoudelijke verrichtingen zoals aardappels schillen en meubels schoonmaken.

Er was een pomp waarbij de soldaten zich konden wassen. De controle op de gebouwen was simpel: iedereen moest de wacht passeren. Ook de commandant had een goed overzicht over de verrichte diensten. In de negentiende eeuw vond een verandering plaats in de architectuur van kazernes. Een officier vroeg eens aan enkele onderofficieren hoe de windrichting was, waarop vier verschillende antwoorden volgden. Toen de officier zich daarop tot een oudgediende wendde, antwoordde deze dat men dit op de binnenplaats nooit kon zeggen: de wind kwam soms van boven en dan weer van onderen. Door de hoofdpoort ontstond een zuiging naar alle kanten, zonder dat dit voldoende ventilatie gaf.

Daardoor leek het alsof de lucht uit de keukens, riolen en zinkputten werd rondgevoerd. Er ontstond een onaangename mengeling van bedomptheid en tocht die ongunstig werkte op de gezondheid van de manschappen. In de oorlogen van 1864, 1866 en 1870 had men bovendien ontdekt dat de sterfte in de hospitalen groot was en dat dit aanzienlijk verminderde bij goede ventilatie. Sindsdien was men gekomen tot een paviljoenstelsel. Met enige wijzigingen is dit stelsel toegepast op de kazernebouw in ons land. Het gehele plan werd ondergeschikt gemaakt aan, voor die tijd, hoge eisen van hygiëne en welzijn van de soldaten." Het eerste gedeelte van het plan voor de kazernebouw in Assen van 20 november 1892 was ambitieus van opzet.


De gebouwen werden verlicht door middel van gas

Vergeleken met de nogal sobere kazernebouw tot op dat moment in Nederland was er sprake van een duidelijk afwijkende bouwstijl bij de Asser kazernes, waarbij de ontwerper zich uitbundig in renaissancestijl uitleefde. De gevel bestond uit rode baksteen en was versierd met spekblokken, boogfriezen, pilasterindeling en gemetselde attiek. In het midden van ieder gebouw bevond zich de ingang. Aan weerszijden hiervan bevonden zich natuurstenen consoles, die een balkon droegen. Op de verdieping gingen deze over in natuurstenen ionische zuilen die een beeldpartij met leeuwen en een wapen droegen, uitgevoerd in natuursteen. Hierboven waren de namen aangebracht van de kazernes: Wilhelminakazerne en Emmakazerne.

Deze namen waren door koningin-regentes Emma goedgekeurd. De bovenzijde van de dakstijlen waren voorzien van kantelen. Aan de achterzijde van ieder gebouw bevonden zich lage dwarsvleugels, waartussen metalen overkappingen waren gebouwd voor de excercitieruimten. Het werk werd uitgevoerd onder toezicht van de Ie luitenant-ingenieur J.W. Bos, onder beheer van de kapitein Eerstaanwezend-Ingenieur C.E.J. de Lille Hoogerwaard bij de Wilhelminakazerne. bij de Emmakazerne onder J.W. Bos, C.E.J. de Lille Hoogerwaard, aangevuld met de kapiteins-ingenieur H.J. van den Broek en C.W. van den Kasteele. De daken waren bedekt met platte kruispannen, terwijl de uitbouwen van de nachtprivaten en de keukens bedekt waren met zink.

De gebouwen werden verlicht door middel van gas en waren geschikt om met kachels te worden verwarmd. De drinkwatervoorziening werd beheerd door de Asser Bronwaterleiding Maatschappij, waarbij het water via pijpleidingen uitkwam in een gemetselde put. De gebouwen waren geschikt voor legering van een bataljon, wat neerkwam op 448 manschappen en 35 onderofficieren, terwijl in buitengewone tijden 1203 manschappen en onderofficieren gehuisvest konden worden. Tijdens herhalingsoefeningen en schietoefeningen konden onder de overkappingen nog eens 203 manschappen gehuisvest worden. De muren waren alle voorzien van natuurstenen plinten en pilasters van hetzelfde materiaal van verschillende afmeting.


De oude kazerne aan de Groningerstraat was in 1895 uitgediend

Ook deze gebouwen werden verwarmd en was de waterleiding op identieke wijze geregeld als bij de kazernegebouwen. Bij het hospitaal behoorden een gebouw voor besmettelijke ziekten geschikt voor verpleging van twaalf zieken en een lijkenhuis bestemd tot 'het plaatsen en zonodig onderzoeken van een lijk vóór de ter aarde bestelling'. De verlichting was bij al deze gebouwen geregeld door middel van gas. Zelfs het lijkenhuis kon verwarmd worden. Bij het hospitaal werd een portierswoning gebouwd, gelegen aan de Witterstraat. Aan de zijde van de Witterstraat werd een magazijn voor kleding en nachtleger gebouwd. Het bestond uit drie verdiepingen, waarboven nog een zolder. In het gebouw bevonden zich de opslagplaatsen voor kribben, ketels en veldflessen, kleding, mobilisatievoorraad, kisten en manden en 'goederen zonder waarde'.

In het gebouw bevond zich ook een poetslokaal, enkele bureaus, een kleedlokaal en privaten. De verwarming geschiedde door kachels. Vlak ernaast, aan de oostzijde, was nog gepland een gebouw voor het opbergen van kazernemeubelen dat echter pas in 1905 zou worden gebouwd. Aan de noordzijde van het magazijn voor kleding en nachtleger, werd een gebouwtje neergezet dat als bergplaats diende voor de brandspuit met toebehoren, touwen, brandzeilen. De brandladders werden opgehangen op rekken aan de buitenzijde van dit gebouw. Dit was ook het geval tegen de muren van het kledingmagazijn, waar zich ook twee hijspalen bevonden met takelwerk voor het ophangen van de brandzeilen. Ook bevonden zich hier de brandslangen.

De vloer van het gebouwtje was voorzien van keien. Rechts daarvan bouwde men op het kazerneterrein een voor die tijd modern reinigingsgebouw voorzien van badtoestellen en een pompinstallatie. Het gebouw was bestemd voor baddoeleinden, maar ook voor het filtreren en oppompen van drink- en waswater naar de andere kazernegebouwen. Aan de oostzijde van dat gebouw werd gebouwd een loods voor de opslag van zes patrooncaissons, behorende bij de gevechtstrein, die gezamenlijk 150.000 patronen konden bergen. De vloer was bedekt met lavakeien. Ook hier waren aan de zuidelijke wand, onder een afdak, brandladders aangebracht.122 Naast dat gebouwtje stond het magazijn voor de opslag van patronen, voor de Landweer, het garnizoen en de marechaussee.


De maaltijd werd gedeeltelijk in de open lucht bereid en in hooikisten warmgehouden (situatie rond 1911)


Aan de Witterstraat werd een overdekte rijbaan met stallen gebouwd

Het bestond uit een werkplaats met een houten vloer en een magazijn en was uit veiligheidsoverwegingen voorzien van een bliksemafleider. De gebouwen waren niet allemaal tegelijkertijd klaar, want er werd in fasen gebouwd. Als eerste kwam de Wilhelminakazerne in 1894 gereed, de Emmakazerne en het Militair Hospitaal volgden in 1895, waarvan de opening plaatsvond op 1 februari 1896. De oude kazerne aan de Groningerstraat was in 1895 uitgediend en met inbegrip van de meubelen door het ministerie van Oorlog aan de gemeente overgedragen. Het oude gebouw bleef nog een tijd leeg staan. De uiteindelijke afbraak in 1896 zou, in combinatie met de opruiming van het huis van M. Levie, meer ruimte verschaffen aan de uitbreiding van de Varkensmarkt.

In een tweede fase van de nieuwe kazernebouw werd rond 1905 een aantal gebouwen op het kazerneterrein geplaatst. Een bureel en gymnastiekgebouw, waarin onder andere de regimentsstaf verblijf hield, gymnastiekonderricht en schermen werd gegeven, de onderofficierseetzaal was, de repetitieruimte voor de stafmuzikanten en élèvemuzikanten van de stafmuziek gehuisvest waren. De Hendrikkazerne was bestemd voor het huisvesten van één bataljon infanterie en de woning van een adjudant-onderofficier. De kazerne kon vijfenveertig onderofficieren en vierhonderdvijftig manschappen onder gewone omstandigheden en 1061 manschappen en onderofficieren onder buitengewone omstandigheden herbergen.

Op de overdekte binnenplaats konden nog eens tweehonderdvijftig man gehuisvest worden. De gevel van het gebouw was in dezelfde stijl gehouden als de twee andere kazernes. Aan de andere zijde van de Witterstraat werd een overdekte rijbaan met stallen gebouwd op in 1904 aangekochte gronden. Deze lagen aan de noordzijde aan de Witterweg en aan de westzijde aan de Broekweg. De gronden sloten met dammen aan op deze wegen. De gebouwen waren bestemd voor het gedurende de wintermaanden te geven rijkundig onderricht aan de onbereden officieren in het garnizoen Assen en Groningen, alsmede voor de stalling van de benodigde paarden. Van de rijbaan werd tevens gebruik gemaakt door de Brigade Koninklijke Marechaussee te Assen.


Aan de hoofdpoort verrees een houten plantongebouwtje voor de wachthebbende sergeant of korporaal.

De overdekte rijbaan was aan de zijkanten van hellende houten schotten voorzien en voor toeschouwers werden tribunes gebouwd. De stal was geschikt voor de stalling van zevenentwintig paarden. In lokaal SI waren vierentwintig standen voor troepenpaarden gebouwd, elk voorzien van een gegoten ijzeren voederbak en een smeedijzeren ruif met houten fouragekoker die aan de bovenzijde met een houten draaibaar luik was afgesloten. In de hoek van het terrein was ook een ziekenstal gebouwd met op enige afstand daarvan een gemetselde mestbak, die afsluitbaar was met afneembare houten luiken en met grind was omgeven. Aan de noordzijde van de overdekte rijbaan was op hetzelfde terrein een ontgraving aangebracht waarop de nieuw te bouwen marechausseekazerne was gepland.

Dit gebouw is er echter nooit gekomen. De gebouwen werden gebouwd onder toezicht van de eerstaanwezend ingenieur kapitein F.J.H. Verhoef en kapitein O. Bueno de Mesquita als opzichter.125 Vanaf 1909 werden enkele voorzieningen bijgebouwd, zoals vier veldkeukens om ten tijde van 'buitengewone sterkte' van het garnizoen te kunnen koken. Elke keuken bestond uit een raamwerk van gecarbolineerd hout, aan de voorzijde open en met een dak van asfaltvilt. Elke keuken was voorzien van een ketel van 200 liter (veevoederketels genaamd), een kast voor keuken-gereedschap en een bergplaats voor brandstoffen.

De keukens waren aangesloten op de waterleiding. Voor het detachement wielrijders moest in dat jaar een bergplaats voor rijwielen worden gebouwd. Dit was een lange noord-zuid lopende loods met aan de noordzijde een werkplaats voor de rijwielhersteller en de geweermaker. Het gebouw was geschikt voor de berging van honderdvijftig rijwielen. Aan de hoofdpoort verrees een houten plantongebouwtje voor de wachthebbende sergeant of korporaal.


De Witterweg

Tot 1894 was de Witterweg een idyllisch landweggetje met hier en daar een arbeidershuisje. De bouw van de kazernes en de vele woningen verstoorde deze landelijke rust. In de zomer was de weg een mulle zandwoestijn, die in het natte jaargetijde veranderde in een papachtige modderrivier. De militairen gebruikten de weg intensief, omdat het de kortste route was naar hun oefenterreinen. Als de weg moeilijk begaanbaar was, reden ze met een soort baar vol munitie op het voetpad naast de weg. Het gevolg was natuurlijk dat ook het voetpad onbegaanbaar werd, wat voor de bewoners van Witten een bron van ergernis was. Maar ook voor de militairen zelf was het een vervelende ervaring elke avond de schoenen achter de haard te moeten drogen.

Dan waren er nog de dames die in het aangrenzende Asser Bos hadden gewandeld of zich aangetrokken voelden tot het militaire schouwspel bij de kazerne. Hun lichte toiletten werden met modder besmeurd. Naar aanleiding van klachten besloten burgemeester en wethouders in de herfst van 1895 de weg te verbeteren door het opbrengen van keislag en sintels van de gasfabriek. Het gedeelte Rijksstraatweg-Rode Heklaan werd door twee arbeiders onder handen genomen.126 Al na twee jaar bleek dat van verbetering geen sprake was. Daarom namen burgemeester en wethouders het besluit de weg op te hogen en, omdat er nog een voorraadje keien bij de school in Witten lag, vervolgens met keislag te verharden.

Ook de Asser Schietvereniging, die op het Witterveld oefende, diende een klacht in en zelfs de garnizoens¬commandant kwam in het geweer. Dit laatste bracht Burgemeester en wethouders op het idee via hem een rijkssubsidie aan te vragen. De stadsbouwmeester kreeg opdracht een berekening te maken voor een macadam (Mac Adam was de uitvinder van dit snelle bestratingssysteem). Twee landbouwers uit Witten hadden daar niet veel vertrouwen in en boden aan om voor eigen rekening de weg met heideplaggen te herstellen. Hier bleef het bij, verder gebeurde er voorlopig niets. Toen de Koningin op 5 en 6 juli 1907 Assen bezocht, was de stad in feesttooi.

Hoewel de feestelijkheden voornamelijk in het centrum plaatsvonden, wilden de militairen in de rijkswoningen niet achterblijven. Ook zij versierden hun woningen en kregen zelfs toestemming de koningin bloemen aan te bieden. De hoge kosten van onderhoud voor een macadamweg waren voor burgemeester en wethouders aanleiding te kiezen voor een klinkerweg. Om de bewoners van de Haar en Witten toch een dienst te bewijzen zou er een weg worden aangelegd van de Vaart tot de kazerne van 4 meter breed en verder tot de Haar van 21/2 meter breed. Mede door bijdragen van rijk, provincie en belanghebbenden was de gemeente bereid voor het ontbrekende bedrag een geldlening af te sluiten. In februari 1910 kon het werk worden gegund.


Bronvermelding:

'Welkom aan het garnizoen, 157 jaar militaire aanwezigheid in Assen'. A.E.S. de Mol Moncourt en H.M. Luning. REGIO-PRoject 1998. ISBN 90 5028 116 8








© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl