In en om Assen





De Koppelpaarden


Bij het in gebruik nemen van het in 1950 nieuwgebouwde zuidelijk gedeelte koos de Provinciale Drentse Vereniging voor Vreemdelingenverkeer De Koppelpaarden als beeldmerk. Ter herinnering aan het voormalige logement werd bovenstaande gevelsteen geplaatst, (bron: Ons Eigen Land, Assen 1960)


Een gedetailleerde beschrijving van Jans Timmer († 14 juli 2009)

In een eerder nummer van het Asser Historisch Tijdschrift beschreef Jans Timmer de lange geschiedenis van een herberg, die veel later hotel Somer zou worden.' In 1654 werd echter aan de westzijde, aan de tegenwoordige Markt, nog een herberg gesticht. Deze kreeg vanaf ongeveer 1790 de naam 'De Koppelpaarden'. Volgens een oude kloosterkroniek liep voor deze herberg de Heerweg, de doorgaande weg van Groningen naar Zwolle. Het hof achter de herberg werd gescheiden van andere bezittingen door de Weijersloop. Na uitvoerig onderzoek in verschillende archieven wordt de geschiedenis van deze herberg met zijn opeenvolgende eigenaren/beheerders hieronder beschreven.


Een herbergierszoon uit Diever

Het begin van de geschiedenis van posthuis en logement 'De Koppelpaarden' ligt in een ordonnantie (opdracht tot betaling - red.) van Drost en Gedeputeerden. Op 25 augustus 1649 betalen zij aan Tiete Douwes, herbergier in Diever, 65 Carolus guldens en 45 stuivers voor de verteringen gedaan door de Heren gecommitteerden der Landschap Drenthe op 8, 9 en 10 augustus van dat jaar. De ouders van Tiete Douwes hebben een boerderij met herberg in Diever. Na het overlijden van Tietes vader in 1633 drijft hij als ongehuwde zoon de herberg. De familie heeft relaties met het Landschapsbestuur. Zo wordt zijn halfbroer Claes ter Maeth, een zoon uit het eerste huwelijk van Tietes moeder, in 1647 benoemd tot Landschapschirurgijn.

Mogelijk is zijn vader, Hermannus ter Maeth, de ette Ter Maeth die overleed in 1618. Op de Landdag van september 1650 wordt Tiete Douwes (alias Gosling) op voorspraak van de Drost als ambtenaar benoemd met een jaarsalaris van 100 Carolus guldens. Volgens archiefstukken van 1655 woont Tiete Douwes in Assen, omdat hij wordt aangeslagen voor de Canon, een huisbelasting. Hij is dan herbergier van beroep. Omdat in oktober 1656 een kind van Douwes in Assen wordt begraven, mogen we aannemen dat Tiete was getrouwd. Wellicht is het hertrouwen van zijn moeder in 1653 voor Tiete reden om naar Assen te verhuizen. Voor de bouw van de herberg leent hij geld van de Asser diaconie-kerkvoogden tegen een rente van zes procent per jaar.

In 1655 wordt zijn salaris gehalveerd, waarmee het Landschapsbestuur geld wil vrijmaken om 'de staat van het Landschapskantoor' te verbeteren. Douwes leent met name in 1658 van verschillende personen grote sommen geld. Hij raakt in financiële moeilijkheden. Dat blijkt uit afbetaling van zijn schuld en rente door de Groninger bierbrouwer Warmolt Roelofs. Gezien de door hem in 1665 betaalde Canon is Roelofs dan eigenaar van de herberg. Na Douwes' ontslag als ambtenaar in 1666 worden zijn eigendommen in 1669 ver-kocht. De opbrengst wordt verdeeld onder schuldeisers met Roelofs als grootste schuldeiser. De opbrengst is echter niet voldoende om alle schulden te voldoen.


Groninger bierbrouwer en knecht

Jan Claassen, voordien waarschijnlijk knecht in Roelofs' bierbrouwerij in Groningen, wordt beheerder van de aangekochte herberg te Assen. Warmolt Roelofs is bierbrouwer, Gesworene (raadslid- red.) van de Stad Groningen en Hopman van het Burgerregiment. De brouwerij van Roelofs is gelegen in de 'Wijdte der Heerestrate' van Groningen, op de zuidhoek van de Kleine Pelsterstraat tegenover de Carolieweg. Een gevelsteen 'Het Witte Kruis' siert nu nog de voorgevel. Uit archiefstukken blijkt dat Roelofs een zakenrelatie is van Tiete Douwes. In het Etstoel-archief zijn processen aanwezig, gevoerd door Warmolt Roelofs tegen tappers-herbergiers in Drenthe wegens het niet betalen van nota's voor geleverde goederen.

Jan Claassen wordt in 1676 eigenaar van de herberg in Assen. De herberg werd hem geschonken door zijn vader Claas Peters, koopman te Groningen. Deze moet het pand hebben gekocht van Warmolt's weduwe. In 1676 is er een grote brand in het centrum van Assen, waarbij de herberg gespaard blijft. Naast herbergier is Jan Claassen met zijn paard en wagen ook actief voor het bestuur van de Landschap Drenthe. Over de jaren 1665 -1667 krijgt hij 92 Carolus guldens en vier stuivers voor het vervoeren van vracht. Zo brengt hij landschapspapieren en protocollen naar Dwingeloo, vervoert hout en zand voor de reparatie van het Ontvangershuis en brengt hij de Landschapssecretaris en de Ontvanger naar Coevorden.


Vanaf de havenkolk zicht op de Markt omstreeks 1880. Op de achtergrond het pand waarin voorheen logement 'De Koppelpaarden' was gevestigd. (collectie Martin Hiemink, Assen)


Dochter, schoonzoon en 'de oude Bol'

Pas in 1712 vinden we dan opnieuw een vermelding. In dat jaar is de herberg eigendom van Jan Willem de Weert en zijn echtgenote Mettien Jans, de dochter van Jan Claassen. Vermoedelijk heeft Mettien Jans de herberg van haar ouders geërfd. Naast herbergier is De Weert tussen 1723 en 1729 ook boekhouder-diaken in Assen en pachter van wijnen, bieren, slachtvee en tolwegen. Op 1 juni 1741 doet Mettien Jans aangifte van het overlijden van haar man. De nalatenschap van 880 gulden vervalt aan de vier kinderen uit De Weerts eerste huwelijk. Na het overlijden van Jan Willem de Weert is Jan Alberts Bolling (1709-1789) vermoedelijk bij Mettien Jans in de herberg werkzaam. Bolling trouwt in 1743 in Assen met Mettien Everts, de kleindochter van Mettien Jans.

In datzelfde jaar vermaakt Mettien Jans de herberg met toebehoren aan haar kleindochter. Van de handel en wandel van herbergier Jan Bolling is in de archieven veel bewaard gebleven. Onder andere weten we dat hij drie keer trouwde. Jan Bolling en zijn eerste vrouw Mettien Bolling-Everts krijgen kort na elkaar twee kinderen: A-bert en Jan. Kort daarop overlijdt Mettien Everts en Bolling hertrouwt in 1748 met Aafje Smit, een herbergiersdochter uit Vledder. Uit dit huwelijk worden zeven kinderen geboren. Na Aafjes overlijden in 1767 trouwt Jan Bolling in 1774 voor de derde keer. Nu met Vrouwke Harms, de weduwe van de Asser schoenmaker Jan Coops. Sinds het overlijden van oma Mettien Jans in 1750 is Jan Bolling volledig eigenaar van de herberg.

Voorafgaand aan zijn huwelijken in 1748 en 1774 wordt een uitgebreide inventaris van de boedel gemaakt. Deze geven ons een goed beeld van de inrichting van de herberg. In 1744 worden de volgende gegevens over de herberg opgenomen: een kamer, keuken en achterhuis van 9 vak en 25 voet wijd (30x7,35m - red.); een opkamertje, muurwerk van 12 voet lang (3,52m - red.); een schuur van 3 vak en 18 voet wijd (12x5,30m - red.). Op 18 maart 1751 wordt een nieuw gebouwd brouwhuis vermeld van 1 zijde, 2 vak en 15 voet wijd (9x4,40m - red.). Zo vermeldt de boedelinventaris van 1774 o.a. drie kasten, een oud pulpitrum (lessenaar - red.), een buffet, 27 stoelen, zeven tafels, elf schilderijen, een klok, negen bedden, een grote bijbel en een bank.

Aan tin is aanwezig dertien grote schotels, een schenkbord, elf schotels, 40 borden, drie brandewijnkommen, elf kroezen en 20 lepels. Ook heeft Bolling opvallend genoeg een porse (druivenpers - red.). Bovendien is er veel aardewerk en porselein, vijf grote kristallen bokalen, 21 bierglazen, enzovoort. Het linnen omvat 41 beddenlakens, 22 kussenslopen, tien tafellakens en 38 servetten. Tot Bollings bezit behoren ook twee pistolen, een hartsvanger (soort lans met haak - red.) en een snaphaan (geweer - red.). In de schuur zijn aanwezig een chaise (sjees - red.), een jachtwagen, twee boerenwagens, drie paarden en zeven koeien. Verder nog boerengerei. De boedelschulden bedragen 1100 gulden.

In 1756 leent Jan Bolling 2300 gulden te¬gen een rente van drie procent van de ei¬generfde Abel Harders, een zeer rijke boer uit Anreep. Ook in de jaren daarna wor¬den door hem leningen gesloten voor de aankoop van onroerend goed. Als herber¬gier levert hij veelvuldig bier en jenever aan de Landschap Drenthe, bestemd voor de turfgravers in de Asser- en Witterve-nen. Bolling is van 1749 tot en met 1762 boekhoudend diaken te Assen. In 1763 wordt hij benoemd tot Landschapsbode. Op 15 februari 1766 gaat Bolling met Landschapssecretaris Coenraad Wolter Ellents naar Den Haag. Daar zijn op dat moment vertegenwoordigingen van alle gewesten van de Republiek, omdat zij be¬sloten hebben prins Willem V tot erfstad¬houder te benoemen.

Daarmee komt het stadhouderschap van de gewesten, dus ook dat van Drenthe, in erfbezit van de Oranjes. Vanwege de drukte in de stad kan de Drentse afvaardiging niet meer in een hotel terecht en is zij gedwongen tijdelijk een duur huis in Den Haag te huren voor het verblijf. Bolling vervoert als Landschapsbode het ontwerp van het benoemingsdiploma van Willem V in een gouden doos. In Den Haag wordt het ontwerp, na goedkeuring door de prins, door een klerk overgeschreven op twee perkamentrollen. Voor ondertekening door het Landschapsbestuur keert Bolling op 25 februari 1766 met de perkamentrollen terug naar Assen. Acht dagen later maakt hij de reis opnieuw en op 4 maart 1766 is zijn missie volbracht. Bolling blijft Landschapsbode tot 1784, wanneer hij op eigen verzoek uit die functie wordt ontslagen, ten gunste van zijn schoonzoon Christiaan Andreas Thürkow. De uit Mecklenburg afkomstige Thürkow -sinds 1769 Landschapschirurgijn - is in 1773 getrouwd met Böllings dochter Clasina.


Een zwangere gewezen dienstmaagd

Jan Bolling is niet van onbesproken gedrag. Op de Goorspraken van 1760 en 1761 te Rolde komt zijn agressief gedrag tegenover anderen ter sprake. Een paar jaar later, kort na het overlijden van zijn tweede vrouw, raakt Bolling in grote moeilijkheden als Geesje Jansen, zijn 'gewezen dienstmaagd', hem er van beschuldigt dat hij de verwekker van haar kind is. Geesje Jansen werkt van 1 mei 1767 tot Pinksteren 1768 bij Bolling als dienstmeid voor dag en nacht. Hij zou in die periode zo familiair met Geesje zijn geweest, dat herberggasten hem waarschuwden voor geruchten dat ze intiem met elkaar waren. Geesje vindt dat niet zo verwonderlijk, omdat zij Bolling elke avond, als hij al in bed ligt, de waterpo en een slikje (een kleine versnapering - red.) moet brengen.

Bollings knecht, die in een bedstee op de achterdeel van de schuur slaapt, weet niets van deze afspraak maar ziet wel hoe Bolling de meid in de vroege morgen wekt en dan 'bij haar bedde talmen' blijft. Geesje Jansen doet van voornoemd geval aangifte op de Goorspraak van 30 september 1768 in Rolde. Omdat een schikking uitblijft, komt de zaak voor de Etstoel op de Lotting van 13 december 1768 in Assen. Daar vertelt Geesje dat Bolling haar trouwbeloften heeft gedaan en dat zij daarna zwanger is geworden van een zoon, die kort na de bevalling is overleden. Volgens Geesje hebben Bollings kinderen verijdeld dat Bolling met haar zou trouwen. Ook brengt zij op de Etstoel naar voren dat Bolling bekend staat als een liefhebber van vrouwelijk schoon en geeft hiervan enige voorbeelden.

Zij eist dat Bolling met haar trouwt. De Etstoel bepaalt dat Jan Bolling aan Geesje Jansen 100 zilveren dukaten voor defloratie en dotatie (gemeenschap en bruidssom -red.) moet betalen. Ook de kraamkosten en de doods- en begrafeniskosten van het kind zijn voor zijn rekening. Bolling ontkent alles en beweert dat een ander de verwekker van het kind is. Geesje is volgens hem nogal vrij in de omgang met mannen. Aan het einde van het geding wordt Bolling gelast de eed af te leggen, dat hij Geesje geen trouwbeloften heeft gedaan. In het bijzijn van Geesje en haar broer Egbert legt hij deze eed op 27 januari 1769 voor Landschrijver dr. Kniphorst af. Met de bepaling dat de proceskosten van 75 gulden en zes stuivers door Geesje betaald moeten worden, ontspringt Jan Bolling de dans.

In 1774 trouwt Jan Bolling voor de derde keer. Vlak daarvoor verkoopt hij de herberg met hof aan zijn oudste zoon Albert voor 2010 gulden. Daar hij voor 1/8 deel eigenaar is, betaalt hij als koopsom 1758 gulden en vijftien stuivers. De advertentie in de Groninger Courant van vrijdag 28 januari 1774, waarin de verkoop 'door het Gerichte' wordt aangekondigd, vervan een grote keuken, dito kamer, opkamer en nog een kleinere kamer, kelder, ruim achterhuis, brouwhuis met ketel, kuipen en toebehoren, alsmede een stalling voor 40 a 50 paarden en een turfschuur.

Daarbij behoren twee hoven, naast en achter het pand, en landerijen. Voor de hoven en enkele landerijen staat het de koper vrij deze wel of niet bij de koop te betrekken. Vader Jan Bolling verhuist met zijn nieuwe echtgenote naar de westzijde van de Kruisstraat. Van 1784 tot aan zijn overlijden in 1789 woont hij in een, vermoedelijk door hem zelf gebouwde, kleine woning naast de herberg van zijn zoon. Bijzonder is de vermelding over Bollings dood in het dagboek van Marcus Poppes, een broer van Jan Bollings schoondochter Elysabeth. Hij schrijft op 4 mei 1789: 'De oude Bol te Assen overleden, 80 jaar oud.'


Het pand aan de Markt omstreeks 1913. Het meest zuidelijke gedeelte is dan als woning in gebruik (collectie Martin Hiemink, Assen)


De naamgever van 'De Koppelpaarden'

Albert Bolling is in de jaren voor 1774 knecht bij de gedeputeerde Coenraat Sa-muel Nijsingh op de Cantersborg te Eelde. Op 28 december 1774 trouwt hij in Assen met de 35-jarige kasteleinsdochter Elysabeth Poppes uit De Punt. Elysabeth overlijdt echter al in 1778 en Albert hertrouwt in Assen op 12 september 1779 met de 38-jarige Stientien van Wijk, dochter van een Groninger koopman. Stientien is een zus van de Asser jeneverstoker Jannes van Wijk uit de Kruisstraat. Als herbergier gaat het Albert Bolling niet meteen voor de wind. Zo lezen we in stukken van de Goorspraak te Rolde van 30 april 1776 dat door onbekende oorzaak het brouwhuis bij de herberg door een brand is vernield. De herberg blijft gespaard.

Net als zijn vader krijgt ook Albert Bolling met verschillende kwesties te maken. Zo moet hij in de nacht van 18 op 19 september 1778, dus in de korte periode tussen zijn beide huwelijken, de ratelwachten Willem Jansen en Jacob Geerts naar zijn huis roepen. Bij hem logeren de koopman Meulenkamp uit Oldemarkt met zijn vrouw. In de loop van de avond is het echtpaar dronken geworden, waarna Bolling ruzie met de vrouw krijgt. Hij scheldt haar uit voor 'kanalje van een vrouw' en beticht haar van hoererij. Als reactie geeft zij Bolling een klap op het hoofd. De volgende morgen verschijnt de pander van Rolde en wordt de ruzie in het bijzijn van vier ratelwachten bijgelegd.

Volgens mevrouw Meulen-kamp is Bolling een beste brave man, die gunstig bekend staat in Assen en omgeving. Drank is de oorzaak van alle ellende en het loopt met een sisser af. Op 5 april 1781 doet Albert Bolling op de Goorspraak te Rolde aangifte van de ruzie in zijn herberg tussen de advocaat Carsten uit Hoogeveen en de Groninger student Claas August Schagt. Tijdens deze ruzie geven ze elkaar een dufslag (slag tegen het hoofd- red.) en sneuvelt zelfs een ruit. Gelukkig zijn er ook betere tijden voor Albert Bolling. In november 1780 wordt in zijn herberg een feest belegd ter ere van het gereedkomen van het laatste stuk van de Drentse Hoofdvaart.

Op 17 november van dat jaar vaart het Statenjacht met de Drost en Gedeputeerden, gevolgd door twee schepen, Assen binnen. In de herberg van Bolling wordt op kosten van de Landschap Drenthe door 90 mensen gegeten en gedronken. Er worden 177 flessen wijn, 145 liter brandewijn en jenever en 209 kroezen bier genuttigd. Voor het breken van glazen, stoelen en tafels brengt Bolling de Landschap nog eens 25 Carolus guldens in rekening. De totale rekening komt daarmee op 275 Carolus guldens, acht stuivers en vier penningen. Vanaf 1660 berust het postmeesterschap in Assen bij de herbergier van 'Het Posthuis', de herberg die later hotel Somer zou worden.

Door een huwelijk in 1710 komt deze herberg in handen van Lambert Tabingh, die ook al een herberg aan de Brink bezit. Na het overlijden van Tabingh in 1754 erft zijn zoon Jan Wijnties Tabingh het logement aan de Brink. Van zijn vader neemt hij ook het postmeesterschap over, dat hij tot kort voor 1790 blijft uitoefenen. In dat jaar komt het in handen van collega-herbergier Albert Bollling Vanaf dat moment rijdt de postkoets rechtstreeks naar de Markt. Bij aankomst op de Markt gaat de postkoets via een ingang aan de huidige Kerkstraat naar de achter het logement gelegen stallen. Daar worden de paarden uitgespannen en vervangen door een vers koppel.

Het is aan-nemelijk dat de naam 'De Koppelpaarden' is ontstaan nadat Albert Bolling het postmeesterschap voor zijn logement heeft gekregen. Als Bolling in 1792 overlijdt krijgt zijn weduwe, Stientien van Wijk, het vruchtgebruik van de nalatenschap. Het echtpaar Bolling heeft geen kinderen. Tot haar dood in 1802 drijft de weduwe de herberg aan de Markt. Zij vermaakt de herberg aan haar neef Evert van Wijk, die ongetwijfeld sinds 1 mei 1800 als knecht bij zijn zieke tante werkzaam is geweest. Hij is de nieuwe eigenaar van het logement, de hof, de schuur en het naast de schuur gelegen keuterhuisje. Op 14 november 1802 trouwt Evert van Wijk in Assen met Margaretha Homan, dochter van een landeigenaar uit Vries.

Hun enig kind Jannes, geboren in 1803, overlijdt in 1815. Evert van Wijk noemt zich logementhouder en is net als zijn oom postmeester in 'De Koppelpaarden'. De postkoets, die 's nachts om drie uur vanaf herberg 'De Nieuwe Munster' in de Heerestraat in Groningen vertrekt, komt 's ochtends om acht uur bij 'De Koppelpaarden' aan. Op 14 december 1803 koopt van Wijk voor 191 guldens het domeingoed 'De Reuvenkamp', groot 9 roede. De Reuvenkamp was gelegen naast de herberg en strekte zich uit tot de Zuidersingel en de Boslaan (de tegenwoordige Nassaulaan). Vorige logementhouders hadden deze Reuvenkamp al geregeld van het Landschapsbestuur gehuurd.

Het logementhouderschap van Van Wijk is van korte duur. Op 14 april 1806 wordt 'De Koppelpaarden' met bijbehorende bezittingen verkocht aan mr. Jan Hindrik Willinge, secretaris van de Etstoel te Peize. Het verkochte onroerend goed omvat het logement, de schuur, de hof en de Reuvenkamp. Ook het keuterhuisje bij de schuur, in huur bewoond door Pieter Harms Roodbaard, hoort er bij. Evert van Wijk koopt daarna voor 1800 gulden een door de Asser timmerman Harm Winters nieuw gebouwd huis aan de Steegeweg (de latere Alteveerstraat en nu Weiersloop). Hij is nog jaren postmeester en landgebruiker. Hij overlijdt in september 1833. Zijn weduwe overlijdt vier jaar later.


Logement wordt woonhuis

Nadat Jan Hendrik Willinge in 1805 wordt benoemd tot secretaris van de Etstoel in Assen, is verhuizing van Peize naar Assen wenselijk. Hij besluit het logement in 1806 te verbouwen tot een comfortabel woonhuis. Deze verbouwing kost 1350 gulden en duurt maanden, zodat de verhuizing eerst in 1807 plaats vindt. De jachtstal verhuurt hij per 1 mei 1806 voor 35 gulden per jaar aan Aalt Willem van Holthe tot Dwingelo. Het keuterhuisje blijft bewoond door Pieter Harms Roodbaard. Willinge overlijdt in december 1813. Drie jaar later verhuist zijn weduwe naar Meppel. Mr. Gerrit Vos, advocaat-procureur bij de rechtbank in Assen, huurt vanaf 1816 het voormalige logement. Vos vertrekt op 1 mei 1821 en de nieuwe huurder is Paulus Chevalier uit Amsterdam. Chevalier is arrondissementsinspecteur der directe belastingen, in- en uitgaande rechten en accijnzen. Het gezin van Chevalier bestaat uit negen personen, inclusief de klerken en dienstmaagden. Hij heeft het pand als woning en kantoor in gebruik.


H.J. Nassau niet in 'De Koppelpaarden'

In verschillende studies is geopperd dat Hendrik Jan Nassau in zijn eerste jaren in Assen met zijn taaiinstituut gehuisvest was in het voormalige logement 'De Koppelpaarden'. Dit archiefonderzoek toont aan dat dit een onjuiste veronderstelling is. Na de komst van Nassau naar Assen op 1 mei 1820 gaat de gemeente Assen voor hem op zoek naar een geschikt pand om zijn instituut in te vestigen. Nassau woont dan in een particulier huis en geeft les wanneer er een schoollokaal vrij is. Omdat onderwijs onder die omstandigheden verre van ideaal is, vraagt de gemeente de weduwe Willinge of zij het voormalige logement wil verkopen. In eerste instantie vindt de gemeente de vraagprijs van 7000 gulden te hoog.

De koop van het voormalige logement wordt op 4 december 1822 alsnog voor deze prijs gesloten. Dan blijkt, vanwege de beperkte ruimte, het taaiinstituut van Nassau er niet in gevestigd te kunnen worden. De gemeente die haar plannen door wil zetten, doet daarom huurder Chevalier een aanbod. Hij kan gaan wonen in het huis dat eerder bewoond is geweest door militie-commissaris Bergehuys. Dat weigert Chevalier, omdat er naar zijn zeggen slechts twee bruikbare kamers zijn en ook de weg erheen hem niet aan staat. Het plan van de gemeente Assen, om op 1 mei 1823 Nassaus instituut in 'De Koppelpaarden' onder te brengen, wordt dus een mislukking.

De gemeente vindt een oplossing door de oude stadsherberg op de hoek van de 'Groningerstraat' en de 'Oudestraat' van Berend Jans Zuidema, herbergier in Dieverbrug, terug te kopen. Zuidema had het pand in 1814 van de gemeente gekocht. Nassau kan op 1 mei 1823, hetzij voorlopig, zijn intrek nemen in de oude stadsberg, waar hij blijft tot de nieuwbouw aan de Boslaan in 1825 gereed is. Ondertussen blijft Chevalier huurder van het voormalige logement tot 1 mei 1825 Ook de volgende huurder is een ambtenaar. Abraham Toutenhoofd, hoofdingenieur bij de Rijkswaterstaat, huurt het huis voor een half jaar. De laatste huurder is mr. Matthijs Hendrik van Son, administrateur van Rijksschatkist. Hij is getrouwd met Ignatia Petronella Maria Hofstede, dochter van Drenthes gouverneur mr. Petrus Hofstede. Van Son huurt het huis tot 1 mei 1826.


De Markt midden jaren dertig van de 20e eeuw. In het pand midden op de foto (achter de auto) was ooit het logement en posthuis 'De Koppelpaarden'gevestigd (collectie Martin Hiemink, Assen)


Voorname kostgangers

Ongeveer een klein half jaar daarvoor, op 27 december 1825, is het huis al verkocht aan Geert Hendrik Reimers, een boerenzoon uit Leutingewolde, gemeente Roden. In de Drentsche Courant van 19 mei 1826 beveelt hij zich aan bij het publiek als logementhouder te Assen, waar nu weer 'De Koppelpaarden' uithangt, zoals het vroeger was. Daarvoor is Reimers van 1820 tot 1823 logementhouder in de oude stadsherberg, die hij van Berend Jans Zuidema huurt. In 1819 is hij getrouwd met Annechien Jans Koetsier, de dochter van een Asser kuiperbaas. Na het vroege overlijden van Annechien in 1822 hertrouwt Reimers in 1823 met haar nicht, de Asser schoenmakersdochter Petronella Harm Koetsier.

Reimers krijgt in zijn logement bezoek van enkele voorname kostgangers. In de jaren 1826-1827 zijn dat Pieter Thomas Grinvis, hoofdingenieur bij de Provinciale Waterstaat in Drenthe met zijn vrouw Josina Wilhelmina Fullink. In 1827 verblijft Jean S. Magnin, de later rijksarchivaris van Drenthe, er met zijn vrouw Grietje Wildeboer. In november 1825 wordt Reimers benoemd als priseerder (schatter - red.) van slachtvee. Hij neemt die functie over van Albert Griemink, die wegens wangedrag is ontslagen. Reimers vraagt binnen een jaar al weer ontslag wegens ziekte. Hij overlijdt in 1828. Zijn weduwe, Petronella Harm Koetsier, hertrouwt in december 1828 met de Balloër timmerman Albert Hofstee.

Uit dit huwelijk worden zeven kinderen geboren, waarvan twee zeer jong overlijden. Tijdens hun huwelijk koopt het echtpaar Hofstee-Koetsier diverse landerijen. Ook zij hebben enkele kostgangers van aanzien in hun logement. De belangrijkste is de ongehuwde Josephus Steveniers, die zich op 14 januari 1830 in het logement vestigt. De uit Brabant afkomstige Steveniers is landmeter bij het Kadaster. Hij woont in het logement in een aparte kamer, die afgesloten kan worden. Gedurende zijn verblijf in Assen koopt hij verschillende percelen grond; ondermeer op Luchiesland. Daar laat hij tevens een boerderij bouwen. Hij overlijdt in 1853 tijdens een bezoek aan zijn broer, een wijnkoper in Antwerpen.

Op 16 maart 1853 wordt in het logement een veiling gehouden van de roerende goederen uit de nalatenschap van Steveniers. Daaraan voorafgaand zijn 40 schilderijen uit de inboedel van Steveniers te bezichtigen in de grote zaal van Hofstee. Voor de elite wel te verstaan; de 'gewone man' was in die tijd niet welkom op dergelijke gelegenhegaat de veiling van de schilderijen om onbekende redenen niet door. Ook verblijft de Bentheimer jhr. mr. Hendrik Jan Leopold van der Wijck enkele jaren in het logement. Zijn vader was de bekende patriot mr. Derk van der Wijck. Bij zijn overlijden in 1860 blijkt de ongehuwde Van der Wijck jr., procureur bij de Asser rechtbank, zeer vermogend te zijn.


Activiteiten in het logement

Naast de vele openbare veilingen van on¬roerend goed, die in het logement worden gehouden, vinden er ook vele andere activiteiten plaats. Wat voorbeelden daarvan: in 1836 is de heer R.G. Riga, kies- en tandmeester uit Groningen voor consultatie aanwezig. H. J. Inden, laars- en schoenmaker, pakt bij De Koppelpaarden uit met een collectie heren- en dameslaarzen, schoenen en winterpantoffels. Vanaf 1850 komt mevrouw Mol-Staal in opdracht van de firma Fransen en Co uit Zwolle elk jaar naar Assen met een grote collectie damesmodeartikelen en logeert dan in De Koppelpaarden.

Hier wordt alles uitgepakt voor de verkoop. Sinds 1851 is er in De Koppelpaarden elk jaar een verkoop van aan de leenbank te Assen vervallen zaken. Die bank wordt gedreven door de weduwe Hemmes en haar zoon Cornelus. De diligence van Burgers en Co uit Arnhem komt op weg van Groningen naar Zwolle 's morgens om acht uur bij Hofstee aan. Ook luitenant Timans van het Dragonders-detachement, in Drenthe voor hulp aan Justitie en ter afschrikking van dieven, logeert er. Van hem staan drie paarden bij De Koppelpaarden op stal. Voor kost, drank en logies aan de luitenant berekent logementhouder Hofstee 50 cent per dag, totaal f 80,15. De stallingsrekening bedraagt f 39,40.


Verbouwing

Door de gestaag toenemende klandizie wordt het logement langzamerhand te klein. In 1846 is er een grote verbouwing. Op het logement komt een gehele nieuwe verdieping en het woonhuis wordt vergroot. Op een aquarel van W. van Uije Wz. uit 1852 zien we een nieuw gebouw met twee verdiepingen en een zolder, getooid met twee schoorstenen. In de voorgevel bevindt zich bovendien een fraai driekantig fronton, dat veel gelijkenis vertoont met dat van het in 1842 nieuw gebouwde Paleis van Justitie aan de Brinkstraat. Ter ere van de feestelijke opening is er op 27 augustus 1846 in de nieuwe zaal van Hofstee een groot bal. De entree voor dames en heren bedraagt 49 cent


Chloordampen en azijnberoking

In de vergadering van B&W van Assen op 8 november 1831 wordt een brief behandeld van dokter Amshoff, die daarin vertelt over de uitbraak van roodvonk bij een dienstmeid bij Hofstee. Het gaat om Rika Lamberts, een boerendochter uit Loon. Het logement wordt direct na de diagnose ontsmet met chloordampen en azijnberoking. Door alle deuren en vensters te openen ontstaat bovendien een nuttige luchtstroom. Rika is op 18 december 1831 weer geheel hersteld en weer in dienst bij De Koppelpaarden. Op 15 maart 1851 overlijdt na een lang ziekbed Hofstees echtgenote Petronella. Er wordt een uitvoerige inventaris opgemaakt van haar nalatenschap, die nog is vermengd met de nalatenschap van haar eerste man, Geert Hendrik Reimers en haar overleden zoon Harm Reimers.

Uit de inventarisbeschrijving van notaris mr. A.W van Holthe tot Echten krijgen we een goede indruk van het aantal vertrekken in het logement. Op de begane grond is een grote zaal, een benedenvoorkamer, een kelder met kelderkamer, een keuken en een klein kamertje. Verder de jachtweide en een aangebouwde schuur. De bovenverdieping telt vijf kamers. Het aantal aanwezige bedden bedraagt vijftien. Albert Hofstee hertrouwt op 11 februari 1854 te Oldemarkt met de dan 40-jarige Sietske van Dijk, dochter van een logementhouder uit Oldemarkt.


De Marktstraat en de Markt in de jaren dertig. In het voormalig logement zijn van links naar rechts de winkels van Hemmes, Staal en Stuit (collectie Gemeentearchief, Assen)


Grote schulden, einde van logement

Hoewel Hofstee als bezitter van onroerend goed door het publiek als gegoed wordt aangemerkt, blijkt hij na zijn tweede huwelijk maar betrekkelijk welgesteld. In het voorjaar van 1855 worden door schuldeisers twee processen tegen hem gevoerd wegens wanbetaling, die hij beide verliest. Op 29 oktober 1855 overlijdt Hofstee te Assen. In de overlijdensadvertentie van 31 oktober 1855 staat dat het logement zal worden aangehouden. Als Sietske afstand van de boedel doet, laat procureur mr. Jan Albert Willinge Gratama er beslag op leggen. De nalatenschap van Hofstee bevat een flinke schuld. De hypotheekschulden zijn 10.451 gulden en schulden wegens geleverde wijnen bedragen f 6836,84.

De roerende goederen hebben een waarde van f 1442,50 en aan uitstaande kredieten wordt een som van f 115,38 vermeld. Alle goederen worden op openbare veilingen verkocht. Het pand wordt op 19 december 1855 gekocht door de Smildeger grutter Andries Hummel voor f 10.925,50. De aanvaarding is op 1 mei 1856. De overige onroerende goederen brengen f 3722,50 op. Op 24 en 25 april 1856 is de veiling van 487 kavels roerende goederen met een opbrengst van f 930,20. Alle gelden worden verdeeld onder de schuldeisers, die via een bericht in de krant worden opgeroepen.

Op 1 mei 1856 vestigt Willem Frederik Ottens, tot dan logementhouder te Onstwedde, zich in het pand, dat hij van Hummel huurt. Reeds op 19 februari 1857 wordt het logement weer door Hummel in een openbare veiling verkocht. Het noordelijk en het zuidelijk deel worden afzonderlijk geveild. De aanvaarding is per 1 mei 1857. Het noordelijk deel met bijgelegen schuurtje aan de Vaartstraat wordt voor 3482 gulden eigendom van de Asser goud- en zilversmid Jan Hemmes. Het zuidelijk deel met schuur, erf, bleek en tuin wordt gekocht door ijzersmid Jan Smit uit Assen voor f 5174,50. In dit (grootste) deel bevindt zich ook het bovenhuis. Hemmes opent zijn goud- en zilversmidhuis op 26 oktober 1857. In het zuidelijke deel drijft Jan Smit op de begane grond een galanterieënaffaire, terwijl hij het bovenhuis verhuurt.

In 1865 dreigt een ramp voor het voormalig logement. Het tracé voor de nieuwe spoorlijn van Zwolle naar Groningen is dwars door Assen gepland. In deze plannen komt het stationsgebouw op de plaats van het pand van Hemmes-Smit te liggen. Deze plannen worden naar we nü weten niet uitgevoerd. In het zuidelijke deel drijven de Erven van der Scheer van 1865 tot 1875 een boekhandel. Daarna heeft de modiste juffer Wilhelmina Theodora Martens er tot 1895 een modewinkeltje. Vanaf 1895 is er de winkel van Lion van Emden gevestigd.


De Markt en de Marktstraat anno 2011 (foto Sietse Kooistra)


Markt 19 t/m 22

In de jaren twintig van de vorige eeuw bestaat het voormalige logement uit de afzonderlijke huisnummers 19 tot en met 22. Aan Markt 19 heeft Hamminga tot 1933 een leesbibliotheek. Daarna geeft het pand tot 1949 onderdak aan een filiaal van sigarenmagazijn Stuit. Ernaast heeft R. Staal, en in latere jaren zijn weduwe, op 20 en 21 een optiekzaak, annex drogisterij en fotohandel. Goudsmid Hemmes is nog steeds gevestigd aan Markt 22 op de hoek van de Marktstraat en zal er tot augustus 1955 blijven. Tot begin jaren vijftig is aan de zijde van de huidige Marktstraat een stal voor het beslaan van paarden en is aan de Kerkstraatzijde de toegang tot de stal. In 1949 wordt in opdracht van de heer H. Wijma het rechter deel, nummer 19 t/m 21, afgebroken.

In de in 1950 gereed gekomen nieuwbouw vestigen zich de Provinciale Drentse Vereniging voor Vreemdelingenverkeer en fotoatelier Van Groningen. Door de provinciale WV wordt ter herinnering aan het oude posthuis 'De Koppelpaarden' een gevelsteen geplaatst. Na het vertrek van goudsmid Hemmes is Markt 22 van circa 1959 tot 1966 in gebruik als schoenwinkel van de BATA. Aansluitend heeft Foto-Lux, voorheen fotozaak van Groningen, er tot circa 1969 een grammofoonplatenzaak onder de naam Phono-Lux. Daarna zijn aan Markt 22 achtereenvolgens de slijterij van B. Vos, restaurant Sax en het Griekse restaurant Kreta gevestigd. Na vertrek van de WV heeft het rechter gedeelte verschillende eigenaren gehad. De fotozaak is inmiddels opgehouden te bestaan en het pand is in gebruik bij de makelaar ernaast. En anno 2002 zijn er plannen om in Markt 22 opnieuw een horecagelegenheid te vestigen. Van de be-bouwing aan de achterzijde herinnert al lang niets meer aan de tijd dat er de paarden van de postkoets werden ververst.


Bronnen

Voor dit artikel is gebruik gemaakt van een scala aan archiefmateriaal uit het Gemeentearchief Assen, het Drents Archief en de Groninger Archieven. Een volledige, gedetailleerde versie van dit artikel is bij de redactie van de Asser Historische Vereniging verkrijgbaar.



Café Herberg de Koppelpaarden Anno 2011


Klik op de afbeelding om naar de website van 'de Koppelpaarden' te gaan


Bronvermelding:

Asser Historisch Tijdschrift; nummer 1 / maart 2002. Een artikel van Jans Timmer







© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl