In en om Assen

De sigarenfabriek van de gebroeders Laferte in Assen




Het ontstaan en de teloorgang van de sigarenfabriek Laferte


Al in 1902 voelen Aart en Jan Laferte en hun zwager Adrianus Fransiscus Hogenbirk, allen werknemer bij de firma Küller, de sluiting van de fabriek aankomen. Ze beginnen in dat jaar een sigarenfabriekje aan de Nieuwstraat te Assen.

De gebroeders Laferte en hun zwager hebben het vak van sigarenmaker bij de firma Küller geleerd. Zo worden Aart en Jan in het bevolkingsregister van 1880 – 1890 als sigarenmakers vermeld. Adrianus Fransiscus Hogenbirk vinden we in het Bevolkingsregister van 1890 – 1900 voor het eerst met vermelding van het beroep van sigarenmaker. Zowel Aart Laferte als Hogenbirk werken in 1892 een korte periode als sigarenmaker in Oude Pekela.

Van de beginperiode van de sigarenfabriek ‘Gebroeders Laferte & Hogenbirk’ is weinig bekend. Van de periode na 1919 is, doordat een deel van het bedrijfsarchief bewaard is gebleven, veel meer te vertellen. Wel is er een rekening bewaard gebleven uit de eerste jaren van de fabriek. Deze rekening, gedateerd 17 oktober 1904, geeft een bedrag van fl. 11,- voor geleverde sigaren den 9e oktober aan H. Beuving aan de Brink te Beilen. De fabriek aan de Nieuwstraat is gevestigd in de ene helft van een dubbel woonhuis. Aart Laferte woont in de andere helft van het huis.

In 1909 geven de gebroeders Laferte & Hogenbirk de opdracht aan architect M. de Vries te Assen om een sigarenfabriek te tekenen. In eerste instantie wordt de bouwvergunning geweigerd, omdat er ter plaatse nog geen straat is. In zijn advies aan B & W van Assen schrijft stadsbouwmeester Boonstra op 26 oktober 1909: “ingevolge art. 1 sub. 2 der bouwverordening is het niet mogelijk dat hiervoor op dat perceel vergunning kan worden verleend, wijl geen straat bestaat, noch is aangewezen, noch is aangelegd en dit niet valt onder uitvoeringsbepalingen, genoemd aan het slot van artikel. Ik geef derhalve Uw College in overweging een vergunning te weigeren, op grond van bovenstaande”.

In januari 1910 schrijven B & W van Assen:
“overwegende dat het bezwaar door den stadsbouwmeester bij zijn voornoemd schrijven komt te vervallen, nu door de ‘Bouwvereniging Assen’ ter plaatse een straat zal worden aangelegd, kan de bouwvergunning worden verleend voor de bouw van een sigarenfabriek aan de Steendijk”.
In de periode 1910 – 1920 gaat het goed met de firma Laferte. Werken er in de periode 1910 – 1912 al een tiental sigarenmakers, in de daaropvolgende jaren loopt dit aantal op tot 15 á 20 man.


Sigarenplank firma Laverte (collectie: L. Kroeze, Emmen)


We spreken hier van de gebroeders Laferte, omdat er in 1910 door onbekende oorzaak een breuk ontstaat tussen hen en hun zwager. Uit een nota van november 1910 blijkt dat Hogenbirk dan het restant van zijn aandeel in de sigarenfabriek, een bedrag van fl. 611, 50 ontvangt. Via een scheidingsakte van 20 juli 1911 wordt de breuk definitief.

Uit het moment van het uit elkaar gaan van de gebroeders en hun zwager kunnen we afleiden, dat de scheiding waarschijnlijk samenhangt met de bouw van de nieuwe fabriek. Het zou kunnen dat Hogenbirk de toekomst minder zonnig inzag dan zijn zwagers. De investering in een zo groot bedrijfsgebouw brengt de nodige risico’s met zich mee, In deze periode wordt ook Roelof Laferte bij de fabriek betrokken. Pas in 1921 worden hij en zijn broer Aart officieel als medevennoot bij de Kamer van Koophandel ingeschreven. Gezien het aantal werknemers in de periode 1910 – 1920 moet de fabriek goed gewerkt hebben. Uit deze periode zijn verder weinig gegevens bekend.

In 1923 deponeren de gebroeders Laferte het handelsmerk ‘Verdi’ bij het merkenbureau van der Graaff in Amsterdam. Vanaf dat moment voert men het merk ‘Verdi’. De reclameboodschap, die men hierbij gebruikt is: “Verdi, het merk der kenners”. Door de crisis in de sigarenindustrie is rond 1925 het aantal werknemers sterk teruggelopen. Er werken dan nog enkele sigarenmakers.

Op 17 april 1931 treedt Aart Laferte, dan 61 jaar terug. Er wordt een scheidingsakte opgemaakt. Aart ontvangt van Jan en Roelof als zijn aandeel in de fabriek fl. 4.971, 02. Aan het eind van datzelfde jaar overlijdt Roelof Laferte. Zijn weduwe, mevrouw Laferte – Nijboer krijgt in 1932 een bedrag van fl. 6.752,66 van Jan Laferte, de enige overgebleven eigenaar. De sterke kapitaalvermindering wordt op dat moment opgevangen door de verkoop van een in 1915 gekocht stuk grond en een hypotheek, die verleend wordt door de weduwe van Roelof Laferte. In 1938 treedt de zoon van Jan Laferte, Jan Laferte jr.  toe tot het bedrijf.

In de eerste oorlogsjaren blijft de fabriek nog in bedrijf. In 1943 stopt de aanvoer van tabak en wordt de fabriek stilgelegd. Jan Laferte sr. Overlijdt op 11 juni 1945. Het bedrijf wordt voortgezet door zijn zoon Jan. Het tekort aan tabak, dat duurt tot 1950, betekent in feite het einde van de sigarenfabriek. Officieel wordt de fabriek pas op 1 januari 1957, na bijna 55 jaar, opgeheven. Dan is er al sinds 1953 geen sigaar meer gemaakt. Jan Laferte jr. gaat verder met een groothandel in rookartikelen, die hij in 1936 is begonnen.


De fabriek

Van groot belang bij het oprichten van een sigarenfabriek is de vakkennis. Deze is voldoende aanwezig bij de gebroeders Laferte en hun zwager, als ze in 1902 met hun sigarenfabriek beginnen. Hebben ze aanvankelijk voldoende aan de helft van een dubbel woonhuis, in 1909 verandert dit. Ruimtegebrek is waarschijnlijk de reden, dat ze besluiten om een forse investering te doen in een nieuw bedrijfspand. Men heeft blijkbaar in de jaren daarvoor voldoende verdiend om deze stap te nemen. Daarnaast nemen ze een hypotheek op het nieuwe pand. De fabriek, bestaande uit twee bouwlagen, is voor Asser begrippen zeer groot. Komen de meeste sigarenfabriekjes niet verder dan zo’n 40 m2, de fabriek van de gebroeders Laferte heeft een vloeroppervlakte van ongeveer 180 m2. Naast de werkplaats van 40 m2 is er een drogerij, een sorteerkamer, een magazijn en een kantoor.

In de werkplaats maken de sigarenmakers, gezeten op zitkisten, aan lange tafels de sigaren. Het mengen van de tabak gebeurt in de droogkamer. Ook worden hier de sigarenvormen neergezet om te drogen in de pers. De tabak wordt in een grote zinken bak gemengd. In het magazijn staat de voorraad sigaren voor de verkoop. In de sorteerkamer worden de sigaren op kleur gesorteerd. Hierbij gaat de sorteerder uit van 98 kleuren. Ook worden de sigaren hier in blikken en kisten gedaan.

Op de zolder, die over het hele pand loopt, worden de tabak en de andere voorraden bewaard. De tabak in balen, de kisten e.d. keurig op stellingen. In het kantoor wordt door Jan Laferte de administratie bijgehouden. Op de inventarislijst van 1919 zien we dat de inventaris van de fabriek bescheiden van omvang is. Zo worden genoemd: een fiets, een waterfilter, een emmer, vier tafels, twintig zitkisten, een brandkast, vier stoelen, een schrijftafel, een trap en een handkar. De totale boekwaarde van de inventaris is in dat jaar fl. 150. Aan gereedschappen worden in dat jaar genoemd: een bascule met gewichten, drie vormpersen, een sigarenpers, een brandpers met letterdoos, drie kachels, vierhonderd goede vormen, tweeënveertig ijzeren banden, tachtig sluitbanden, dertig maatbakken. De totale boekwaarde van de gereedschappen is in 1919 fl. 400. Tot 1938 veranderd er weinig in deze inventaris. Er worden alleen, in de jaren dertig, nieuwe vormen aangekocht. In 1925 is het aantal zitkisten van twintig naar twee teruggebracht.


Brandpers firma Laferte (collectie: J. Laferte, Assen)


De tabak

De tabak  wordt voornamelijk gekocht in Amsterdam en Rotterdam. De bestellingen worden schriftelijk gedaan. Op aanbiedingen van tabakshandelaren volgt veelal een aanvraag voor een proefzending van de firma Laferte. Soms worden deze zogenaamde monsters afgekeurd omdat de kwaliteit onvoldoende is. De prijzen van de tabak zijn, door de gestagneerde aanvoer, vooral na de Eerste Wereldoorlog erg hoog. De gemiddelde prijs van tabak, die de firma Laferte in 1919 in voorraad heeft, is fl. 3,05 per pond. In 1920 is dit fl. 1,21 per pond en in 1921 fl. 0,77 per pond. In 1922 zit men op een prijs van fl. 0,43 per pond. Het aantal soorten is in 1919 beperkt tot vier. In latere jaren loopt dit op tot ongeveer twintig.

Verreweg het duurst is het dekblad. Aanvankelijk gebruikt men Vorstenlanden, maar in de jaren ’30 wordt dit Sumatra dekblad. Als men de tabak uitgezocht, gekeurd en vervolgens besteld heeft, komt deze per bodedienst aan bij de Kolk in Assen en wordt met een handkar opgehaald. Na de tweede Wereldoorlog haalt men de aangevoerde tabak van het bodehuis bij het veemarktterrein. Een enkele keer komt de tabak met de trein naar Assen.
Dat men niet alleen tabak koopt voor de eigen productie blijkt uit een aantal ‘Geleide biljetten voor ruwe tabak’, die zich in het bedrijfsarchief bevinden. Deze biljetten moeten worden ingevuld bij het transport van tabak, om accijnsontduiking te voorkomen. Zo levert de firma Laverte in 1927 aan de sigarenfabrikant Bijlsma te Assen een partij ‘Kadoe’ en ‘Garoetti’ tabak van in totaal 204 kilogram. In 1928 wordt er opnieuw een partij ‘Kadoe’ geleverd. Nu gaat het om 103 kg.

In 1941 levert men 125 pond tabak aan Bijlsma. Of men regelmatig tabak levert aan kleinere fabrieken in Assen valt uit deze fragmentarische gegevens niet op te maken. Wel levert men aan diverse firma’s, meestal bloemkwekers, regelmatig tabaksstelen, een afvalproduct bij de fabricage van sigaren.
Begin van 1940, krijgt ook de firma Laferte bij het inkopen van tabak te maken met het ‘Rijksbureau voor Tabak en Tabaksproducten’ (RBTT). Een van de bepalingen is dat dispensatie wordt verleend van de beperking van de aan te kopen hoeveelheden voor zover de hoeveelheden de productie over het jaar 1939 niet overschrijden. Jan Laferte geeft op 7 juni 1940 een overzicht van de voorraad tabak die in de fabriek aanwezig is. Totaal is er dan 335 kg tabak. De soorten zijn: “Deli’, ‘Java’, ‘Braziel’, ‘Apoe’ en ‘Misconin’.

Alle aankopen voor ruwe tabak lopen vanaf dat moment via het RBTT, dat distributie over de diverse fabrieken regelt. Tot het voorjaar van 1941 kan men regelmatig tabak aankopen en de productie op een redelijk peil houden. De prijs van sigaren stijgt wel van gemiddeld 4,7 cent in 1939 naar 6,4 cent in 1940.
De toewijzing door het RBTT worden in april 1941 duidelijk kleiner. Kan men in oktober 1940 nog 351 pond omblad bestellen, in april 1941 is dit nog slechts 50 pond. In november 1941 ontstaat er een gebrek aan binnengoed. Met het Rijksbureau ontstaat onenigheid over de hoeveelheid sigaren, die men uit een bepaalde hoeveelheid tabak kan maken. In december 1942 bericht het RBTT dat er een verschil van 16 kg wordt geconstateerd. Dit betekent dat de voorraad volgens het RBTT 16 kg hoger zou moeten zijn. Volgens Jan Laferte, een kleinzoon van Jan Laferte sr. wordt  dit verschil veroorzaakt doordat men sigaren gebruikt als ruilmiddel om aan voedsel te komen. Per maand verwerkt de firma Laferte dan nog slechts 3,4 kg tabak.

In februari 1943 is er, volgens het RBTT, een tekort van ruim 17 kg. Als antwoordt vermeldt Jan Laferte dat de voorraad niet groter is. In maart 1943 krijgt de firma Laferte een boete omdat men niet tijdig de voorraad opgeeft. In antwoord geeft Jan Laferte aan dat er in januari 1943 niets geproduceerd is. Eind maart 1943 volgt er een circulaire van het RBtt, dat per 1 april 1943 o.a. het bedrijf Laferte stilgelegd zal worden. Alleen de grote en middelgrote bedrijven zullen nog tabak toegewezen krijgen.

De laatste tabak ontvangt de firma Laferte op 29 maart 1943. Van de tien kilo blijkt er tijdens het transport één kilo gestolen te zijn. Pas in juni 1947 ontvangt de firma Laferte weer de eerste toewijzingen voor tabak. Voor de maanden juni, juli en augustus is dit totaal 125 kg tabak. Opnieuw ontstaan er problemen met het RBTT over de hoeveelheid sigaren die men uit een kilo tabak kan maken. Voor 8250 sigaren mag men 54,45 kg gebruiken. De firma Laferte gebruikt 56 kg. Als verklaring wordt door Jan Laferte jr aangegeven dat een partij dekblad beschadigd was.

In 1948 heeft men opnieuw een conflict over de hoeveelheid gebruikte tabak. In hetzelfde jaar blijkt het nog steeds zeer moeilijk te zijn om aan tabak te komen. Diverse brieven waarin verzocht wordt om de vergunning voor de aankoop, bewijzen dit. Per i januari 1950 wordt de tabaksverkoop gedeeltelijk weer vrijgegeven. De kwaliteit blijkt echter nog steeds matig te zijn. Zo spreekt Jan Laferte in zijn brieven over slecht brandende tabak, taai goed en een slechte kleur van de tabak. Na 1951 wordt er weinig tabak meer door de firma Laferte gekocht. De fabriek wordt dan voor een deel gebruikt als moffelfabriek. Oude fietsen worden hier door middel van moffelen (een nieuwe laklaag aanbrengen) opgeknapt.


Verpakkingsmaterialen

Om de sigaren te kunnen verkopen heeft men naast de tabak ook verpakkingsmaterialen nodig. Men gebruikt naast houten kistjes ook blikken trommels. De houten kistjes worden op de fabriek in elkaar gespijkerd en gelijmd. Het hou voor deze kistjes wordt voornamelijk in Utrecht gekocht. Het is dan al op maat gezaagd. De blikken trommels worden meestal in Groningen gekocht bij Van Kooten aan het Boterdiep. Een enkele keer bestelt men trommels bij de blikfabriek in Hoogeveen. De fraaie etiketten, die op de kisten moeten worden geplakt om de verkoop te bevorderen, komen van de firma Van Gestel en De Verenigde Etikettenfabriek beide uit Eindhoven, Van Jongen en Co uit Heerlen, de firma Smeets uit Weert en Van Arnold uit Amsterdam. Ook worden ze wel in Duitsland besteld.

De sigarenbandjes komen van de Verenigde Etikettenfabriek uit Eindhoven. Vooral bij de aankoop van etiketten valt het op dat de firma Laferte er, in de persoon van Jan Laferte, uitstekend in slaagt om de fabrikanten tegen elkaar uit te spelen en zodoende een lage prijs te bedingen.


Sigarenkistmerk 'Verdi' (collectie: J. Laferte, Assen)


De merken

Uit de beginjaren van de fabriek weten we niet zoveel over de merken van de gebroeders Laferte. Uit oude rekeningen valt af te leiden dat men de merken ‘Lasreal’, ‘Buffalo’, ‘Treffer’, ‘Martha’ en ‘Oranjeknakjes’ dan al gebruikt. Vanaf 1919 weten we precies welke merken er gevoerd worden. Sommige merken zijn maar kort in gebruik, andere gedurende de hele periode van het bestaan van de fabriek. Merken die vanaf het begin in 1904 in gebruik blijven zijn: ‘Treffer’ en ‘Martha’. Andere merken zijn: ‘Pikant’, ‘Drie Noordelijke Provinciën’, ‘Bismarck’, ‘Gabok’, ‘Panatellas’, ‘Ganolijs’, ‘Alisa Gathok’, ‘Elegant’ en ‘Blind Fast’.

De merken die hierboven genoemd zijn werden in sommige gevallen ook door andere fabrikanten gebruikt. Zo voerde de firma Boxma in Assen in dezelfde periode ook het merk ‘Bismarck’. Vanaf 1923 wordt het merk ‘Verdi’ gevoerd. Dit is een merk dat de gebroeders Laferte laten vastleggen in het merkenregister. Dit betekent dat alleen zij dit mogen gebruiken. Er zijn vijf soorten: ‘Royal’, ‘Imperial’, ‘Ideal’, ‘Special’ en ‘Elegant’. Alleen van de merken ‘Verdi’ en ‘’Gomarus’ zijn er sigarenbandjes bekend. Der prijs van de sigaren varieert in de periode 1919 – 1938 van 2,5 cent tot 7 cent per stuk. Dit is de verkoopprijs van de firma Laferte. Voor de winkelier/ verkoper is dit de inkoopprijs.

Na de oorlog heeft de firma Laferte nog een tijdlang het merk ‘Gomarus’ gevoerd dat men koopt uit een failliete boedel. Zowel de etiketten als kistjes, sigarenbandjes e.d. worden gekocht. Tot het einde van 1953 wordt dit merk gebruikt.


De verkoop van sigaren

Men zou verwachten dat de afzet van de sigaren voornamelijk in Assen en in de omgeving van Assen plaatsvindt, vooral omdat in de periode 1900 – 1940 bijna elke plaats van enige omvang in Nederland een eigen sigarenfabriek heeft. Uit de jaren voor 1919 zijn slechts enkele namen bekend van mensen aan wie de firma Laferte sigaren levert. Een kwitantie uit 1910 is gericht aan de heer Jansonides uit Heerenveen. Een kwitantie uit 1912 vermeldt de naam van de heer H. Glas, café ‘De Beurs’ te Leeuwarden. Ook wordt aan sigarenzaken in Assen geleverd. Bij het faillissement van Jan Niklaas Plant, koopman is sigaren, in 1914 heeft deze een schuld bij de firma Laferte van maar liefst fl. 340,-.

Aan de hand van het inventarisboek van de firma Laferte kunnen we precies zien in welk gebied men zijn sigaren afzet. Hierin zijn overzichten opgenomen van de debiteuren van de firma in de periode 1919 – 1940. Ruim 86% van de afzet vindt plaats in Drenthe, 9% in Friesland en 4% in de provincie Groningen. De rest wordt afgezet in Overijssel en Noord-Holland. In Drenthe gaat het ruwweg om 100 adressen waaraan men sigaren levert. In een gebied ten oosten van de lijn Assen, Beilen, Hoogeveen en Coevorden. Ten westen van deze lijn zijn het voornamelijk sigarenfabrieken uit Meppel die leveren. In het noorden beperkt het afzetgebied zich tot de lijn Hoogezand – Ter Apel. In Friesland gaat het voornamelijk om de plaatsen Oosterwolde, Donkerbroek en Haulerwijk.

Naast de concurrentiefactor wordt de omvang van het afzetgebied vooral bepaald door de afstand die men per fiets kan afleggen. Aart Laferte gaat namelijk per fiets langs de cafés, winkels en boerderijen om de sigaren te verkopen. Later doet Jan Laferte jr. dit. De bezoeken worden van tevoren aangekondigd door middel van een keurige briefkaart, waarop datum en tijd van het bezoek is vermeld. De bodedienst levert dan later de bestelde sigaren af. Tijdens deze tochten door de provincie blijft Aart Laterte de hele week weg en slaapt hij onderweg in cafés of bij particulieren. De bestellingen krijgt men veertien dagen ‘op zicht’ en de betalingstermijn is drie maanden. Opvallend is dat veel adressen van 1919 tot 1938 gelijk blijven. Men heeft dus een zeer vaste klantenkring. Uit sommige brieven en nota’s blijkt dat er klanten bij zijn die al meer dan dertig jaar sigaren betrekken van de firma Laferte.

Een voorbeeld van zo’n vaste klant is de familie Van Rossum te Exloo. Drie generaties lang betrekt deze familie sigaren van Laferte. Men spreekt niet over vertegenwoordigers maar van reizigers. De meeste van deze reizigers komen per fiets om de bestellingen later door de bodedienst te laten brengen. Sommigen komen per autobus met daarbovenop hun fiets. Jan Laferte komt altijd op de fiets. Hij komt eens in de 14 dagen in Exloo om een bestelling op te nemen en de vorige af te rekenen. In de loop van de tijd wordt het een traditie dat Jan Laferte bij de familie van Rossum blijft eten. Hij komt dan tegen de middag of tegen de avond. Als het tijd is om te eten en Laferte is er nog niet dan wacht men met het eten en in uitzonderlijke gevallen wordt er voor hem ‘een prakje’ warm gehouden of een uitsmijter gebakken.

Men herinnert zich Jan Laferte als een welbespraakt, goed en humaan mens. Hij heeft een ruime visie op maatschappelijke omstandigheden en het wereldgebeuren. In politiek is hij zeer geïnteresseerd, probeert zijn idealen uit te dragen en gaat geen enkele discussie uit de weg. Ondanks grote verschillen in politiek opzicht, weet hij altijd de goede harmonie te bewaren. Vaak blijft hij tot laat in de avond om na lange discussies de terugreis naar Assen te aanvaarden. Zijn laatste groet is altijd ‘Hou je haaks’. Hij wordt door de familie van Rossum nagekeken, als hij in de winter, met koude en sneeuw, nog 30 kilometer heeft te gaan.


Sigarenkistmerk 'Martha'. (collectie J. Laferte, Assen)


De sigarenmakers

In tegenstelling tot het landelijke beeld is het sigarenmaken in Assen in de twintigste eeuw voor een groot deel handwerk. Bij het werken met vormen, zoals dat bij de firma Laferte gewoonte is, worden de bosjes eerst in sigarenplanken geperst zodat er een model aanzit. Na het persen wordt de sigaar afgewerkt met het dekblad.

Het aantal sigarenmakers bij de gebroeders Laferte is in de periode 1910 – 1920 zo’n 10 á 20. Dit blijkt uit verhalen van mensen die in die periode in de werkplaats geweest zijn. Ook valt dit af te leiden uit statistieken van het vakbondsblad ‘De Sigarenmaker’. Dit blad geeft op 22 juni 1912 aan dat bij Laferte 13 sigarenmakers werken. Bovendien vinden we in deze periode in het inventarisatieboek een vermelding van twintig zitkisten. Onder welke voorwaarden er gewerkt wordt kunnen we afleiden uit een aantal bewaard gebleven arbeidscontracten. Dit zijn handgeschreven contracten. De werkdagen zijn van maandag tot en met zaterdag. Er wordt gewerkt van ’s morgens 7 uur tot ’s avonds 7 uur. Van 12 tot 13.30 is er middagpauze.

Op zaterdag werkt men van 7 uur tot 5 uur ’s middags. Totaal wordt er dus in 1909 61 uur per week gewerkt. De uitbetaling vindt plaats op zaterdag om 5 uur. Verlofdagen zijn er niet en bij ziekte krijgt men niet uitbetaald. Vergoedingen voor de feestdagen worden aan de patroons overgelaten. De opzegtermijn voor beide partijen is acht dagen. Wat men in 1909 verdient is niet bekend. Volgens arbeidscontracten uit 1911 wordt er een standaardloon uitbetaald. Als dit het loon is dat de bond als standaard beschouwt gaat het om ongeveer fl. 10,/ per week.

In de maanden juni en juli van 1911 is er bij de firma gebroeders Laferte sprake van een arbeidsconflict. De patroons willen te weinig merken verhogen. Dat wil zeggen er worden slechts twee merken verhoogd waarvan de ene  met tien cent per duizend sigaren en het andere met vijf cent per duizend. Dit is aanleiding voor Eichelsheim, de grote man van de sigarenmakersbond, om op 6 juni 1911, naar Assen te komen om met de werklieden te spreken. Er blijken dan twee mensen ontslagen te zijn wegens opmerkingen op het werk. Op 29 juli heeft er weer een gesprek plaats maar ‘De Sigarenmaker’, het vakbondsblad, meldt dat de situatie niet verandert. Uit het jaarverslag van de tabaksbond lezen we dat de twee, na bemiddeling door de bond, weer aan het werk gaan.

Op 2 december 1911 wordt bij de gebroeders Laferte één merk verhoogd tot fl. 3,75 als gevolg van de eerder gevoerde loonacties. Verder zijn er twee merken verhoogd met vijf cent per duizend en drie merken met tien cent per duizend.  
Van andere arbeidsconflicten, behalve het collectieve conflict in 1916 waar alle fabriekanten in Assen bij betrokken zijn, is ons bij de firma niets gebleken. Het feit dat de gebroeders Laferte zelf als leden van de bond ooit als sigarenmaker bij een ‘slechte baas’ gewerkt hebben, speelt hierbij zeker een rol.
Van de lonen, die de sigarenmakers bij de fabriek van Laferte verdienen, is weinig bekend.

Van de verdiensten van de gebroeders zelf weten we iets meer. Zo verdienen ze in 1914 fl. 650,- per jaar. In 1916 is dit fl. 750-,  in 1918 fl. 850,- en in 1920 fl. 2000,-. In 1928 verdienen de gebroeders Laferte elk fl. 1560,- per jaar dat wil zeggen fl. 30,- per week. In het begin van de dertiger jaren is dit bedrag vrij constant dus ongeveer fl. 30,- per week. In het midden van de jaren ’30 verdient een sigarenmaker fl. 19,40 per week. De enige overgebleven eigenaar Jan Laferte verdient dan fl. 22,- per week.

In de jaren dertig is er sprake van sigarenmakers die onregelmatig in dienst zijn voor een bepaalde periode. Soms voor een paar weken,  dan weer voor een half jaar. J. van Enck en C. Visser zijn degenen die tot na de oorlog af en toe bij Laferte blijven werken. In juli 1948 wordt voor de laatste maal melding gemaakt van de uitbetaling van loon aan C. Visser. Hij ontvangt dan fl. 12,- per week.


Sigarenplank firma Laferte met schaar en mesje. (collectie: J. Laferte, Assen)


De bedrijfsvoering en de bedrijfsresultaten

Zoals al eerder vermeld heeft men bij het starten van een sigarenfabriek weinig kapitaal nodig. Er is tot 1920 geen sprake van mechanisering. Een bedrijfsruimte is snel te vinden. Vaak vormt die de belangrijkste investering voor een sigarenfabrikant. Ook voor de gebroeders Laferte geldt dat men weinig kapitaal heeft vastliggen in deze zaken. Men koopt tabak in bij tabakshandelaren waardoor men de inkopen kan spreiden over het jaar. Tabaksveilingen worden namelijk maar enkele keren per jaar gehouden. In de tabaksvoorraden ligt dus geen groot bedrag vast. Een nadeel hiervan is echter dat men een relatief hoge prijs moet betalen voor tabak. Ook de kwaliteit van tabak is bij deze wijze van kopen sterk verschillend. Hierdoor kan men zich alleen richten op de middelmatige sigaar.

De productie van de sigaren is over het hele jaar gespreid. Alleen in september en oktober moet men meer produceren, omdat de winkeliers in december veel sigaren verkopen in verband met de feestdagen. Men levert aan klanten een betalingstermijn van drie maanden wat inhoudt dat men veel geld onder de klanten heeft zitten. De debiteuren nemen dan ook bij de gebroeders Laferte een belangrijke plaats in op de jaaroverzichten.

De winst van het bedrijf bedraagt in 1928 bijna fl. 4000,- en loopt terug tot fl. 470,14 in 1938. Voor 1928 wordt er geen winst bekend maar uit de cijfers kunnen we afleiden dat die van 1920 tot 1928 zo’n fl. 4000,- tot fl. 6000,- per jaar bedraagt. Bij deze winstcijfers valt echter wel een kanttekening te plaatsen als we kijken naar het inkomen van de gebroeders Laferte. Een kleine sigarenfabriek verdient in bijvoorbeeld 1928 ongeveer fl. 3000,- per jaar. De gebroeders Laferte verdienen dan fl. 1560,- per jaar. Als we nu driemaal fl. 1440,- van de winst aftrekken blijkt er in feite gaan winst gemaakt te worden. Men stopt elk jaar een deel van z’n inkomen in de fabriek om het vermogen op peil te houden. Er is dus sprake van een marginaal bestaan voor deze Asser sigarenfabrikanten. Ook het eigen vermogen van het bedrijf neemt in de loop van de tijd sterk af. Het is in 1921 nog fl. 26800,-. In 1938 is dit teruggelopen tot fl. 8721,-.

Oorzaken voor de achteruitgang zijn: de sterk gestegen loonkosten na de Eerste Wereldoorlog; de invoering van accijns op sigaren (12,5% in het begin van de jaren dertig); geen mechanisering of schaalvergroting van het bedrijf; het uittreden van de twee broers in het begin van de jaren 30 en een publiek dat minder en goedkopere sigaren rookt.

Uiteindelijk doet de distributieperiode van 1941 tot 1951 het bedrijf definitief de das om. In die periode is er nauwelijks tabak om sigaren van te maken. De achteruitgang kondigt zich al in het begin van de jaren dertig aan. Blijkbaar heeft Jan Laferte dit zien aankomen. Hij begint in 1936 een groothandel in tabakswaren. Nadat de fabriek in het begin van de jaren ’50 stil komt te liggen richt zijn zoon Jan zich helemaal op deze groothandel.


Bronvermelding:


'In rook opgegaan'. De geschiedenis van ruim honderd jaar Asser tabaksindustrie en -handel. M.H.D. Hiemink en P.H. Sprik.
Dit zeer informatieve boekje is te bestellen onder ISBN 90-800868-2-7


Naar boven


© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl