In en om Assen





Het klooster van Assen



Bronvermelding:
'Het Drentse Landschap'. Sept. 2008, nummer 60. Een artikel van Jan Bos, hoofd afdeling publiek van het Drents Archief.



De trapgeveltjes van het Drents Archief met op de achtergrond het gebouw van het Drentse Landschap. Foto Harry Cock


Het oudste stukje Assen


Het gebouw van het Drents Archief, de achterburen van Het Drentse Landschap, ligt aan de Brink in Assen. Hier bevinden zich nog belangrijke, uit de middeleeuwen daterende, gedeelten van de kloostermuren van het klooster Maria in Campis. Het is zonder twijfel het oudste overgebleven stukje Assen, dat niet voor niets deel uitmaakt van het zogenaamde Asser Erfgoedkwartier.

Het cisterciënzer nonnenklooster Maria in Campis was gesticht bij Coevorden als boetedoening voor de slag bij Ane waarbij de Drenten de bisschop van Utrecht en vele van zijn ridders hadden afgeslacht. Het gebied was echter te nat en de nonnen kregen toestemming om naar een droger gebied te verhuizen. In een akte uit 1259, die in het Drents Archief ligt, werden met toestemming van Otto, graaf van Benthem, goederen geruild, zodat het klooster bezittingen kreeg in Drenthe. Dat was kennelijk genoeg en in 1260 zullen de nonnen zijn verhuisd.


Brand in 1418

Het terrein van het klooster had een behoorlijke omvang. Het lag tussen de Gedempte Singel, de Noorder-, de Ooster- en de Zuidersingel. Langs de singels was moeilijk doordringbaar eikenhakhout geplant. Stenen muren zijn er waarschijnlijk nooit geweest, maar er was wel een poort. Vermoedelijk had die vooral ook een symbolische functie, als overgang van het klooster naar de wereld. In dit poortgebouw werden ook gasten tijdelijk gevoed en gehuisvest. Van de kloostergebouwen is verder niet veel bekend. Ze stonden met de kerk in een vierkant rond een open ruimte, de kloosterhof. Het gebouw is waarschijnlijk grotendeels van hout geweest. Vandaar ook dat een brand op 13 juni 1418 nagenoeg het hele complex in de as legde. Geldgebrek leidde er toe dat het enkele jaren duurde voordat het klooster was herbouwd


Rangen en standen

Behalve nonnen woonden er ook zogenaamde conversen en proveniers in het klooster. Conversen waren een soort tweederangs nonnen. Ze hadden wel de kloostergelofte afgelegd, maar zorgden voor het huishouden. De proveniers waren niet-geestelijken die in ruil voor een schenking aan het klooster, kost en inwoning kregen, vaak als oudedagsvoorziening. Het werk om het klooster economisch in stand te houden werd aanvankelijk gedaan door de conversen en later vooral door de proveniers. Daarnaast had je nog werklui. Er waren dan ook diverse bijgebouwen, waarin werd gewerkt: een melkhuis, een ziekenzaal, een boerderij, een varkensstal, een schoenmakerij, een brouwerij en een bakkerij. De meeste bewoners van Maria in Campis kwamen uit de directe omgeving, maar de nonnen kwamen uit een groter gebied.

Ze moesten minimaal vijftien jaar oud zijn en waren afkomstig uit vooraanstaande families uit Drenthe, Groningen en Salland, zoals de Drentse families Van Echten en De Vos van Steenwijk. Wat was de reden dat vrouwen in de relatief strenge cisterciënzer orde intraden? Sommigen zullen het zeker om religieuze redenen hebben gedaan.Vaak zijn er bij de intrede van een novice echter ook erfrechtelijke kwesties aan de orde. Ze kreeg bijvoorbeeld een bepaald geldbedrag mee, maar kon daarna geen aanspraak meer doen gelden op de erfenis van haar ouders. Soms wordt ook een vrouwenoverschot in de middeleeuwen als reden genoemd. Verarming van sommige adellijke families kan eveneens een reden zijn geweest, maar ook een vlucht voor een niet gewenst huwelijk, of een drang om zich intellectueel te ontwikkelen en een leidende functie in een klooster te krijgen. Tenslotte werden niet zelden lichamelijk of geestelijk gehandicapte kinderen in een klooster ondergebracht


De gebouwen van het klooster aan de Brink in 1735


Inkomen

Aan het hoofd van het klooster stond de abdis, bijgestaan door de priorin en de keldersche, de econoom van het klooster. Deze werd op haar beurt bijgestaan door de conversen, zoals de grangarius die het werk op verderweg gelegen landerijen leidde, de bouwmeester die de boerderij bij het klooster bestierde, de koopmeester die zorgde voor de verkoop van de producten en de aankoop van allerlei benodigdheden en de portier.


En dan was er nog de prior, een mannelijke priester die de mis las, de biecht hoorde en de laatste sacramenten toediende. Vrouwen mochten dat niet doen. Om te kunnen bestaan had het klooster inkomsten nodig. Die kwamen uit handwerk, landbouw en veeteelt en uit pachten en belastingen. Ze konden zowel in natura, als in geld zijn. Het klooster kreeg dan bijvoorbeeld een deel van de rogge- of haveroogst. Verder kreeg men turf, kippen en boter. De veeteelt in de directe omgeving van het klooster bestond vooral uit schapenteelt. Eén provenier was dan ook schapenhoeder. In 1602 waren er nog steeds 60 schapen. Maar daarnaast had het klooster ook ossen en varkens, eveneens met hun eigen hoeders. Het convent had flink wat bezittingen en inkomsten. Maar dat mocht ook wel, wilde de abdij zichzelf kunnen redden. En het aantal inwoners mocht niet te hoog worden, anders was er te weinig eten.


Regeringszetel

De 16e eeuw was een moeilijke periode en zou tevens de laatste eeuw van het bestaan van het klooster zijn. Diverse oorlogen deden het kloosterleven geen goed. Assen was daarop geen uitzondering. Er waren in 1559 nog maar zes zusters en de gebouwen zagen er vervallen uit. De opkomst van het protestantisme bevorderde de opheffing van vele kloosters, ook van de cisterciënzer abdijen. De nieuwe Drentse stadhouder Willem Lodewijk proclameerde in 1598 de Hervorming en alle kloostergoederen werden geïnventariseerd en geannexeerd. In 1602 werd de abdij officieel opgeheven en kregen de resterende Asser kloosterlingen een uitkering van het provinciaal bestuur. In de jaren daarna overleden successievelijk alle oude nonnen en een enkele ging zelfs nog trouwen.

In 1623 waren er nog vier over. Met het vertrek van Swaene van Lingen naar Groningen in 1630 verliet de laatste non Assen. Inmiddels had het provinciaal bestuur van Drenthe besloten om de oude kloostergebouwen te gaan gebruiken als regeringszetel. Ze stonden immers toch leeg en waren naast de kerken de enige gebouwen van omvang in Drenthe. Langzaam ontwikkelde zich in de eeuwen daarna rondom dit bestuurscentrum het dorp en later de stad Assen. Een ontwikkeling die er zonder het klooster en de ingebruikname van de gebouwen door het provinciaal bestuur, zeker niet zou zijn geweest. Zo is de verhuizing van het klooster Maria in Campis in 1258-1260 naar Assen, de belangrijkste gebeurtenis uit de geschiedenis van de huidige stad geweest. Het is zelfs onwaarschijnlijk dat de stad er zonder het klooster nu zou zijn geweest.






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl