In en om Assen





Levenslang op patrouille


Bronvermelding:
- 'Levenslang op patrouille', Ant. P. de Graaf. Uitgeverij Van Wijnen, Franeker 2000. ISBN 90 5194 202 8
- 'Indië-veteraan ben je levenslang', Ant. P. de Graaf. Uitgeverij Van Wijnen, Franeker 2002. ISBN 90 5194 255 9


(Collectie T.J. Jansen Venneboer)


Pionnen op een schaakbord

In de jaren 1946 tot en met 1949 werden tienduizenden dienstplichtige Nederlandse soldaten (en vrijwilligers) naar 'Indië' - het huidige Indonesië - gestuurd om daar 'orde en vrede' te brengen... Hoe groot het leger was, dat destijds door Nederland in Indonesië werd ingezet, is nooit bekendgemaakt en zelfs op dit moment lijkt dit nog een staatsgeheim te zijn dat wellicht slechts aan een enkeling bekend is. Cijfers werden (worden...) geheim gehouden. Wat we nu wel weten, is dat ruim zesduizend man nooit van hun missie zijn teruggekomen. Zij sneuvelden, verongelukten of overleden aan ziektes.

Het juiste aantal gewonden kent niemand. Wel weten we dat een (groot) aantal mannen met 'tropenkolder', resp. met psychische problemen werd afgevoerd en tenslotte hebben wij het totaal onbekende aantal 'vermisten'. De stroom van inkomende documenten van allerlei aard, van kladpapiertjes tot officiële, ondertekende documenten, houdt aan en steeds weer worden nieuwe feiten bekend. Feiten die niet langer verzwegen mogen worden, want uiteindelijk waren wij de pionnen op het schaakbord en hebben wij er recht op alles te weten van de 'Indië-tijd', die ons leven gedomineerd heeft.


Hij heeft de oorlog meegebracht

'Mijn man is Indië-veteraan.
Als er tranen in zijn ogen staan
probeert hij daarmee iets te zeggen
dat hij mij niet uit kan leggen...

'Toen hij terugkwam uit de Oost,
zo jong, gebruind en zorgeloos,
heeft hij, terwijl hij naar mij lacht,
de oorlog voor mij meegebracht...'

Vele jaren ging het goed.
Misschien was dat wel levensmoed.
Soms schrok hij van een vage geur.
Hij lette altijd op de deur...'

'Bange nachten zijn gekomen.
Hij beleeft Indië in zijn dromen.
Schreeuwt en zweet en ligt te beven
Tot mijn armen kalmte geven.'

'Ik draag hem door de bange uren,
Verdraag zijn zwijgend, peinzend turen,
Ik zal nooit bij iemand klagen,
Maar zit vol met duizend vragen...'

Andreas Schelfhout


Hoe kwamen wij - oud-Indiëmilitairen - eigenlijk in deze situatie terecht?

Na vijf jaar bezetting begon Nederland in 1945 aan de wederop¬bouw. Hierbij werd het herstel van de productie in Nederlands-Indië van groot belang geacht. Men beschouwde Nederlands-Indië als de kurk, waar Nederland op dreef. Toen Soekarno en Hatta vrijwel direct na de Japanse capitulatie op 17 augustus 1945 de onafhankelijke Republiek Indonesia uitriepen, was de schrikgolf dan ook groot. En omdat Nederland zich hierbij niet wilde neerleggen, raakten wij in een bloedige en langdurige strijd met Indonesië verwikkeld. Nederland stuurde troepen, oorlogsvrijwilligers, beroepspersoneel van de Koninklijke Landmacht, de Koninklijke Marine en het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (het KNIL) en vele tienduizenden dienstplichtigen van de K.L.

De roemruchte 7-December-Divisie bracht in 1946 de eerste dienstplichtigen aan land. In de periode maart 1946-maart 1947 groeide het Nederlandse leger in Indonesië al tot meer dan 100.000 man. Alhoewel de bewapening van de Nederlandse eenheden beter was, stond men van meet af aan bloot aan felle aanvallen van de Indonesische strijdgroepen. De roep om een offensief klonk in Nederland steeds luider, maar voorlopig was de legercommandant in Nederlands-Indië, generaal S.H. Spoor, gedwongen zijn troepen binnen de enclaves te houden. Onder internationale druk waren namelijk onderhandelingen gestart om een politieke oplossing voor het conflict te vinden. De onderhandelingen leken succesvol. In november 1946 werd een wapenstilstand afgekondigd en werd het 'Akkoord van Ling-gadjati' ondertekend.

Kern van dat akkoord was, dat er een Nederlands-Indonesische Unie zou komen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de in 1949 te vormen Verenigde Staten van Indonesië. Deze staatkundige constructie zou gedurende een niet nader bepaalde overgangsperiode van kracht blijven, waarna Nederland de soevereiniteit aan Indonesië zou overdragen. De Republiek werd derhalve een geleidelijke en beperkte dekolonisatie in het vooruitzicht gesteld. Al snel bleek echter, dat Nederland en de Republiek het akkoord op verschillende wijze interpreteerden. Het grootste struikelblok was de vraag, wie in de overgangsperiode het feitelijk gezag over Java en Sumatra zou krijgen en wat er met de republikeinse strijdkrachten zou gebeuren.


(Collectie T.J. Jansen Venneboer)


De Republiek startte een grootschalige guerrilla.

De conflicten over de verdere invulling van Linggadjati liepen zo hoog op, dat de Nederlandse regering besloot tot een militair offensief. In de nacht van zo op zi juli 1947 ging de Eerste Politionele Actie van start. Het doel van 'Operatie Product' was de belangrijkste plantagegebieden op Java en Sumatra te bezetten en de Republiek met geweld tot concessies te dwingen. In twee weken tijd veroverden de Nederlandse troepen grote delen van Java en enkele gebieden op Sumatra. Het republikeinse leger, de Tentara Nasional Indonesia (T.N.I.) werd uiteengeslagen en trok zich terug in de bergen en richting Midden-Java, waar de Republiek haar regeringscentrum had gevestigd. Een verdere opmars richting de republikeinse hoofdstad Djokjakarta werd serieus overwogen.

Na tussenkomst van de Verenigde Naties besloot de regering echter het offensief op 5 augustus 1947 stop te zetten. De Republiek startte vervolgens een grootschalige guerrilla. De over een enorm gebied verspreide Nederlandse troepenmacht bleek niet in staat de bezette gebieden te pacificeren. Aanslagen op bivakken, konvooien, patrouilles en ondernemingen waren aan de orde van de dag. Het aantal slachtoffers liep aan beide zijden snel op. Door bemiddeling van de Verenigde Naties kwamen inmiddels nieuwe onderhandelingen op gang. Deze resulteerden op 17 januari 1948 in het Renville-Akkoord, dat overigens grote overeenkomsten vertoonde met het mislukte akkoord van Linggadjati.

Een nieuwe wapenstilstand werd van kracht, waarbij de T.N.I. zich grotendeels terugtrok uit de door Nederlandse troepen bezette gebieden. Voor de Nederlandse troepen brak nu een periode van betrekkelijke rust aan, die echter van korte duur was, omdat ook nu de verdere onderhandelingen stuk liepen. Zowel Nederland als de Republiek stelden zich steeds onverzoen¬lijker op. Belangrijk hierbij was, dat de Republiek in het buiten¬land steeds meer sympathie verwierf. Ook in militair opzicht zag het er voor Nederland niet rooskleurig uit. De T.N.I. en verschillende islamitische strijdorganisaties kregen weer vaste voet op Nederlands gebied, zodat de guerrilla weer opleefde. Nederlandse pogingen om door grote zuiveringsacties vijandelijke eenheden in te sluiten, leverden onvoldoende resultaat op.


Het aantal slachtoffers onder militairen en burgers liep snel op.

Om aan deze uitzichtloze situatie een einde te maken, besloot de Nederlandse regering eind 1948 tot een nieuw offensief, de Tweede Politionele Actie. Op 19 december 1948 trokken de Nederlandse troepen de bestandslijn over. Het doel van 'Operatie Kraai' was om de Republiek volledig uit te schakelen door het arresteren van de republikeinse politieke en militaire leiders en het vernietigen van de T.N.I. Met een snelle opmars naar Djokjakarta, waarbij ook luchtlandingen werden uitgevoerd, leek de opzet te slagen. De republikeinse leiders werden gevangen genomen en heel Java werd bezet. De Nederlandse troepen slaagden er evenwel niet in de T.N.I. te omsingelen en te verslaan en evenmin slaagde men erin de republikeinse militaire top gevangen te nemen.

In internationaal-politiek opzicht had de militaire actie dramatische gevolgen. Nederland had alle goodwill verspeeld. Onder grote druk van de Verenigde Naties en vooral van de Verenigde Staten werd het offensief op 5 januari 1949 stopgezet. Mede onder invloed van de internationale steun voor de Republiek en het niet altijd duidelijke beleid van de Nederlandse regering, koos een steeds groter deel van de Indonesische bevolking de zijde van de Republiek. De T.N.I. wist de guerrilla steeds beter te organiseren en de verspreide Nederlandse troepen het leven zuur te maken. Dit alles zorgde voor een militaire patstelling. De worsteling werd nog maanden voortgezet, zonder dat een militaire beslissing naderbij kwam. Wel liep het aantal slachtoffers onder militairen en burgers snel op.

Uiteindelijk boog Nederland het hoofd. Onder grote internationale druk liet Nederland in mei 1949 de republikeinse leiders vrij, ontruimde men Djokjakarta en sloot men op 7 mei 1949 een nieuw akkoord met de Republiek, de 'Van Roijen-Roem-Overeenkomst'. Hierin werd de basis gelegd voor een onafhankelijk Indonesia. Hoewel de samenwerking binnen een Nederlands-Indonesische Unie werd bevestigd, kwam de zo fel begeerde overgangsperiode onder Nederlandse leiding te vervallen. Indonesia zou onmiddellijk onafhankelijk worden. Na de Ronde Tafel Conferentie in Den Haag, waar de laatste geschilpunten werden opgelost, was het op 27 december 1949 zover. Nederland droeg de soevereiniteit over de archipel over aan de Verenigde Staten van Indonesia.

Ondanks grootschalige militaire inzet was Nederland zijn belangrijkste kolonie kwijtgeraakt. Voor de circa 200.000 militairen die Nederland in de jaren 1945-1949 had ingezet was de uitkomst van het conflict een teleurstelling.


(Collectie T.J. Jansen Venneboer)


De achttien doden van het 1e Mitrailleur Bataljon van de '7 December Divisie'

Bertus R. sneuvelde op 4 september 1948 nabij kampong Oedjong Djaja op West-Java. Hij kwam uit Hilversum, werkte tijdens de bezetting verplicht in Duitsland en vertrok met een ander troepenschip, de 'Sloterdijk', naar Indië omdat hij kort voor het vertrek van het Bataljon met de 'Nieuw Holland' een motorongeluk kreeg en met een gebroken been achter moest blijven. Hij vertrok alsnog met de 'Sloterdijk' en werd na aankomst in Tandjong Priok weer bij zijn eigen Bataljon ingedeeld. Hij kon daar zijn hobby weer beoefenen, want hij werd motorordonnans. Omdat de peloppers draden over de weg spanden werd de berichtgeving per motorordonnans op een gegeven moment uit veiligheidsoverwegingen stopgezet.

Bertus werd opgeleid tot chauffeur om jeeps, vrachtwagens, carriers en waterwagens te kunnen besturen. Op zaterdagmorgen 4 september 1948 vertrok uit de kampong Oedjong Djaja een waterwagen naar Kadipaten voor de dagelijkse fourage en voor het ophalen van water. Bertus zat aan het stuur. Naast hem zat een brenschutter. Ook de kok ging mee, een extra soldaat voor bewaking en de djongos van het peloton, die ze Japie genoemd hadden. Japie had een plaatsje gevonden op de vuldeksel van de watertank. De kok en de soldaat stonden op de treeplank. Halverwege Oedjong Djaja en Tomo, op het gedeelte waar de weg door dichtbegroeid heuvelachtig gebied liep, werden ze uit een hinderlaag met automatische wapens beschoten.

Bertus werd door ettelijke kogels getroffen, de brenschutter naast hem kreeg een schot door de longen en Japie werd van de vuldeksel geschoten en was op slag dood. De kok en Jan, de soldaat, werden wonder boven wonder niet geraakt. Soldaat Jan zag kans het stuur te grijpen en de wagen op de weg te houden. Toen de wagen tot stilstand kwam (de motor was ook kapotgeschoten), sprongen soldaat Jan en de kok van de wagen en zochten dekking. Ondanks het (achteraf vastgestelde) longschot beantwoordde de brenschutter, die naast Bertus zat, het vuur onmiddellijk, waarop de peloppers ervandoor gingen. Toen er niet meer geschoten werd kon soldaat Jan Bertus uit de cabine tillen en in de schaduw op de grond leggen. De brenschutter kwam nog op eigen kracht uit de wagen.

Na onderling overleg rende Jan dwars door het terrein in de richting Tomo, waar bij een brug een post was van de Indonesische Algemene Politie. Daar kon hij via de veldtelefoon de staf in Kadipaten waarschuwen. Vanuit Kadipaten gingen meteen een paar carriers en een ambulance naar de plaats des onheils. Men had bij de brug het schieten gehoord en de mannen van de Algemene Politie hadden hun stellingen ingenomen en het doorgaande verkeer over de brug tegengehouden. Bij de tegengehouden wagens waren twee jeeps met officieren, in gezelschap van dames. Zij waren onderweg naar Bandung. Jan ging er meteen op af en vroeg ze mee te gaan naar de plaats van de hinderlaag waar de gewonden lagen, maar de 'heren' hadden geen tijd! Daar Jan kon daar als gewoon soldaat niets aan doen...

Hij was na 53 jaar - terecht - nog des duivels toen hij het verhaal vertelde. Inmiddels was Bertus overleden. Hij werd de volgende dag met militaire eer en door zijn kameraden gedragen, naar zijn graf gebracht op het kerkhof Soenja Radja in Cheribon. Zijn ouders kregen het bericht van overlijden van de plaatselijke dominee in Hilversum. Later kregen zij een officieel bericht van de regering. Geen enkele overheidsinstantie heeft ooit enige steun of hulp aangeboden.


Wie weet zal hij het mij ooit kunnen vertellen. - het verhaal van één van de kinderen van een Indië-veteraan

Ik heb kort geleden "Vertel het je kinderen, veteraan!" gelezen. Natuurlijk wist ik, dat mijn vader in Indië was geweest en dat dat de laatste koloniale oorlog was en dat we het er niet over mochten hebben thuis, een oorlog waar mijn vader niet trots op was. Bij dat 'niet trots' kon ik me van alles voorstellen. Mijn vader was thuis en Indië was er niet. Wat ik wel altijd heel vreemd vond, was dat mijn vader het heerlijk vond om Maleis te praten, dat hij dol was op Indische mensen, maar dat hij niet over Indië wilde praten terwijl hij het 'Indische' soms zelfs opzocht. Soms kwam ik mensen tegen, die ook wel eens vertelden dat hun vader in Indië had gezeten, maar die wisten niets meer of minder dan ik. Nu las ik een boek, waarin mijn vader opgeroepen werd om te vertellen... een boek dat wil dat ik het weet...

Heel even heb ik getwijfeld om het te lezen. Waarom zou ik het doen. Mijn vader wil het niet vertellen - hij wil niet, dat ik het weet. Het was bijna, alsof ik stiekem in zijn dagboek ging lezen. Dit jaar ben ik 40 geworden. Mijn vader is dit jaar 73 geworden. Ooit heeft hij ons, mijn broertje en mij, verteld dat ook hij in Indië was geweest. Dat was naar aanleiding van foto's - kleine zwart/wit foto's met een wit gekartelde rand - van mijn vader in een legeroutfit met een groot geweer in een land met palmbomen. Hij vertelde, dat het een mooi land was en dat hij er ooit weer heen wilde. Over dat pistool en dat soldatenpak - want daar wil-den wij natuurlijk alles over weten - wilde hij niets vertellen. Toen ik wat ouder werd en tijdens de geschiedenislessen Indië aan de orde kwam, heb ik mijn vader er nog wel eens naar gevraagd.

Zijn antwoord was echter ook toen, dat hij het er niet over wilde hebben. Het was een hoofdstuk uit mijn vaders leven dat verboden was voor ons, kinderen. In ieder geval wisten wij als kind, dat wij het daar niet over mochten hebben. Toen ik 18 jaar was geworden, werd er een tipje van de sluier opgelicht. Mijn vader vroeg of we een stukje zouden gaan rijden en tijdens dat ritje ging hij opeens praten. Vertelde hij, dat hij na de Tweede Wereldoorlog naar Indië moest en daar drie jaar gezeten had. 'Drie jaar ellende, terug in Nederland zag ik het niet meer zitten, ik hoorde nergens meer thuis.' Tijdens deze autorit werd mij veel duidelijk. Ineens leek ik te begrijpen, waarom mijn vader zo'n 'dubbele' man was.


(Collectie T.J. Jansen Venneboer)


Het was voor hem nog veel te emotioneel om erover te praten

Aan een kant een depressieve, angstige, stille man - aan de andere kant een gezellige lieverd, die zingend en dansend door de kamer zwierde en uren kon praten over vriendschap en vertrouwen, over het goede leven en vooral over hoe je een goed leven kon krijgen. Zo verliepen de jaren tot mijn vader vijf jaar geleden voor de tweede keer een openhartoperatie moest ondergaan. Er ging iets mis en hij moest voor de tweede keer binnen een paar uur weer onder narcose. Toen hij bijkwam was hij een wrak. Bij ons, kinderen, hield hij zich groot, maar van mijn moeder hoorden wij, dat mijn vaders verleden hem zoveel parten speelde, dat er hulp gezocht moest worden. Nog steeds stellen wij hem geen vragen en nog steeds vertelt hij ons niets.

Mijn moeder zoekt hulp bij onze oude huisarts - ook oud-Indiëganger. Hij adviseert om naar reünies te gaan, naar herdenkingsbijeenkomsten en naar Doorn - en dat doen wij nu al vijf jaar. Maar mijn vader wil nog steeds niets vertellen. Een paar weken geleden vertelde een collega over haar Indiëreis met haar vader. Ze vroeg wanneer mijn vader in Indië geweest was en met welk bataljon. Ik wist het niet. In eerste instantie durfde ik het hem zelfs niet te vragen, maar toch deed ik het uiteindelijk maar. '8e Bataljon Stoottroepen' mompelde hij en begon meteen over iets anders. Een paar weken geleden las ik het boekje Vertel het je kinderen, veteraan! en toen ik het gelezen had, belde ik mijn vader om er met hem over te praten.

Hij vertelde toen, dat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog bij de Binnenlandse Strijdkrachten was en dat zij vanzelfsprekend, nadat ze alle N.S.B.'ers opgepakt hadden, naar Indië gingen. Eerst naar Engeland en op Oudejaarsdag 1945 kwamen ze op Ma lakka aan. In juli 1948 kwam hij terug in Nederland, maar hier ging het niet meer. In 1951 ontmoette hij mijn moeder en samen emigreerden zij naar Australië. Eindelijk durfde ik te vragen, hoe het in Indië was. Mijn vader vroeg, wat er in dat boekje stond en ik vertelde een aantal verhalen. Hij zei dat het inderdaad zo was, maar dat het voor hem nog veel te emotioneel was om er over te praten. Toen ik ophing huilde ik. Ook mijn vader is nog steeds 'op patrouille' en al die jaren ben ik me daar niet zo van bewust geweest als nu. Indië en mijn vader - daar dacht ik allerlei algemeenheden over -nu niet meer... Wie weet zal hij het mij ooit kunnen vertellen.


Een monument voor de gevallenen

Het Ie Bataljon van het Ie Regiment Infanterie bestond voor het grootste deel uit Drenten die in de kazerne in Assen waren opgeleid. In eerste instantie werden vrijwilligers uitgezonden, die begin 1946, na een verblijf in Malakka, aankwamen in Nederlands-Indië. Vele lichtingen werden in Assen opgeleid voor dienst in de tropen. Boerenzoons die nog nooit buiten het eigen dorp hadden gekeken, gingen per troepentransportschip naar Nederlands-Indië.

Van de acht bataljons infanterie, die op de kazerne zijn opgeleid en uitgezonden naar Nederlands-Indië in de periode 1946-1950 zijn volgens officiele cijfers 133 omgekomen tijdens de strijd. Voor hen is op de Johan Willem Frisokazerne aan de noordkant van de Brammert, aan de muur van de filmzaal, een monument aangebracht van acht marmeren platen. Hierop staan de namen van de gevallenen van de acht bataljons infanterie.

Een ieder die zich verder wil verdiepen in wat er zich tijdens de strijd - of politionele acties - in Nederlands Indie heeft afgespeeld beveel ik van harte aan om de boeken vermeld bij de bronvermelding te lezen.


1e politionele actie Nederlands Indie 1947



Info op dekrantvanmiddendrenthe d.d. 13 januari 2012

Beeld voor Drentse veteranen

Voor oorlogsveteranen in Drenthe gaat zaterdag 14 januari een lang geuite wens in vervulling. Op een grasveld aan de Westerbrink in Assen, op slechts een steenworp afstand van het Provinciehuis, wordt een veteranenmonument onthuld. Beilenaar Harm Zingstra van de Stichting Drentse Veteranen is één van de veteranen die zich er hard voor heeft gemaakt.

Jarenlang zijn oorlogsveteranen in Nederland volgens Zingstra miskend. ‘In het leger was je een nummer en wanneer je het leger verliet bleef je slechts een nummer’, aldus de 83-jarige Beilenaar, die als dienstplichtige in de beginjaren vijftig in het toenmalige Nederlands-Indië actief was. ‘Sinds vorig jaar bestaat de veteranenwet en worden we pas erkend. Maar veteranen hebben onderling altijd een erg sterke band gehad. Daarom komen wij al jaren achter elkaar ieder jaar bij elkaar. Tot drie jaar geleden onder de vlag van Dametin (Dalen met Indië), tegenwoordig als Veteranen Dag Drenthe. Maar een monument ontbrak nog. We zijn erg blij dat Lionsclub Börck Overessinghe uit Westerbork ons dit monument aanbiedt.’

Daar waar de regering volgens Zingstra nooit iets heeft betekend voor de veteranen, vindt hij het geweldig dat de Westerborker Lionsclub wel bij hen stilstaat. Zingstra: ‘Wij hebben een hele warme band met Börck Overessinghe. In het verleden hebben zij ons al vaker geholpen tijdens evenementen. Dat zij nu een monument aan ons schenken, dat vinden wij een prachtig initiatief. We zijn er zo trots op. Het voelt als een stukje genoegdoening naar ons toe.’ Het monument is een druppelvormig kunstwerk dat eind deze week wordt geplaatst. Een bepaalde betekenis heeft het niet. Desondanks denkt Zingstra dat veel veteranen er baat bij hebben. ‘Het is geen monument om te herdenken. Het is een plek waar wij naar toe kunnen gaan om even tot onszelf te komen. Een plaats waar we elkaar kunnen ontmoeten.

Het is ons plekje. Niet alleen voor de militairen die tientallen jaren geleden in Indië Nieuw-Guinea of Korea hebben gediend, het is ook een monument voor soldaten die op missie in Libanon, Joegoslavië, Irak of Afghanistan zijn geweest.’ De veteranendagen die de stichting organiseert, worden voornamelijk door de oudere garde bezocht. Maar met het monument hoopt de Beilenaar ook de jongere veteranen aan te spreken. ‘Jonge veteranen hebben vaak na hun uitzending nog geen behoefte om terug te kijken. Dat komt pas als ze rond de zestig zijn. Dan kijken ze terug naar hun leven en willen zij graag met mensen praten die hetzelfde hebben meegemaakt. Dit monument is een plek waar zij ook makkelijk naar toe kunnen komen, op de momenten dat zij daar behoefte toe voelen.’

De onthulling van het veteranenmonument gebeurt zaterdag om 11.00 uur 2012 op het grasveld bij het provinciehuis op militaire wijze.


De vergeten oorlog


Bronvermelding:
'Oeze Volk', maondblad in Drents dialect. 34 jaorgang - no. -7- Juli 1990.
Een artikel van Jan Zantinge


Meert 1948. Oons peleton van nog mar 24 man is gelegerd in een kampong an een gevaorlijke konvooiweg op Midden-Java. Overdag lope wij patrouilles in 't zwaore bargterrein. Antmit korte, felle vuurgevechten, 's Nachts wordt wij regelmaotig bescheuten. In de nacht van 22 op 23 meert is 't weer good raak. Mortiergranaten explodeert tussen de kamponghuuzies. Henk S. een blonde boerenzeune uut 't dorpien V in de Achterhook wordt in de borst etroffen deur een scharfe van een mortiergranate. Hij is direct dood. Henk was een rustige, altied opgewekte kameraod. 's Naomeddags wordt Henk begraven, 't Hele peleton hef 't er barre stoer mit.

Begun mei 1987 bent mien vrouw en ik veur een paar dagen op vesite bij een achternefe van mij en zien vrouw in 't dorpien V in de Achterhook. Vanzölfs krege wij 't over mien soldaotentied in Indië. Ik heure dat er behalve Henk S. nog een jonge uut V. in Indië esneuveld is. Ene Leo K. een zeune van een krudenier. ,,Hej die ook ekend?," vraogt ze mij. ,,Nee," zeg ik mit een stoer lachien. ,,Nee, Indië was ook zo groot." Op de middag van de veerde mei vrag mien achternefe mij of ik 's aovends mitgao naor de herdenkingsplechtigheid in het park veur 't gemeentehuus in V.

Mit zo'n honderd man stao wij die aovend in een halve kring veur een zwarfkeie daor een marmeren plate op an-ebracht is. Op de plate lees ik zeuven namen van jongkerels tussen de 18 en 30 jaor. De namen van de beide gesneuvelde jonges in Indië staot er niet bij. ,,Die zeuven bent drei dagen veur de bevrijding deur de Duutsers dood-escheuten," vertelt mien achternefe mij. Ik knikke ofwezig, veul een dof verdreef in mij opkomen. De borgemeister holdt een toesprakien. An heur oonze vrijheid te daanken, hoogste offer ebracht, mugt dizze zeuven nooit vergeten: vang ik op.

Gien woord over die twei jonges uut zien dorp die in Indië heur hoogste offer ebracht hebt. As een trompetter de Last Post bias, vecht ik tegen mien traonen. Wieder die aovend ben ik stille, ben ik vake mit mien gedachten weer op Java. Later - in bedde - speult alsmar deur mien heufd det bittere riempien:


Wij wenden ons tot God en Jan Soldaat
als hoge nood en bittere strijd ons wacht.
De nood voorbij, het land in vredesstaat
vergeten wordt de Heer en Jan Soldaat veracht.


'Onderzoek opnieuw het Nederlandse militaire geweld in Indië'


Bronvermelding:
Volkskrant OPINIE d.d. 19 juni 2012. Een artikel van Piet Kamphuis, Gert Oostindie, Marjan Schwegman


Generaal Kruls op inspectie. Hier brengt hij een bezoek aan de demarcatielijn nabij Semarang. Deze lijn moest de strijdende troepen uit elkaar houden. In december 1948 zal Nederland de 2e Politionele Actie beginnen. (foto ANP)


Morele vragen over de politionele acties in Indonesië zijn belangrijk, maar daarmee zijn we er niet, schrijven Piet Kamphuis, Gert Oostindie en Marjan Schwegman. We moeten ook willen begrijpen wat voor soort oorlog daar werd gevoerd, en waarom en hoe deze oorlog mensen ertoe bracht wreedheden te begaan die tot dusver als 'excessen' werden betiteld.

Het blijft maar terugkeren, het vraagstuk van het Nederlandse militaire geweld in de nadagen van Nederlands-Indië. En het einde is nog niet in zicht. Eind vorig jaar, bijna zeventig jaar na dato, bood de Nederlandse regering excuses en schadevergoeding aan voor het nu erkende drama in het Javaanse dorp Rawagede, waar Nederlandse militairen in 1947 minstens 120 mannen doodschoten. Prompt werden ook andere schendingen van het oorlogsrecht in herinnering gebracht. Historisch Nieuwsblad kwam al met een 'top-10 oorlogsmisdaden in Indonesië'. Bovenaan uiteraard de acties van de militairen van het Depot Speciale Troepen van kapitein Raymond Westerling in Celebes, eind 1946-begin 1947: ruim drieduizend slachtoffers.

Dit geweld vond plaats in de context van de Indonesische strijd om onafhankelijkheid. Tussen de onafhankelijkheidsverklaring van 17 augustus 1945 en de formele soevereiniteitsoverdracht op 27 december 1949 had Nederland er alles aan gedaan om 'ons Indië' te behouden, met militaire middelen en aan de onderhandelingstafel. Daarover concludeerde toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Bernard Bot in 2005 dat Nederland 'aan de verkeerde kant van de geschiedenis' had gestaan, een verklaring die in Indonesië zeer werd gewaardeerd.

In Indonesië, maar niet overal in Nederland. Een deel van de inmiddels sterk uitgedunde groep van 'repatrianten' uit de voormalige kolonie en van de militairen die vergeefs streden voor het behoud van Indië ziet dit geheel anders. Voor veel Indische Nederlanders betekende het verlies van Indië het verlies van hun moederland. Zij spreken er schande van dat de anarchistische begindagen van de revolutie - de 'bersiap-periode' van ongeveer oktober 1945 tot begin 1946, toen Indonesische bendes zich tegen hen richtten en enkele duizenden doden maakten - in Nederland en Indonesië veelal over het hoofd worden gezien. Terugblikkend herinneren militairen eraan dat er van beide zijden hard werd opgetreden tegen de burgerbevolking - zo gaat dat in een guerrillaoorlog. Dat deze hele episode heftige emoties blijft oproepen, is onvermijdelijk. Zo ook weer recentelijk in en naar aanleiding van de televisieserie Van Dis in Indonesië.

Het is opvallend dat de meeste debatten over geweldpleging tijdens de Indonesische revolutie gericht zijn op morele vragen: wie was er fout en wie moet excuses aanbieden? Morele vragen zijn belangrijk, maar daarmee zijn we er niet. We moeten ook willen begrijpen wat voor soort oorlog daar werd gevoerd, waarom en hoe deze oorlog mensen ertoe bracht wreedheden te begaan die tot dusver als 'excessen' werden betiteld. Maar onze wil tot weten, strekt zich ook uit tot de 'harde' feiten: het aantal slachtoffers, het juridisch kader en de daarbij horende terminologie en de vraag wie verantwoordelijk was voor wat. Is het bijna zeventig jaar na het uitbreken van de Indonesische revolutie niet de hoogste tijd om hier goed inzicht in te krijgen?

Gemakkelijk zal dat niet zijn. Het is een illusie te denken dat er ooit een volledig en onomstreden beeld zal ontstaan van wat zich precies heeft afgespeeld tussen die 17de augustus 1945 en de 27ste december 1949. Veel is nooit opgeschreven en getuigen hebben hun mond gehouden of spraken elkaar tegen. Vandaag zijn er nog maar weinigen die gehoord kunnen worden en naarmate de tijd verstrijkt, wordt de vraag naar de betrouwbaarheid van het menselijk geheugen dringender. Zo is het beeld van de gruweldaden in deze oorlog fragmentarisch gebleven. Wat de archieven betreft, die zijn aan Nederlandse kant inmiddels grotendeels opengesteld, dit in tegenstelling tot die in Indonesië.

Aan Indonesische zijde ontstaat nu pas enige ruimte voor een kritischer benadering van het eigen verleden, voorbij de clichés van eensgezind heroïsch patriottisme tegenover een wreed koloniaal regime. Maar voor Indonesië markeren deze jaren het ontstaan van de natie. Dat maakt relativeren een stuk moeilijker.

Wij bepleiten dat Nederland het initiatief neemt tot een onderzoek waarin de controversiële kanten van het militaire optreden in de hele periode 1945-1949 opnieuw in kaart worden gebracht. Op basis daarvan kan dan ook een analyse worden gemaakt die ons beter doet begrijpen wat zich daar heeft afgespeeld.

Een dergelijk onderzoek kan ons ook meer inzicht geven onder welke omstandigheden militairen hun zelfbeheersing kunnen verliezen en welke militairen in dat opzicht het grootste risico lopen. Dat is zeker ook van belang voor de selectie, opleiding en het optreden van onze militairen, nu en in de toekomst. Voor een groot deel kan dit onderzoek worden gebaseerd op al eerder verricht historisch onderzoek, zoals de 'excessennota' uit 1969 (C. Fasseur), de studie Ontsporing van geweld van J.A.A. van Doorn en W.J. Hendrix, Westerlings Oorlog van J.A. de Moor en de vele deelstudies die sindsdien door Nederlandse, Indonesische en andere historici zijn verricht.

Ook onder Indonesische collega's is inmiddels interesse om deze periode met nieuwe ogen te bezien. Dat biedt kansen de Indonesische context van het Nederlandse optreden ten volle tot zijn recht te laten komen. In dit verband is het van essentieel belang om naast de Nederlandse, ook de Indonesische archieven in het onderzoek te betrekken en zoveel mogelijk samen te werken met ter zake kundige historici uit Indonesië of uit andere landen. Dit laatste is mede van belang om de Nederlands-Indonesische geschiedenis van deze jaren in de bredere context te plaatsen van geweld in andere naoorlogse dekolonisatieprocessen.

Toch zullen we, zoals gezegd, nooit een onomstreden beeld en analyse kunnen geven van het Nederlandse militaire geweld in Indonesië in de jaren 1945-1949. Het is en blijft geschiedschrijving. Maar er zijn voldoende redenen en mogelijkheden voor een brede analytische studie. Niet om te moraliseren, maar om ons te helpen begrijpen wat de aard van het geweld en het Nederlandse optreden was. Dat is ook van belang voor het begrip van hedendaagse en wellicht toekomstige Nederlandse militaire inzet in crisisgebieden.


Eerste foto's ooit van executies Nederlands leger in Indië


Info op de volkskrant d.d.10 juli 2012


© ALBUM JACOBUS R.. Drie Indonesiërs worden beschoten


Voor het eerst in de geschiedenis zijn foto's opgedoken van executies die zeer waarschijnlijk zijn uitgevoerd door het Nederlandse leger tijdens de politionele acties in voormalig Nederlands-Indië. De foto's komen uit het privéalbum van een soldaat die diende als dienstplichtige in Nederlands-Indië.

Op de foto's is de liquidatie te zien van drie Indonesiërs. Ze staan met de rug naar het vuurpeloton aan de rand van een greppel op het moment dat ze worden beschoten. De greppel ligt vol lijken van geëxecuteerden, blijkt op een tweede foto. Aan de rand staan twee Nederlandse militairen, te herkennen aan hun uniform.


Nooit eerder

Deskundigen van het oorlogsinstituut NIOD en van het Nederlandse Instituut voor Militaire Historie (NIMH) zeggen dergelijke foto's nooit eerder te hebben gezien. 'Het zijn geen alledaagse foto's en het is beslist niet zo dat iedere Indiëmilitair dit soort foto's mee naar huis bracht', aldus een medewerker van het NIMH. Ook bij het NIOD zijn soortgelijke foto's onbekend, zegt René Kok. 'We hebben heel veel albums hier. Je zit te wachten op het moment dat zo'n foto opduikt en dat is nu. Eerder heb ik dit nooit gezien.' De geraadpleegde historici twijfelen niet aan de echtheid. De exacte plaats noch de toedracht van de executie is bekend. Mogelijk levert nader onderzoek meer details op.

De maker is een soldaat uit Enschede. Hij is inmiddels overleden. Hij werd uitgezonden in 1947, kort voor de eerste politionele actie, en hij is pas in 1950 teruggehaald, na de soevereiniteitsoverdracht. Hij diende bij de artillerie. In de Korpsgeschiedenis van zijn onderdeel wordt geen melding gemaakt van executies. Vermoedelijk heeft de artillerie alleen bijstand verleend aan de Speciale Troepen of infanteristen, die wel executies uitvoerden.


© Album Jacobus R.. Doden in een greppel, twee Nederlandse soldaten kijken toe.


Bekend zijn de executies in de Javaanse kampong Rawagede en op Zuid-Celebes. De nabestaanden van de slachtoffers van Rawagede werd vorig jaar een schadevergoeding toegekend. De staat moet nog reageren op de aanklacht die is ingediend tegen de standrechtelijke executies op Zuid-Celebes. Hoeveel Indonesiërs bij beide acties precies zijn omgekomen, is niet bekend. De soldaat heeft nooit ruchtbaarheid gegeven aan het bestaan van de foto's. Zijn albums zouden ook nooit zijn opgemerkt, als ze niet onlangs waren gevonden in een vuilcontainer in Enschede. Wie ze daarin heeft gegooid, is niet bekend. De eigenaar van de albums was kinderloos en zou de laatste jaren alleen hebben geleefd.


Vuilcontainer


Een medewerker van het Gemeentearchief van Enschede zag de oude albums liggen in de vuilcontainer en hij besloot ze eruit te vissen. De gemeente Enschede verzamelt vaker foto's om de levensloop van de eigen inwoners te kunnen illustreren. De albums zouden alsnog terzijde zijn gelegd, als de archivarissen niet waren gealarmeerd door foto's van een gevangenentransport. Op dat moment besloten ze het album nog eens door te nemen waarbij ze stuitten op de foto's van de executies.

Onlangs riepen drie historische instituten de regering op opnieuw onderzoek te doen naar de politionele acties tussen 1945 en 1950, om te kunnen begrijpen wat voor oorlog er in Indonesië is gevoerd. Het kabinet heeft nog niet gereageerd.


Een onderzoek naar de periode 1946-1950


Bronvermelding:
Trouw 15 juli 2012. Een artikel van Leen Noordzij, voorzitter Vereniging Oud-Militairen Indiëgangers (VOMI)


© ANP. Ook Europese huizen bleven bij de gevechten in het vroegere Nederlands-Indië niet gespaard.


Een onderzoek naar de periode 1946-1950 heeft alleen zin als ook de Indonesische archieven opengaan. Anders lijkt het toch vooral een werkgelegenheidsproject voor Nederlandse historici.

De meeste foto's uit het album van de inmiddels overleden dienstplichtige Indië-ganger Job R, die onlangs zijn opgedoken, zijn eigenlijk niets bijzonders. Het zijn de gebruikelijke kiekjes van voertuigen en collega's. Zij zouden de krant nooit gehaald hebben, als er niet twee exclusieve foto's de aandacht van de stadsarchivaris van de gemeente Enschede hadden getrokken. Hoewel hij het album al twee jaar had opgeborgen in het gemeentearchief, heeft hij deze foto's nu pas aan de pers aangeboden. Kennelijk waren de foto's eerder niet bijzonder.

Nu gaat hij het in de openbaarheid brengen vergezeld van een warm pleidooi voor een grondig onderzoek door drie instituten (NIOD, NIMH, KITLV) naar het militair optreden in het voormalig Nederlands-Indië in de periode 1946-1950. Duur drie jaar, kosten 3 miljoen euro.


Achterdochtig

Die samenloop maakt mij enigszins achterdochtig. Wel of geen verband - de media-aandacht komt de drie instituten in elk geval goed uit. De politiek moet immers nog instemmen met het door hen gewenste onderzoek.

Waarom zijn die twee foto's zo bijzonder? Een foto laat het resultaat zien van een moordpartij op zo'n tien Indische burgers. Er staan weliswaar twee Nederlandse militairen op de foto, maar dat is geen bewijs dat zij de burgers ook hebben omgebracht. Zij kunnen er bijvoorbeeld ook mee zijn geconfronteerd tijdens een patrouille. Geregeld ontdekten Nederlandse militairen de resultaten van slachtpartijen onder de Indische bevolking, veroorzaakt door vrijheidsstrijders en/of criminelen.

Op de tweede foto staan drie kennelijk Indische mannen met de voorzijde naar een sloot. Aan de overzijde is een stofwolkje zichtbaar. Er zijn geen Nederlands emilitairen te zien. Het moment vlak voor een executie of iets heel anders? Zonder achtergrondkennis van de foto's is het ongepast conclusies te trekken. Verdachten, Nederlanders of Indiërs, zijn onschuldig tot het tegendeel is bewezen.


Conclusie

Veel oud-militairen irriteert het dat er, zonder nadere informatie over beide foto's, door veel journalisten de conclusie wordt getrokken dat het hier met zekerheid om executies door Nederlandse militairen gaat. Nu zal geen enkele Indië-veteraan ontkennen dat er in de periode 1946-1950 excessen en incidenten hebben plaatsgevonden. Wel zijn ze kritisch over de aantallen slachtoffers aan Indonesische zijde, die overgoten zijn met een Indonesisch propagandasausje. Maar dat beseft de gemiddelde Nederlander niet.

Indië-veteranen geven twintig geëxecuteerden toe in het dorpje Rawagede op 9 december 1947. Er zijn volgens de veteranen bij reguliere gevechten in de omgeving ook nog tweehonderd strijders aan Indonesische zijde omgekomen. Deze aantallen worden ook genoemd in officiële documenten. Het Comité Nederlandse Ereschulden houdt het op 431 en dat aantal wordt steevast door de Nederlandse media voor waar aangenomen.

Welk aantal ook, het blijft een betreurenswaardig incident en het zal het beeld dat in Nederland bestaat over het militaire optreden in Indië in het algemeen niet veranderen. Dat negatieve beeld doet pijn bij het overgrote deel van de Indië-veteranen die niets van doen had met excessen. Zeker de dienstplichtigen hebben zich voor de Staat der Nederlanden grote offers getroost. Zij werden geconfronteerd met levensgevaarlijke situaties en leefomstandigheden. Bij terugkeer ontvingen zij niet de erkenning en waardering waarop ze recht meenden te hebben. In de loop van de jaren kwamen er talloze nieuwe gevallen van posttraumatische stresstoornis (ptss) bij. Mede omdat in de jaren zeventig en tachtig de Indië-veteraan in de media werd neergezet als een oorlogsmisdadiger. En met golven komt dat terug. Nu weer met deze foto's.


Twijfelachtig

Kan een diepgaand onderzoek, zoals nu gewenst door NIOD, NIMH en KITLV, daar verandering in brengen? Een dergelijk onderzoek heeft voor de veteranen alleen zin als de archieven in Indonesië zonder voorbehoud toegankelijk worden voor de onderzoekers. Dat lijkt twijfelachtig. Het is niet in het belang van Indonesië om volledig openheid van zaken te geven. Omdat dan ook de excessen aan die zijde openbaar worden. Wij zullen dan het demasqué van decennialange propagandacampagnes beleven.

Er is al veel bekend over de periode Indië 1945-1950. Voegt weer een onderzoek dan wat toe of wordt het 'plakken en knippen'? Een dergelijk lang en duur onderzoek lijkt alleen zinvol als vooraf de zekerheid bestaat dat de Indonesische archieven volledig ter beschikking komen voor de onderzoekers. Dan komt vermoedelijk nieuwe informatie beschikbaar.

Voordat de politiek beslist, zou dat eerst zeker moeten worden gesteld. Anders lijkt het meer op werkgelegenheid voor historici in een tijd van krimpende budgetten.


De verzwegen oorlog en excessen in ‘Ons Oost-Indië’ en het uitblijven van excuses


Info op AsserJournaal d.d. 3 augustus 2012. Een artikel van Jan Hof



Eigenlijk moet iedereen die de jaren na de capitulatie van Japan heeft meegemaakt, zich moeten verbazen over de weinige echte discussies die er in meer dan zestig jaar zijn geweest over wat er zich in Indonesië allemaal heeft afgespeeld. Terwijl we ons hier erg druk maakten over wat er allemaal in het buienland gebeurde en ons erg geschrokken toonden over de wandaden die de Amerikanen in Vietnam bedreven, werd hier nauwelijks gesproken over de gepasseerde excessen in de Oost. Eerst nadat in 1969 in Vrij Nederland een interview in het Tv-programma Achter het Nieuws met de ex-militair Joop Hueting over zijn ervaringen tijdens de oorlog acties op Java was geweest ontstond er veel tumult.

Er werd door velen en daarvan een groot aantal veteranen, met verontwaardiging gereageerd omdat het moeilijk te verdragen was dat onze soldaten zich daar aan gewelddadigheden te buiten waren gegaan. Het was moeilijk aan te nemen, dat zij net als de Amerikanen in Vietnam zich aan excessen schuldig zouden kunnen maken. In ons land had men nog maar net het nieuws verwerkt van de verschrikkelijke aanslag op het dorpje Mylai, waar een groep militairen onder leiding van luitenant William Kelly alle vrouwen en kinderen waren doodgeschoten. Ook in de VS kwam deze schanddaad hard aan en deze werkte als katalysator van de acties tegen de oorlogsvoering in Vietnam die al enige tijd aan de orde van de dag waren.

Toen in 1971 foto’s verschenen van door bombardementen met napalm getroffen vluchtende naakte kinderen namen de acties tegen de regering zo sterk toe, dat de strijd werd getaakt en de Amerikanen zich terugtrokken. De onthullingen van Joop Hueting over excessen, die op die van My Lai leken, zorgden wel voor beroering, maar ik kan mij niet herinneren dat ze tot grote verontwaardiging leidden. Het kwam er niet van het militaire optreden eindelijk eens goed aan de orde te stellen. Het is onweerlegbaar dat er meer wreedheden zijn bedreven dan het thuisfront wilde of durfde te geloven. Nog niet zo lang geleden werd zelfs erkend dat het aantal Indonesiërs, dat door de oorlogshandeling om het leven is gekomen, in de vele tienduizenden is gelopen.

Als verdediging van het gebruikte geweld door onze militairen wordt aangevoerd dat de zij hiertoe wel gedwongen werden omdat de Indonesische tegenstanders zich aan erge wreedheden jegens hun tegenstanders te buiten gingen. Dat is waar. En ook is waar dat zij ook verantwoordelijk waren voor het ombrengen van talloze eigen burgers. De kern van de zaak is evenwel dat zij vochten tegen een leger van een regering die hen de vrijheid ontzegde en daartoe geen enkel recht had. Ons land had zich al deze ellende kunnen besparen door van het begin af de door de nationalisten uitgeroepen Republiek Indonesia te erkennen en grootmoedig te verklaren alle medewerking te willen verlenen aan de opbouw van het nieuwe rijk.

Wat ik hier schrijf klinkt uitermate simpel en ik weet natuurlijk ook wel dat dit politiek heel wat voeten in de aarde zou hebben gehad. Maar ik ben ervan overtuigd dat als de Nederlandse regering toentertijd niet voor een groot deel uit koloniale diehards had bestaan en tijdens de besprekingen in Lingadjatti een welwillende, vriendschappelijke houding had aangenomen en Soekarno en de zijnen loyaal waren tegemoet gekomen, Nederland een grote kans zou hebben gehad in dat grote rijk een belangrijke economischer rol te kunnen spelen vanwege alle kennis en kunde waar wij na honderden jaren van ervaring over beschikten. We zouden geen oorlog hebben gehad en nu niet voor de noodzaak hebben gestaan onze excuses aan te bieden voor het leed dat wij tijdens die ‘Politionele Acties’ de Indonesiërs die hun vrijheid wilden, hebben aangedaan.


De verzwegen oorlog en excessen in ‘Ons Oost-Indië’ en het uitblijven van excuses - deel 2 -


Info op AsserJournaal d.d. 15 augustus 2012. Een artikel van Jan Hof



Tienduizenden Indonesische slachtoffers

De invloed van de krachten in Den Haag die achter het regeringsbeleid en fanatiek achter de oorlog in de Oost stonden is tot in lengte van jaren groot gebleven. Zij hadden er geen enkel belang bij dat wat er daar aan misdaden werd gepleegd, in de publiciteit kwam. Dat zou te pijnlijk overko-men in een land dat zich altijd zo duidelijk opstelt tegen gewelddadigheden die in andere landen tegen burgers werden bedreven. Wij Nederlanders deden dat al beschaafd volk niet. Maandag werden we geconfronteerd door het nieuws dat er in 1969 een interview was gemaakt met de al eerder genoemde beul van Celebes Raymond Westerling, alias De Turk. Over hem waren al eind jaren veertig en daarna verhalen in omloop dat hij verantwoordelijk was voor de dood van 5000 inwoners van Zuid-Celebes, maar verder dan deze verhalen kwam het niet.

Deze Westerling kon ondanks het feit dat er genoeg bekend was over de excessen die er onder zijn leiding werden gepleegd, zonder dat hij ter verantwoording werd geroepen zich hier kon vestigen en ongestoord leven. Hij was zo zeker van zijn zaak dat hij het zich veroorloofde in ’69 voor de camera over de onder zijn verantwoordelijkheid uitgevoerde executies te praten. Dat was sensationeel nieuws, maar het heeft de media niet gehaald , zoals het ver-haal van Joop Hueting dat in hetzelfde jaar al deed. Journalist en cameraman hebben heel Hilversum afgebeld om het munitierijke interview geplaatst te krijgen. Maar geen enkele omroep ging daar op in. Het werd kennelijk te gevaarlijk materiaal gevonden. Niet ten onrechte, want de journalisten van Achter het Nieuws, ontvingen na de uitzending verscheidene bedreigingen.

Ik heb de uitzending van de NCRV met extra interesse gevolgd en voeg mij af waarom dit authentieke interview bij de makers thuis is blijven liggen en in de vergetelheid geraakt. Er moeten bij die redacties van de nieuwsrubrieken wel een grote angst hebben bestaan om deze grote primeur te laten rusten. En mogelijk is het ook de verklaring voor het feit dat het onderwerp’ Excessen in de gevoerde koloniale oorlog’ voor de reputatie van ons land veel te gevoelig was. Het is nooit verder gekomen dan de ‘Excessen Nota van juni 1969. Deze verdween in een Haagse bureaulade om die niet meer te verlaten. Het vervolg erop is er nooit gekomen.

Zeker na de onthulling van de tijdbom die dinsdagavond door de NCRV in beeld werd gebracht lijkt het onbestaanbaar dat er, zodra er een nieuwe regering is, geen Parlementaire Enquête komt die voor eens en altijd de waarheid - voor zover helemaal te achterhalen - aan het licht komt en er geen enkel excuus meer kan worden verzonnen om aan het volk van Indonesië excuses worden aangeboden voor het leed dat wij daar hebben aangericht. Ik heb trouwens het gevoel dat we volgend jaar voor de herdenking van de gevallenen in de Tweede Wereldoorlog de al terloops aangekaarte zware discussie zullen krijgen, of we ook de zes duizend gesneuvelde Indiëgangers daarin moeten betrekken. Met de tienduizenden Indonesische slachtoffers van de koloniale ingreep die ‘Ons kleine Landje’ op zijn geweten heeft, zal dat een heikele zaak worden.







© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl