In en om Assen





Geschiedenis van de keuters en keuterijen in Drenthe


Schuilingsoord, Lageweg tegenover nr. 107, Jaartal onbekend. Dit huisje staat er ook al jaren niet meer, alleen de eikeboom is nu nog te herkennen. In dit huisje heeft vroeger de familie Lachenal gewoont. De man op de wipkar met paard is Willem Mulder (Willem Botter). Zijn nazaten wonen nu nog in Zuidlaren bron: E. Venema


Een weinig genuanceerd beeld van de geschiedenis van Drenthe

Het cliché, vooral van mensen die niet in Drenthe wonen, is dat er in Drenthe veel natuur is, met mooie dorpen, boerderijen en heel veel fietspaden. Onwaar is dat beeld niet. Drenthe is mooi, er is veel natuur en er zijn veel fietspaden. Het beeld is echter niet compleet want Drenthe heeft zoveel meer Ook hier rukt de economische vooruitgang op. Naast twee snelwegen die de provincie doorkruisen, zijn er minstens vijf grote stedelijke kernen, met veel industrieterreinen. Dat ook kleinere kernen meegaan in de vaart der volkeren, blijkt uit de sterke groei van woonwijken en industrieterreinen rond de kleinere Drentse dorpen. Deze onwikkelingen zijn het gevolg van de enorme bevolkingstoename die er in Nederland in de afgelopen eeuw is geweest.

Van ruim 5 miljoen inwoners in 1900 tot ruim 16 miljoen nu. Al die mensen moeten ergens wonen en werken. Ook in Drenthe zie je een toename van bevolkingsgroei in de laatste decennia. Des te belangrijker is het, dat er organisaties zijn die bij al die veranderingen het behoud van de natuur, het landschap en het culturele erfgoed bewaken. Het Drentse Landschap doet dat al sinds 1934. Naast natuurbeheer beschermt ze ook de gebouwen die bij het Drentse landschap horen. Dat doet ook de Bond Heemschut. Deze organisatie komt op voor het cultureel erfgoed, of het nu landschappen zijn die door mensen gemaakt zijn, beschermde dorpsgezichten of afzonderlijke gebouwen. Kleine boerderijen horen daar ook bij, veel meer dan menigeen denkt. Want wie rond 1900 Drenthe bezocht, had meer kans om kleine boerderijen tegen te komen dan grote. Er waren rond 1900 namelijk veel meer kleine dan grote boeren in Drenthe.


Ruim begrip

Voordat er wordt ingegaan op de keuterijen, moet allereerst het begrip keuter worden toegelicht. Kleine boeren worden over het algemeen met keuters aangeduid. Dat lijkt duidelijk, maar dat is het bij nadere beschouwing niet echt. Want in de loop van de laatste vierhonderd jaar, waarin het begrip keuter gehanteerd werd, is er geen sprake van eenduidigheid. Het is zelfs de vraag of er altijd hetzelfde mee bedoeld werd. De grenzen ervan wisselen met de tijd. Soms worden er alleen kleine boeren mee bedoeld, een andere keer ook arbeiders, soms hebben ze geen paard, maar bij een ander weer wel, een enkele keer zelfs twee. Etymologisch is het woord keuter verwant met kot.

Het Engelse cottage heeft er ook mee te maken. Dat is leuk, want het enige overblijfsel van het verschijnsel keuter is tegenwoordig zijn woning. Blijkbaar werden kleine boeren vanouds met hun woning geassocieerd. Die woning was niet erg indrukwekkend; nu is er van de betekenis van kot alleen het armoedige element overgebleven. Het vermoeden bestaat dat het oorspronkelijk te maken had met het materiaal waarvan de woning gemaakt was. Dat waren natuurlijke materialen, waarvan een groot deel bestond uit takken. Dat gold overigens ook voor de grotere boerderijen. Het bouwmateriaal werd uit de nabije omgeving van de boerderij gehaald.

Waarschijnlijker is het dat kot ook met gewelf of met hol verbonden is. Keuters zouden dan mensen zijn die in hutten of holen wonen. Als keuter in de middeleeuwen gebruikt wordt en in de haardstedenregisters van Drenthe in de zeventiende eeuw opduikt, is alleen het nederige, kleine van toepassing. Overigens, kleine kinderen worden ook wel eens met koters aangeduid. Dat lijkt wel erg veel op keuters, maar dat is louter toeval. Koters is afkomstig uit het Bargoens, oorspronkelijk een geheimtaal voor dieven en landlopers, waarin veel Jiddische woorden zitten. In het Jiddisch komt koten voor, dat klein betekent


Belastinginkomsten

In de veertiende eeuw worden in documenten keuters apart genoemd. De bisschop van Utrecht, toen de baas van Drenthe, had geld nodig. Dat kreeg hij onder andere door aan grote en kleine boeren in Drenthe belasting op te leggen. Keuters waren er dus toen al, in keuternederzettingen bij de esdorpen. Veel is er overigens niet bekend uit die tijd. In de vijftiende eeuw bestond een groot deel van Meppel uit keuters, waarschijnlijk afkomstig uit de gebieden rond Nijeveen en Kolderveen, waar veenarbeid een grote rol had gespeeld. Hetzelfde geldt voor Ruinen in de zestiende eeuw, waar ook een belangrijk aandeel van de bevolking uit kleine boeren bestond. Zij moeten uit Ruinerwold, ook een veenontginning, zijn gekomen.

In Drenthe komt in de grondschattings-registers van 1642 en later en in de haard-stedenregisters van 1671 het begrip keuter veelvuldig voor. Er wordt iemand mee bedoeld 'geen wagen en geen peerden holdende'. Een kleine boer dus, zou je denken. Maar in het register worden ook een schulte, een predikant of een schoolmeester als keuter aangeduid. Zij hadden immers ook geen paard om land mee te bewerken. Er waren zelfs financieel zeer draagkrachtige figuren bij die keuter werden genoemd. Het begrip keuter was dus vooral een belastingtechnische aanduiding. Er waren ook keuters die bij de allerarmste laag van de bevolking hoorden. Zij werden helemaal niet aangeslagen, omdat ze behoeftig en afhankelijk van anderen waren Keuters werden in het haardstedenregister voor 1 gulden aangeslagen als het om mensen ging die op een 'keuterstede' woonden. Als ze een ambacht of een nering uitoefenden, werden ze voor 2 gulden aangeslagen. Sommige kleine boeren genereerden neveninkomsten door er een ambacht bij uit te oefenen, wat kon variëren van barbier tot dakdekker


Schuilingsoord, Lageweg 107 fam Okken. Jaartal onbekend. Op de foto staat volgens de overlevering mevr. Griet Mekkes. Het boerderijtje op de achtergrond staat er ook nog en is nog in authentieke staat. bron E. Venema


Eigen bezit

De boeren in de esdorpen gebruikten het 'woeste' land voor hun runderen en schapen. Die woeste grond was gemeenschappelijk bezit. Een boer had recht op een deel ervan. De grootte van dat deel werd uitgedrukt in waardelen of waren. Grote boeren hadden een paar waardelen, maar het is bekend dat er ook keuters waren die recht hadden op de gemeenschappelijke weidegrond. Ze hadden dan bijvoorbeeld een kwart waardeel. In het begin van de negentiende eeuw had zeker de helft van de keuters zo'n aandeel. Keuters waren dus kleine boeren. Zo klein, dat ze niet helemaal in hun eigen levensonderhoud konden voorzien. Ze werkten daarom ook bij andere, grotere boeren. De grote boeren hadden waarschijnlijk in het begin van de zeventiende eeuw ook inwonende knechten, die als arbeider meehielpen in het bedrijf.

Aan het eind van de zeventiende eeuw liepen de verdiensten voor de grotere boeren tijdelijk zo terug, dat het inwonende personeel op zichzelf moest gaan wonen. Alleen als er handen nodig waren, werd er gebruik gemaakt van het arbeidspotentieel. Dit gebeurde tegen dagloon, wat uiteindelijk veel goedkoper uitkwam. Het is heel goed mogelijk dat deze ontwikkeling heeft bijgedragen tot het ontstaan van een aparte keuterstand, net als het feit dat in de achttiende eeuw zelfs arbeidskrachten door de grote boeren aangetrokken werden. In de Tegenwoordige Staat van het Landschap Drenthe, een beschrijving van de provincie uit het eind van de achttiende eeuw, worden de keuters tenminste als een aparte stand vermeld, naast de adel, de eigenerfden en de pachters.


Geboorteregeling

In de zeventiende en achttiende eeuw woonden keuters vooral in de kerkdorpen. De grote boeren gingen daarheen om hun arbeidskrachten te recruteren. Dat het echt om hun arbeidskracht ging, blijkt uit het voorschrift dat keuters eerst zelf hun oogst mochten binnenhalen, om daarna de handen vrij te hebben om als hulpkrachten voor het grote werk te dienen. Tussen 1600 en 1800 verdubbelde de bevolking van Drenthe. De keuterstand heeft daar in hoge mate aan bijgedragen. De grote boeren pasten het aantal kinderen die ze voortbrachten, aan aan de bestaansmogelijkheden. Ze wilden in principe niet hun land verdelen over de kinderen. 'Grote boeren' zou een verkeerd beeld achter kunnen laten, want zo groot waren de Drentse boeren nou ook weer niet, zeker niet naar de huidige maatstaven.

De oude, belangrijke families vormden wel een soort elite en waren welvarend vergeleken met de keuters, maar echt rijk waren ze niet. De keuterboeren hadden die rem op de geboorteregeling niet. Het is dan ook heel opvallend dat het aantal grote boeren in die periode nauwelijks groter werd, terwijl de keuterstand enorm toenam. Daar komt nog bij dat de voedselsituatie in de loop van de achttiende eeuw voor deze groep verbeterde In plaats van afhankelijk te zijn van de roggeteelt, die in de zeventiende eeuw voor de voedselvoorziening erg belangrijk was, kregen de keuters aardappelen en ook boekweit als voedsel. De teelt van deze landbouwproducten werd in de achttiende eeuw namelijk steeds belangrijker.

Keuters hadden, alhoewel dat niet gemakkelijk was omdat er regels waren die belemmerend werkten, wel degelijk mogelijkheden om zich op te werken. Ze konden bijvoorbeeld een paard kopen en daarmee een groter stuk land bewerken. Er zijn ook gevallen bekend van keuters die het zo goed ging dat ze twee paarden konden kopen. Voor de belasting telden ze dan als echte boer mee en werden ze hoger aangeslagen. In 1742 komt in Vries een 'grote keuterie van ongeveer tien mud land' voor.


Idyllisch

Voor bezoekers van de provincie bleef, in onze ogen althans, een vrij romantisch beeld bestaan. Als Jacob van Lennep met zijn reisgenoot in 1823 een voettocht door Drenthe maakt, beschrijft hij hoe schilderachtig de dorpen er uitzien, maar hij zegt niets over de grootte van de huizen. Hij spreekt soms over 'hutjens', waar natuurlijk niet iets groots bij voorgesteld moet worden. Ook vertelt hij dat de bouwwerken uit allerlei materialen opgebouwd zijn en dat sommige muren van leem zijn. Hij suggereert dat de landbouw vooral op eigen onderhoud gericht is en niet op de handel in graan of vee, wat overigens sommige cijfers weerleggen, en verklaart daarmee het in zijn ogen wat naïeve karakter van de Drenten. Of gedroeg hij zich toch als een Amsterdammer?


'Opvoeddorpen'

In de loop van de negentiende eeuw is er erg veel veranderd. De grote veenontginningen in het zuidoosten van de provincie vonden vooral in deze periode plaats. De gemeenschappelijke weidegronden en woeste gebieden werden verdeeld en de markegenootschappen opgeheven, ontginningen vonden plaats en het boerenbedrijf was aan grote veranderingen onderworpen. Maatschappelijk was er ook van alles aan de hand. De Maatschappij van Weldadigheid had grote gebieden in Drenthe opgekocht om er kolonies te stichten. Welwillende mensen en later ook landlopers moesten daar (her-)opgevoed worden. Ook al mislukten de experimenten voor een deel, er werd wel gebruik gemaakt van praktijken die bekend waren, zoals in dit geval van kleine boerderijen.

De arbeiderswoningen in Frederiksoord bijvoorbeeld functioneerden als keuterijen en waren ook zo gebouwd. Een kleine woonkamer en een kleine deel, een stuk grond en wat vee. Aan het einde van de negentiende en in de eerste helft van de twintigste eeuw werden grote stukken woeste grond ontgonnen voor de landbouw. Er was kunstmest die de arme grond vruchtbaar maakte en op de ontgonnen grond kon bosbouw worden gepleegd. Kleine boeren en landarbeiders kregen de mogelijkheid om zich in de buurt van deze ontgonnen stukken grond te vestigen. In de jaren twintig van de twintigste eeuw werd bijvoorbeeld een groot gebied bij Orvelte ontgonnen.

Voor de arbeiders werden, alsof het een kolonie uit het begin van de negentiende eeuw was, huizen neergezet. Deze huizen zouden wij nu als keuterijen aanmerken. Uit die huizen en boerderijen is het dorp Witteveen ontstaan. Keuters en landlozen die zich in de provincie vestigden, ontgonnen ook, onofficieel, de grond rondom hun woningen. Als dat gebeurde voordat duidelijk was dat de waarde van die grond toenam, was het door het gewoonterecht toch min of meer officieel geworden. Deze keuters konden niet meer van hun grond verjaagd worden.



Nieuwe mogelijkheden

In de veengebieden woonden de arbeiders in tijdelijke onderkomens, plaggenhutten, die zeker niet voor permanente bewoning bedoeld waren. Plaggenhutten lijken erg veel op keuterijen. De bewoners konden in ieder geval ook gedeeltelijk voor zichzelf zorgen door een paar dieren te onderhouden en een moestuin aan te leggen. Als de veengebieden afgegraven waren, werden er grote boerderijen naar Gronings model gebouwd door boeren die elders vandaan kwamen. Ongetwijfeld leverden die bedrijven veel werkgelegenheid op. De toename van keuters in de negentiende en begin twintigste eeuw is vooral aan deze gebieden toe te schrijven. Plaggenhutten veranderden soms in kleine boerderijen.

Keuterijen zijn in de veengebieden nu nog veel te vinden of te herkennen. Vooral de fokkerij van varkens leverde in de tweede helft van de negentiende eeuw veel op, ook voor keuters. De talloze stookhokken bij de Drentse boerderijen, die nu in groten getale te vinden zijn, getuigen daarvan. Niet alleen varkens, ook andere dieren kwamen op keuterijen voor. Naast een of twee koeien waren er schapen, kippen en vooral ook geiten. Die laatste groep was erg populair bij de keuters. Ze aten alles, gaven melk en ze waren niet erg vatbaar voor ziekten. Geiten werden daarom ook wel de koeien van de keuters genoemd. De opkomst van het transport per spoor bracht nieuwe mogelijkheden: de landbouw-productie hoefde niet langer beperkt te blijven tot de eigen omgeving, tot dat wat je zelf nodig had.

Deze ontwikkeling zette zich voort tot aan de Tweede Wereldoorlog. Daarna speelde in Drenthe de industrialisatie een grote rol en werd de bestaanszekerheid voor kleine boeren steeds minder, niet in de laatste plaats door de mechanisatie van de landbouw en de ruilverkaveling.


Een met de omgeving

Al met al is er een duidelijke verandering in de samenstelling van de keuterstand gekomen. Waren het in de achttiende eeuw en daarvoor voornamelijk hulpkrachten die de grotere boeren bij hun werkzaamheden ondersteunden, in de loop van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw ontwikkelde de groep kleine boeren zich zo explosief en waren er zo veel meer mogelijkheden om zich in Drenthe te vestigen door de ontginningen en de vervening, dat de bevolking van Drenthe, althans op het platteland, voor het grootste deel uit kleine boeren bestond Toch bood Drenthe voor een buitenstaander ook aan het einde van de negentiende eeuw nog steeds een romantisch beeld.

Bij zijn beschrijving van Gasselte, Borger en Eext uit 1879 vermeldt J. Craandijk dat 'de boerenwoningen, schuren, schaapskooijen, met dik bemoste bruine, geele, groene daken, half onder het diepe hout verscholen' voor hem het beeld vertegenwoordigen dat Drenthe biedt. Niets over keuterijen, althans niets daarover in het bijzonder. Waarschijnlijk hoorden ze voor de reiziger vanzelfsprekend bij het dorp, vielen ze niet afzonderlijk op. Het valt wel op dat Craandijk alleen de zanddorpen beschrijft. De wandelingen brachten hem blijkbaar niet in het veen. Misschien is zelfs in onze tijd de belangstelling voor de woningen van de Drentse boeren uit het verleden, of ze nu een groot of een klein bedrijf hadden, niet helemaal vanzelfsprekend.

In de laatste twintig jaar zijn een paar uitgebreide studies gewijd aan het Drentse landschap en aan de ontwikkeling van de landbouw. Aan de woningen van de boeren wordt echter geen of heel weinig aandacht besteed. De grote boerderijen maken nog steeds deel uit van het Drentse landschap. De rieten daken van de oude boerderijen in de esdorpen zijn een vertrouwd en bekend beeld. In de grote ontginningen van heidevelden en venen zijn boerderijen niet weg te denken. Keuterijen zijn net zo'n belangrijk onderdeel van de bebouwing. Ze zijn het zichtbare overblijfsel van een periode die voor het grootste deel verleden tijd is. Als deze zichtbare tekenen verdwijnen, verdwijnt daarmee ook een deel van de geschiedenis, die niet alleen door de grote boerderijen gemaakt is.


Bronvermelding:


'Keuterijen in Drenthe, monumenten van bescheidenheid'.
In Boekvorm Uitgevers 2008
Tekst bovenstaand artikel: Hans Ladrak
ISBN 978 90 77548 64 6
Het boek is voorzien van prachtige foto's van Sake Elzinga








© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl