In en om Assen



De Laatste Eer te Assen

"...Toen De Laatste Eer in januari 1932 de eerste algemene ledenvergadering organiseerde, telde men 208 leden. De inkomsten waren in het eerste jaar 724 gulden en de uitgaven 480 gulden..."



Bij het 75-jarig bestaan van de Onderlinge Uitvaartvereniging De Laatste Eer te Assen


Dit jaar is het 75 jaar geleden dat een groepje bezorgde Assenaren Uitvaartvereniging De Laatste Eer oprichtte. Zij vonden dat ook in de economisch ellendige jaren dertig van de vorige eeuw iedereen recht had op een waardige uitvaart. Deze 75 jaar De Laatste Eer is een gelegenheid die we als bestuur niet ongemerkt voorbij willen laten gaan. Van de activiteiten die we in dit kader georganiseerd hebben, heeft dit boekje ongetwijfeld het meest met ons verleden te maken. We vroegen de Asser publicisten Bertus Boivin en Martin Hiemink in de geschiedenis van de vereniging te duiken en het verhaal van De Laatste Eer op papier te zetten. Dit boekje is het resultaat.

Ons was het erom te doen u kort en bondig het verhaal achter De Laatste Eer te vertellen. We wilden u als leden en belangstellenden laten kennismaken met ‘hoe het zo gekomen is’. Het beperkte aantal pagina’s dat de schrijvers tot hun beschikking hadden, maakte dat zeker niet recht kon worden gedaan aan alle belangrijke gebeurtenissen die onze vereniging naar 2006 voerden. Bovendien hebben de auteurs terecht bedacht dat het verhaal van een succesvolle vereniging niet het verhaal van een aaneengesloten reeks successen is. Wie 75 jaar geworden is, weet welke verrassingen je onderweg tegen kunt komen…

Voor u ligt een boekje over een vereniging die met haar tijd meegegaan is. De Laatste Eer is uitgegroeid tot een grote uitvaartorganisatie die aan de strengste wettelijke eisen voldoet. Een professionele organisatie derhalve, maar nog steeds met een bestuur van enthousiaste vrijwilligers. Dat laatste is in 75 jaar tijd in elk geval niet veranderd, zoals u op de volgende bladzijden zult kunnen lezen.

Martin Verhage voorzitter De Laatste Eer Assen, mei 2006


Hulde aan hen die dit hebben aangedurfd

Bij een sterfgeval kwamen de naaste buren in actie. De hele buurt wist wat hem of haar te doen stond. Samen zorgden de noabers ervoor dat buurman of buurvrouw ‘fatsoenlijk onder de grond kwam’. Aan het begin van de twintigste eeuw ontstonden op het Drentse platteland de eerste verenigingen die de uitvaart letterlijk en figuurlijk voor hun rekening gingen nemen. Er was zo langzamerhand een beetje de klad in de noaberhulp gekomen. En uiteraard was de stad het platteland in dezen voorgegaan.



In Assen verzorgde begin jaren dertig van de vorige eeuw het Hervormd Diaconaal Begrafenisfonds de uitvaarten voor gezinnen van christelijken huize. Enkele Assenaren stoorden zich aan het feit dat er niets gebeurde voor de gezinnen die niet bij een kerk aangesloten waren. En geen geld hadden om de kosten van een dure begrafenis neer te tellen. Veel arbeidersgezinnen moesten genoegen nemen met een door de gemeente bekostigde ‘begrafenis van de armen’ met een witte, ongelakte vurenhouten kist.

Een voorbereidend comité in het Blauwe Dorp over het spoor stak de koppen bij elkaar. Op een van de eerste bladzijden van het nieuwe notulenboek werd genoteerd: ‘De crisisjaren hadden veroorzaakt dat vele arbeiders zich door geldgebrek uit het verzekeringswezen moesten terugtrekken en zodoende, wat de teraardebestelling betreft, afhankelijk werden van gemeentelijke voorzieningen op dat gebied. De overheidszorg was echter van dien aard, dat bij velen terecht het verlangen opkwam deze aangelegenheid in eigen hand te nemen en te komen tot een billijke en toch waardige wijze van begraven.’ Waardig en toch billijk…

Op 20 mei 1931 schreef het oprichtingscomité in de stad in zaal Klok aan de Venestraat een Oprichtingsvergadering uit. De latere voorzitter Geert Greving hield er een gloedvol betoog waarin hij stelde dat er in Assen ‘groote behoefde gevoeld werd aan een Neutrale Vereeniging waar menschen van alle kleur en richting zich in kunnen vereenigen’. Begrafenissen waren verworden tot ‘een ernstig object van winstbejag’.

Besloten werd een contributie te heffen van 15 cent per week per gezin. Twintig aanwezigen gaven zich staande de vergadering als lid van de nieuwe vereniging op. Drie weken later was er opnieuw een vergadering, deze keer in café Eleveld aan de Rolderstraat. Die avond kreeg de vereniging een naam: ‘De Laatste Eer’. Er bleken inmiddels al 51 leden te zijn…

In het eerste bestuur kregen naast voorzitter Greving en secretaris Weidgraaf ook de heren Lampe, Talens, Tap en Nieman zitting. Het kersverse bestuur had reeds afspraken gemaakt om de Hervormde Diaconie uitvaarten ‘met een zeer royale derde klasse bediening’ voor de vereniging te laten verzorgen. De leden van De Laatste Eer verzekerden zich voor een compleet verzorgde uitvaart – tot en met het betalen van de grafrechten – en dat is tot op de dag van vandaag zo gebleven.

Toen De Laatste Eer in januari 1932 de eerste algemene ledenvergadering organiseerde, telde men 208 leden. De inkomsten waren in het eerste jaar 724 gulden en de uitgaven 480 gulden. Geert Greving verzuchtte: ‘Dat hoe de crisis zich ook doet gevoelen, deze bij ons in de Vereeniging niet waarneembaar is’. Terugkijkend op het oprichtingsjaar werd in 1951 bij het twintigjarig bestaan geschreven: ‘Vele jaren terug zongen de arbeiderskinderen: “Op de graven van de rijken pronken bergen van graniet”. Een tegenstelling hierom, omdat voor velen alleen maar een stukje grond was op het armenslag.

En als dan enkele mensen behoefte gevoelen om het armenbestuur dit te ontnemen met de bedoeling om ieder mensch – ook de allerarmste als deel van het geheel – welke toen merendeels als onwaardig lid der maatschappij, op onwaardige wijze werden begraven, alleen om het bloote feit dat zij arm waren. Door eendrachtig optreden dit aanstotende weg te nemen, verdienen deze mensen daardoor de dank van velen. Ieder mens richt zijn leven zelf in, vele liefhebberijen worden er beoefend en maar enkelen trekken zich sterk het lot aan van de medemens. Van niets is hier iets gewrocht en hulde aan hen die dit hebben aangedurfd.’



De tijd waarover wij beschikken

Bode D. Blomsma uit de Witterstraat ging wekelijks bij de leden van De Laatste Eer langs om de contributie te innen en de lidmaatschapskaart af te tekenen. Aanvankelijk mocht hij daarvoor vier cent per gezin en voor alleenstaande leden twee cent casseren. Eind 1932 werd zijn loon met een cent verhoogd ‘gezien de uitgebreide ligging der gemeente’. Blomsma was maar liefst vier hele dagen per week bij de weg en hij toonde zich volgens het bestuur onvermoeibaar. Toen het ledental van De Laatste Eer snel groeide, was dat twee jaar later overigens weer reden om het besluit weer terug te draaien en bode Blomsma’s verdiensten te temperen.

De groei van De Laatste Eer was van dien aard dat er in 1936 een tweede bode bij moest komen, Jan Fekkes nam voortaan de leden over het spoor voor zijn rekening. De Laatste Eer had het verzorgen van de uitvaarten contractueel uitbesteed aan het Hervormd Diaconaal Begrafenisfonds, toen officieel de Begrafenisregeling der Nederlands-hervormde Diaconie geheten. Dit betekende onder andere dat men gebruikmaakte van de lijkkoets van de Diaconie die gestationeerd was in een schuur achter het Tehuis voor Ouden van Dagen Avondrust aan de Rolderstraat. Stalhouder Penthum uit de Kloekhorststraat zorgde voor paarden en volgkoetsen. Zowel Penthum als collega stalhouder Kroon uit de Groningerstraat werd regelmatig om offertes gevraagd om de prijzen ‘au courant’ te houden.

Toen de eerste zich als bewijs van diens betrokkenheid in 1934 als lid bij De Laatste Eer meldde, besloot het bestuur evenwel onverwijld in te grijpen: ‘Daar is komen vast te staan dat de heer Penthum reeds lid van de Christelijke Vereeniging is, is het Bestuur eenparig van meening den heer Penthum niet als lid toe te laten.’ Verder onderhield De Laatste Eer een regelmatige correspondentie met de leveranciers van lijkkisten. Doorgaans deed de vereniging zaken met de fi rma Hofsté uit de Schoolstraat. Zo werd in 1938 een nieuw model ingevoerd waarvoor Hofsté 32,50 gulden per kist in rekening mocht brengen.

Dat het er tussen de Asser begrafenisverenigingen niet altijd even vreedzaam en collegiaal aan toeging, blijkt ook uit de notulenboeken en correspondentie. Naast het Hervormd Diaconaal Begrafenisfonds en De Laatste Eer waren er in Assen de christelijke vereniging Draagt Elkanders Lasten en de katholieke vereniging die uiteraard de Latijnse naam Memento Mori droeg. Met secretaris J. van Dalen van Draagt Elkanders Lasten waren er af en toe pittige briefwisselingen over het feit dat ‘de gereformeerden’ zich niet aan de afspraak zouden houden ‘niet onder elkaars leden te gaan werken, maar wie uit vrije wil naar een der beide vereenigingen wilde overgaan, deze met een vroolijk vaarwel te laten gaan’, aldus een brief van De Laatste Eer uit mei 1937.

De verwijten waren overigens geheel wederzijds… Had voorzitter Greving in 1936 bij het vijfjarig bestaan van de vereniging nog gememoreerd ‘dat het tot vreugde stemt dat de meeste onzer bestuurders van de oprichting nog aanwezig zijn’, een jaar later moest het bestuur melden dat een van de mannen van het eerste uur, de heer A. Nieman overleden was. Men herdacht hem door ‘zich een minuut van de plaats te verheffen’. In 1938 moest tweede voorzitter Van der Laan melden dat voorzitter Geert Greving overleden was. Op verzoek van de leden besloot het bestuur op kosten van de vereniging een monument op het graf van de heer Greving te laten plaatsen ‘daar deze zijn volle leven voor de vereeniging gaf, tenminste de tijd waarover hij beschikte’.



Financieel zonder kleerscheuren

Wie in de notulenboeken van De Laatste Eer de verslagen van de vergaderingen van 1940 en 1941 doorleest, realiseert zich na verloop van tijd pas dat het oorlog is. De eerste maanden na de Duitse inval in mei 1940 leek alles in elk geval nog zijn gewone gangetje te gaan. Wellicht kan uit het besluit van het bestuur van 29 augustus 1940 om een deel van de verenigingsmiddelen niet op de bank te laten staan, maar te in ‘vaste goederen’ beleggen worden afgelezen dat de tijden aan het veranderen waren. Afgezien van het verstrekken van een hypotheek voor een ‘herenhuis met garage’ aan de Stationsstraat veranderde er voorlopig echter feitelijk nauwelijks iets.

Pas toen het bestuur besloot om het tienjarig bestaan in 1941 met een feestavond te gaan vieren, drong de harde werkelijkheid van bezetting en oorlog tot de notulen van De Laatste Eer door. De leden van de vereniging waren in die duistere dagen kennelijk wel in voor een feestje. De feestcommissie meldde in de bestuursvergadering van 19 mei 1941 dat zich inmiddels meer dan 900 leden opgegeven hadden. Men verwachtte dan ook ruim 1800 mensen en de commissie zag zich genoodzaakt meer dan één avond te organiseren.

Dit was het moment waarop bestuurslid Schut het woord vroeg. Schut vond dat er geen enkele reden voor een feestavond was ‘om reden het voorgevallen feit dat onze secretaris de heer Weidgraaf, welke toch in de eerste plaats de persoon is welke op deze herdenkingsavonden op de voorgrond behoorde te treden, hier toch niet om reden buiten zijn wil aanwezig kan zijn’. Secretaris Diele Jacobus Weidgraaf was kort daarvoor gearresteerd en naar Duitsland afgevoerd. Weidgraaf was ‘een echte rooie’, een communist dus en waarschijnlijk actief in het verzet. Zelf sprak hij er zelfs thuis niet over.

Op het ogenblik dat De Laatste Eer haar tienjarig feestje vierde, wist men niet beter dan dat de secretaris afwezig was ‘wegens bijzondere omstandigheden’. Anders dan de heer Schut ging de rest van het bestuur ervan uit dat het niet zo’n vaart zou lopen en dat Weidgraaf spoedig terug zou keren. Bovendien, had mevrouw Weidgraaf zich ook al niet opgegeven voor het feest… Er werden twee jubileumavonden georganiseerd.

Ruim een jaar later kwam het droevige bericht binnen dat Diele Weidgraaf op 26 juni 1942 in Duitsland overleden was, in ‘Darhan’ las de familie in de moeilijk leesbare brief. Later zou blijken dat de zes letters van de onbekende Duitse plaats voor het concentratiekamp Dachau stonden… Voor De Laatste Eer ging het verenigingswerk zo goed en kwaad als het ging gewoon door. Het bestuur bakkeleide met bode Blomsma over diens in hun ogen ten onrechte opgenomen vrije dag.

Men toonde zich verontrust over het feit dat bode Fekkes aanvankelijk in Havelte en later in Duitsland tewerkgesteld werd waardoor er achterstand in de contributiebetaling over het spoor dreigde te ontstaan. Op de eerste algemene ledenvergadering van De Laatste Eer na de oorlog, op 17 augustus 1945 in zaal Wolthekker aan de Brinkstraat memoreerde voorzitter Brader onder andere: ‘Dat het beëindigen van de oorlog op het Europeesch halfrond ook ons de vrede en daarmee de overwinning en de vrijheid heeft gebracht.

Al zullen leden of gezinsleden aan deze oorlog ten offer zijn gevallen, wij zullen staande moeten blijven en voortgaan om daarmede te bereiken de opgave welke de oprichters van onze Vereeniging zich hebben gesteld: het gemeenschapswoord Allen voor één en één voor allen.’ De conclusie aan het eind van des voorzitters betoog dat ‘wij er financieel zonder kleerscheuren zijn doorgekomen’ komt in dat weidse licht achteraf op zijn minst enigszins schril over…



Hoe laat zei je ook al weer dat ‘t was?

Op elke ledenvergadering werd uitgebreid verslag gedaan van het feit dat het goed ging met uitvaartvereniging De Laatste Eer. Het ging zelfs zo goed dat het bestuur in 1950 besloot devooroorlogse traditie in ere te herstellen en de leden tijdens de vergadering op rekening van de vereniging een sigaar te presenteren. De Laatste Eer groeide zodanig dat het bestuur in 1954 van de leden toestemming kreeg om het contract met het Hervormd Diaconaal Begrafenisfonds op te zeggen en voortaan zelf het verzorgen van de uitvaarten ter hand te nemen.

De verzelfstandiging was begonnen met een discussie over ‘autotractie’, minder statig dan de oude koetsen, maar wel een stuk goedkoper en daar was volgens De Laatste Eer niets mis mee. Zelf een lijkauto en volgauto’s inhuren zou op de begroting van De Laatste Eer een voordeel van 3000 gulden op jaarbasis opleveren. Het bestuur besloot om de koetsen die men tot dan toe via het Hervormd Diaconaal Begrafenisfonds betrokken had, in het standaardpakket door ‘autotractie’ te vervangen. Een begrafenis ‘met alles erop en eraan’ kostte de vereniging dan 177 gulden. Het bestuur van het Diaconaal Begrafenisfonds was – zoals te verwachten viel – in alle staten en stuurde in april 1954 ‘een zeer scherpe brief’ naar de vereniging.

Dit alles weerhield De Laatste Eer er niet van de uitvaartverzorging in eigen hand te nemen en zelf een onderneming te vestigen ‘bestemd voor de uitoefening van een begrafenisbedrijf’. De lijkauto werd bij Hofsté gehuurd. Drie taxi’s van Garage Van der Ziel gingen als volgauto’s rijden. Bode Jan Fekkes werd gepromoveerd tot ‘leedaanzegger’ van de vereniging. Dat betekende dat hij in de buurt de deuren bij langs moest om het overlijden van deze of gene mee te delen en de buurt voor de teraardebestelling uit te nodigen, ‘Hoe laat zei je ook al weer dat ‘t was?’ Fekkes werd op kosten van De Laatste Eer ‘van telephoon voorzien’. Er werd een advertentie geplaatst om eigen dragers te werven.

Benoemd werden de heren Engels, Visser, Ter Borg, Hulsegge, Muller en Drent. Bij de fi rma Stappenbelt in Ommen bestelde de vereniging hun uniformen compleet met tressen en hoge hoed (‘kachelpijp’), alsmede een aantal witte jassen om bij het afl eggen aan te trekken. Uiteindelijk gooide het bestuur het in oktober 1954 met het Hervormd Diaconaal Begrafenisfonds op een akkoordje en kon de zaak in der minne geschikt worden: ‘U, Diaconie der Ned. Herv. Gemeente, dank voor de genoten hulp in de vorm van begrafenisuitvoeringen sinds het bestaan der vereniging namens de vereniging verricht’. De uitvaarten in eigen beheer begonnen op 15 november 1954. In zijn jaarverslag noemde voorzitter Brader het een van de belangrijkste besluiten sinds het bestaan van de vereniging. Dat De Laatste Eer als het ‘Rooie Dooienfonds’ begonnen was, bleek in de zomer van 1955 nog weer een keer.

Na een bezoek aan de nieuwe begraafplaats De Boskamp vroeg het bestuur het College van B en W om er rekening mee te houden dat hun leden bij uitvaartplechtigheden ook zo hun muzikale wensen hadden. Enkele weken later liet de gemeente weten de grammofoonplaten ‘Morgenrood’ en ‘Aan de strijders’ van de Stem des Volks uit Amsterdam voor de aula van De Boskamp te hebben aangeschaft. In 1955 moest Sietse Kooistra op sollicitatiegesprek komen bij het bestuur van De Laatste Eer dat vergaderde in het zaaltje van café Kamping in de Rolderstraat. Bode Blomsma moest om leeftijdsredenen stoppen. Kooistra werd naast Jan Fekkes als bode benoemd. Hij ging ‘aan deze kant van het spoor’ werken. De jaarcontributie was net verhoogd naar 8,21 gulden en ging van vijftien cent per week naar een gulden in de maand.

Voor ouden van dagen die minder draagkrachtig waren, bleef de verhoging beperkt tot twee cent per week. Kooistra herinnert zich uit zijn beginjaren dat er nog steeds spanningen waren met het Hervormd Diaconaal Begrafenisfonds. Beter waren de verhoudingen inmiddels met Draagt Elkanders Lasten waar de vereniging het voor de oorlog regelmatig mee aan de stok gehad had. Kooistra vertelt hierover: ‘Ik kwam bij mensen om ze lid te maken, maar als ze uiteindelijk liever naar de christelijke collega’s wilden, zei ik tegen Vaartjes van Draagt Elkanders Lasten: “Je moet daar even heen, want daar zit een nieuw lid voor je”. Het omgekeerde gebeurde ook.’ De Laatste Eer groeide in de jaren vijftig als nooit tevoren. Had de vereniging in 1950 nog 3000 leden, in 1960 waren het er zo’n 4500. Sietse Kooistra kreeg een brommer van de vereniging om zijn route te vergemakkelijken.



Het aantal sterfgevallen werd angstig bijgehouden

De Laatste Eer was in de jaren zestig van de vorige eeuw veruit de grootste Asser begrafenisvereniging. Met de gezinsleden erbij geteld was ongeveer de helft van de Assenaren bij De Laatste Eer aangesloten. Halverwege de jaren zeventig had de vereniging meer dan 10.000 gezinshoofden als lid. Er gingen dermate hoge bedragen in de vereniging om dat de kascommissie met enige regelmaat voorstelde om voortaan een accountant de boeken te laten controleren. Dat was geen werk meer voor een achternamiddag voor een groepje eenvoudige verenigingsleden, stelde men reeds in 1960.

Hoezeer de kascommissie het gelijk aan haar kant had, bleek al binnen een paar jaar toen de toenmalige penningmeester van De Laatste Eer zodanig creatief met de penningen van de vereniging was omgegaan dat de vereniging zelfs de kolommen van De Telegraaf wist te halen. ‘Knoeierij ontdekt bij begrafenisvereniging’ kopte de krant op 17 augustus 1964. Met het schaamrood op de kaken beloofde het bestuur de leden beterschap. Korte tijd later besloot De Laatste Eer haar administratie te centraliseren. Vrijwel al het uitvoerende werk werd bij het bestuur weggehaald. Bode Sietse Kooistra ging steeds meer administratie doen en de accountant hield voortaan de boeken nauwgezet in de gaten.

Langzaam maar zeker was het werk van de bodes veranderd. Ging men aanvankelijk wekelijks bij de leden langs, later werd dat maandelijks en steeds meer mensen gaven er de voorkeur aan via de bank of de Postgiro te betalen. Op de ledenvergadering van 1973 wist het bestuur te melden dat De Laatste Eer vanaf 1 januari 1975 op beperkte schaal ‘een aanvang zal maken met de contributie-inning per acceptgirokaart’. Voorlopig had men alleen de buiten Assen woonachtige leden op het oog, maar al spoedig bleek dat het systeem zo goed beviel dat het het jaar daarop reeds voor alle leden werd ingevoerd. Geen kinderachtige operatie, want er moesten maar liefst 20.000 adressen worden getypt… Sinds enkele jaren beschikte de vereniging over een eigen kantoor aan het eind van de Venestraat, tegenover de Talmastraat.

‘Met ingang van 2 januari 1972 kunnen de leden van De Laatste Eer voor alle zaken terecht op het nieuwe kantooradres Venestraat 216A’, adverteerde de vereniging in de Drentse en Asser Courant. Met name omdat de lonen sterk stegen, kreeg De Laatste Eer eind jaren zestig met steeds hogere kosten te maken. Die situatie leidde enkele jaren tot nadelige saldo’s die opliepen tot enkele tienduizenden guldens per jaar. In het ‘rampjaar’ 1968 had De Laatste Eer maar liefst 170 begrafenissen en crematies te verzorgen. Op elke uitvaart werd een flink verlies geleden. Bovendien verwachtte de overheid bepaalde waarborgen van een onderlinge begrafenisvereniging in de vorm van een behoorlijke reservepositie.

Daar kon De Laatste Eer echter bij lange na niet aan voldoen en het was niet zo moeilijk uit te rekenen dat, als dat zo doorging, De Laatste Eer eraan kapot zou gaan. Het bestuur besloot daarom de jaarlijkse contributie van 38 gulden naar 40 gulden te verhogen. Er werd zelfs een speciale verzekering afgesloten voor het geval dat de vereniging in één jaar meer dan 125 uitvaarten zou hebben… De Laatste Eer hield het aantal sterfgevallen in de jaren daarop angstig bij en tot een ieders verbazing liep in 1969 het aantal begrafenissen al weer terug van 170 naar 140. Dat waren er in een jaar tijd dertig minder en de daling zette door met 120 begrafenissen in 1970 en 110 in 1971. Ondertussen steeg het ledenaantal en de rode cijfers van De Laatste Eer verdwenen. Penningmeester Jan Steen kon melden dat de reservepositie van de vereniging meer dan één miljoen gulden bedroeg. ‘De Laatste Eer heeft de kop door het halster,’ meldde het jaarverslag in 1971.



Zelfstandig zijn en vooral ook blijven

De tijd dat een groot deel van de straat bij een sterfgeval uit piëteit voor een buurtgenoot overdag de gordijnen gesloten hield, lijkt ver weg. Geert Geerts herinnert zich het nog als de dag van gisteren. Evenals hoe hij met Jan Fekkes voor De Laatste Eer op pad ging om in de buurt het leed van een overlijden aan te zeggen. Kort daarna werd het aanzeggen afgeschaft en ging men rouwbrieven versturen. Via de timmerfabriek van zijn vader was Geerts in het uitvaartwezen beland. Hij werd in 1968 tweede aanzegger naast Fekkes bij De Laatste Eer. Niet lang daarna begon Geerts aan het Kanaal in Assen een eigen uitvaartbedrijf.

Lange tijd heeft men in Assen in de jaren zeventig gediscussieerd over de oprichting van een rouwcentrum. Tot dan toe was het gebruikelijk om overledenen die niet thuis bleven staan, in het mortuarium van het Wilhelminaziekenhuis aan de Oosterhoutstraat op te baren. De capaciteit was daar echter beperkt en men zocht een betere oplossing. In 1971 riep de gemeente Assen samen met het Hervormd Diaconaal Begrafenisfonds, Draagt Elkanders Lasten en De Laatste Eer een werkcommissie in het leven om op De Boskamp een rouwcentrum plus mogelijk een crematorium te bouwen. Cremeren was in de jaren zestig snel populair geworden, nadat de wettelijke belemmeringen waren weggenomen.

De Laatste Eer verzorgde in 1962 haar eerste crematie. Belangrijkste discussiepunt in de werkcommissie was of de drie Asser begrafenisverenigingen bereid waren hun uitvaartverzorging op te geven en in het nieuwe rouwcentrum in te brengen. Voor de exploitatie van zo’n centrum leek het nodig dat de stichting die het centrum zou gaan exploiteren, de uitvaartverzorging erbij kreeg. De Laatste Eer stribbelde tegen. De vereniging rekende uit dat een door het rouwcentrum uitgevoerde begrafenis bijna 1200 gulden zou kosten, terwijl men dat in eigen beheer voor 250 gulden minder kon laten doen. In mei 1972 liet het bestuur van De Laatste Eer de commissie dan ook weten dat zij alleen bereid was deel te nemen ‘mits de te vormen stichting zelf geen uitvaarten verzorgt’.

De gemeente en de andere verenigingen gingen zonder De Laatste Eer door de Venestraat een eigen rouwkamer in gebruik te nemen. De plannen werden niet doorgezet, onder andere omdat de buurt er nogal op tegen was. Het streven om haar leden te verzekeren van een waardige uitvaart is bij De Laatste Eer van het begin af gepaard gegaan met onophoudelijke inspanningen een en ander zo billijk mogelijk te realiseren. De keuze van de woorden ‘waardig en toch billijk’ was van Geert Greving, de eerste voorzitter van De Laatste Eer, en ze werden meteen al in het oprichtingsjaar 1931 uitgesproken. Het feit dat begrafenissen ‘een ernstig object van winstbejag’ zouden zijn, was destijds zelfs een van de redenen geweest om De Laatste Eer op te richten. Het besluit halverwege de jaren vijftig om de begrafenissen voortaan in eigen beheer uit te voeren had alles met deze instelling te maken, evenals de oppositie twintig jaar later om de zelfstandigheid op te geven omwille van het rouwcentrum.

In 1973 besloot de vereniging de uitvaartverzorging aan uitvaartleider Geerts uit te besteden en ook daarbij waren de kosten van doorslaggevende betekenis. Aanvankelijk was Geert Geerts van plan aan Het Kanaal bij het eigen bedrijf zelf een rouwcentrum te stichten. Hij vond echter wethouder Borgesius plus het Hervormd Diaconaal Begrafenisfonds en Draagt Elkanders Lasten op zijn weg. ‘Een ramp als dit doorgaat’, liet de wethouder de krant in mei 1974 noteren. Geerts zag van zijn plannen af en besloot het nieuwe Rouwcentrum te gaan gebruiken. Via haar uitvaartverzorger kwam De Laatste Eer alsnog De Boskamp binnen. Het duurde tot mei 1980 voordat rouwcentrum en crematorium geopend konden worden. Daarmee is overigens niet gezegd dat het idee van een eigen rouwcentrum voor De Laatste Eer voorgoed van tafel was. Zelfs in 1998 presenteerde de vereniging nog plannen om in Kloosterveen een eigen rouwcentrum te bouwen om haar leden beter – lees: voordeliger – van dienst te kunnen zijn. Dat het plan op het laatste nippertje alsnog geen doorgang vond, had uiteraard ook weer met de kosten te maken…



In alle opzichten buitengewoon gezond

Toen Ernst Bodde in september 1982 in zijn nieuwe baan als administrateur van de Onderlinge Uitvaartvereniging De Laatste Eer begon, kwam hij in een schaars gemeubileerd kantoor aan het eind van de Venestraat terecht. In het kantoor stonden een kast, een kaartenbak, twee tafels, vier kantinestoelen en een telefoon. De administratie zat ‘in de computer’ bij een bedrijf in Enschede en het bestuur vertelde dat ze van Bodde verwachtten dat hij de veranderingen in het ledenbestand op speciale mutatieformulieren aanbracht die twee keer per jaar naar Enschede gestuurd moesten worden. De rest van de administratie was nog honderd procent handwerk. Het bijhouden van de contributiebetalingen was een kwestie van aanstrepen op de ledenlijst.

Regelmatig meldde iemand van de leden zich ten kantore van De Laatste Eer om zijn of haar contributie contant te betalen. Pas aan het eind van de jaren tachtig werd de hele administratie van De Laatste Eer geautomatiseerd en was de computer daadwerkelijk het kantoor binnengedrongen. De onderlinge concurrentie tussen de drie Asser uitvaartverenigingen was tot dan toe niet bepaald groot te noemen. De Hervormde Diaconale Begrafenisverzekering, Draagt Elkanders Lasten en De Laatste Eer hadden elk hun eigen doelgroep. Dit zorgde er tegelijk voor dat de contacten tussen de verenigingen bepaald niet intensief waren. Het feit dat De Laatste Eer in de jaren zeventig niet rechtstreeks meegegaan was naar het Rouwcentrum De Boskamp zal daar beslist mee te maken hebben gehad.

Eind 1991 werden de banden voor het eerst een beetje aangehaald toen er een periodiek overleg tussen de drie verenigingen van de grond kwam. Een belangrijke reden om de koppen bij elkaar te steken was de concurrentie van allerlei verzekeringsmaatschappijen van elders die met hun producten letterlijk langs de deur gingen om polissen te verkopen. Regelmatig moest De Laatste Eer waarschuwen dat de vereniging niet colporteerde. Tot op de dag van vandaag verschijnt de waarschuwing nog van tijd tot tijd in de verenigingsnieuwsbrieven. Vanwege deze wildgroei in het uitvaartverzekeringsbedrijf besloot de overheid in te grijpen. Op 1 januari 1996 werd de Wet Toezicht Naturauitvaartverzekeringsbedrijf van kracht en zorgde ervoor dat ‘natura-uitvaartverzekeraars’ als De Laatste Eer onder strenge controle van De Nederlandsche Bank kwamen te staan.

Deze ging erop toezien dat de reservepositie van de vereniging van dien aard is dat ook in de toekomst aan de verplichtingen kan worden voldaan, namelijk het aanbieden van een bepaald pakket voorzieningen. Inmiddels zijn er nog twee van de drie Asser begrafenisverenigingen over. Draagt Elkanders Lasten heeft in 1996 haar portefeuille overgedaan aan verzekeraar AMEV Ardanta. Net als De Laatste Eer is de Hervormde Diaconale Begrafenisverzekering onder de naam HDB Assen N.V. nog steeds actief. Samen horen ze tot de in totaal ruim veertig ‘natura-uitvaartverzekeraars’ die bij De Nederlandsche Bank geregistreerd staan. De Laatste Eer is van het begin af een vereniging geweest. Het betekent dat er geen winst behaald hoeft te worden en bovendien hebben de leden uiteindelijk het laatste woord. Recentelijk, in 2003 bleek het voordeel van deze structuur nog weer eens toen De Laatste Eer in een regelrechte bestuurscrisis verzeild raakte.

De leden bleken het niet eens met het bestuursbeleid en vervingen het zittende bestuur door een ander. Onder aanvoering van haar nieuwe voorzitter Siemen Vegter werd snel orde op zaken gesteld en bloeide de vereniging weer als nooit tevoren. Belangrijke factor was onder andere dat De Laatste Eer in 2005 een eigen aanvullende verzekering introduceerde. Sinds begin 2006 is Martin Verhage voorzitter van De Laatste Eer. Hij vertelt over de vereniging nu: ‘De Laatste Eer heeft meer dan twaalfduizend leden en is in alle opzichten buitengewoon gezond. Te midden van alle grote jongens in het uitvaartverzekeringswezen redden we ons uitstekend. We kunnen onze leden voor relatief weinig premie een uitstekend pakket bieden.’ Administrateur Ernst Bodde valt hem bij: ‘Sinds we in september 2002 ons nieuwe gebouw aan de Pottenbakkerstraat betrokken hebben, hebben we extra aandacht aan de kwaliteit van onze dienstverlening kunnen schenken.

Daarom zijn we bijvoorbeeld ook met ons uitvaartinformatiecentrum begonnen. Mensen waarderen dat, merken we.’ Een jubileum is ook een moment om naar de toekomst te kijken. Die ziet er goed uit, maar toch zijn er wel wat zorgen, vertelt Martin Verhage: ‘We merken dat waar het voor de grootouders en ouders vanzelfsprekend was om lid te worden van een vereniging als De Laatste Eer, dit bij hun kinderen en kleinkinderen steeds minder het geval is. Daar gaan we actief wat aan doen, hebben we besloten.’ Begin 2006 verspreidde De Laatste Eer huis aan huis een folder in Assen met voorop de intrigerende vraag ‘Heb jij jezelf wel eens afgevraagd…’ De folder was speciaal gericht op mensen tussen de twintig en veertig: ‘Verzeker je van de rust dat alles goed geregeld is via De Laatste Eer’. En dat al 75 jaar…



Verantwoording en colofon

Dit boekje is op 20 mei 2006 verschenen ter gelegenheid van het 75-jarig jubileum van de Onderlinge Uitvaartvereniging De Laatste Eer te Assen in een oplage van 2500 exemplaren. Het werd onder andere op de Open Dag aan belangstellenden en relaties uitgereikt.

Het meeste materiaal op basis waarvan de tekst van dit boekje kon worden geschreven, is afkomstig uit het eigen archief van de vereniging. Met name de notulenboeken en de jaarverslagen van De Laatste Eer bleken een rijke bron. Daarnaast werden met een aantal betrokkenen informatieve gesprekken gevoerd.

In dit verband noemen we speciaal de heren E.A. Bodde, G. Geerts, T. Mulder Kramer, S. Kooistra en M. Verhage en mevr. G. Jonker-Weidgraaf. We willen hen bedanken dat ze met ons hun herinneringen hebben willen delen.

Research en interviews Martin Hiemink, Assen Concepting en tekst Bertus Boivin, Boivin Tekstproducties, Assen Coördinatie bij De Laatste Eer Ernst Bodde en Martin Verhage Onderlinge Uitvaartvereniging u.a. De Laatste Eer Pottenbakkerstraat 48, 9403 VX Assen telefoon (0592) 34 06 31 fax (0592) 34 64 45 internet www.dlea.nl e-mail info@dlea.nl


Naar boven



© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl