In en om Assen





Assen zonder paleizen


Bronvermelding:
Assen Anno, het boek bij de film. Een verhaal van Ab Drijver


Lange Jammer en Lombok

Ik woonde als kind aan het Kanaal bij de sluis. Achter de wal in de richting van de Stegeweg (nu Sluistraat) stond een rij huisjes. Dat was de Lange Jammer en daar woonden we. Vader had tbc en kon niet werken. Moeder stopte meelzakken voor Benus die in het pakhuis aan de Vaart zat. Het was omstreeks 1912 en ik weet nog goed dat ik vaak naar de stad ging om voor dubbeltje oud brood te halen bij bakker Nauta die op het pompleintje woonde. Met een schort vol brood kwam ik dan thuis en dan hadden we weer te eten. Bij de kolk stond Herman Mossel, een zwerver die soms een klein kereltje bij zich had. Dat was kleine Ko en ik was doodsbang voor die twee. Ze waren helemaal niet gevaarlijk. Het waren stumpers die in het logement bij de Kattegang (Groningerdwarstraat) sliepen. Maar mijn broers maakten me bang en ik weet nog goed dat ik een keer zonder brood thuis kwam.

Ik haalde ook vaak een pannetje nat dat overbleef als de slagers worst maakten. Dan liep ik naar Barkhof of Blauw in de Singelstraat. In de Lange Jammer woonde een vrouw die Zwarte Jante werd genoemd en die later in ‘Bartje’ van Anne de Vries is beschreven. We keken vanuit ons huis uit op de Sluisstraatschool en konden op de klok in de gevel zien hoe laat het was. In de sluiswachterwoning die er nu ook nog staat was een winkeltje waar je snoep kon kopen. Maar geld hadden we nooit. Van kleermaker Jacob Houtman in de Alteveerstraat kregen wij soms een pannetje soep. Assen was een stad voor rijke lui. Mooie huizen die je nu nog ziet aan het Van der Feltzpark en de Nassaulaan. Maar voor mensen zoals wij was Assen onherbergzaam. Toen vader stierf bleef moeder achter met zes kinderen. Hulp kreeg je toen niet maar aan de Gedempte Singel woonde vrouw Blok, een Jodenvrouwtje dat medelijden had met moeder.


"...Wij kregen een woning toegewezen aan de Melkweg die een stuk beter was dan de huisjes aan de Lange Jammer..."


Het Tranendal

Ze gaf haar een kistje met veters en knopen en daar ging moeder ’s avonds mee langs de huizen. Ze deed dat alleen als het donker was omdat ze zich er voor schaamde. In die tijd werden ‘over het spoor’ aan de Melkweg huizen gebouwd. Wij kregen zo’n woning toegewezen die een stuk beter was dan de huisjes aan de Lange Jammer. We waren gewend aan één kamertje met twee bedsteden en een achterhuis. De Melkweg heet nu Tuinstraat en de huizen waar wij woonden zijn al weer afgebroken. Ze stonden in de volksmond bekend als het Tranendal. Ook daar woonden de armste mensen en daar heb ik veel ellende beleefd. Ik ging naar de Aardscheveldschool, die stond tussen de Oosterparallelweg en het terrein van de spoorwegen. Als we in school zaten zagen we de treinen rijden en als een locomotief rangeerde kon je de meester niet verstaan.

Op die school zaten in 1919 veel kinderen uit de nieuwbouw in Assen-Oost. In die jaren werden het rode, het blauwe en het witte dorp gebouwd. Een behoorlijk aantal mensen in Assen woonde rond de eeuwwisseling nog in hutten en barakken. Op het Aardscheveld was het bekende gebied Lombok waar plaggenhutten stonden. Houten keten stonden ook in de buurt van het Lodewijk Napoleonplein en op de plek waar nu de Adventskerk staat op het terrein van Licht en Kracht. ’s Zomers en in de herfst trokken de gezinnen naar de boeren in de omgeving en naar de veenkoloniën om op het land te werken. De kinderen kregen dan landbouwverlof en je zag ze wekenlang niet op school. ’s Winters leefden die mensen in de grootste armoede. Dan zag je de kinderen hout sprokkelen en pannetjes met eten halen bij het Leger de Heils. Ook werd er vaak clandestien turf gegraven.

Als je over de Dennenweg gaat, in de richting van Van Boeyenoord dan kom je langs de gebouwen van Licht en Kracht. Vroeger ging je daar linksaf via de Akkerweg en dan kwam je op Lombok. Die Akkerweg werd ook wel de bokkestreek genoemd. Lombok was een deel van het Aardscheveld waar in het midden van de vorige eeuw een ketendorp was ontstaan. Daar woonden mensen die aan de zelfkant van de samenleving waren geboren of aan lager wal waren geraakt. Ze groeven een gat in de grond en van plaggen en stro maakten ze een hut die later werd verstevigd met planken. Ik herinner me de laatste bewoonster van Lombok nog goed. Dat was opoe Eisen die in de volksmond Aoltie Zundag werd genoemd. Een vrouwtje dat altijd een mutsje droeg en in een hut woonde met een houten geveltje. Ze had ook een hut met een stenen gevel gehad maar die was afgebrand.


"...Een andere bekende stroper was Hein van Houten die aan de rand van Lombok woonde..."


Het volk van Lombok was niet vies van een borrel

Ik ben als kind in haar huisje geweest. De vloer was van geel zand. Haar man, Aoldert (Zundag) Eisen, leefde toen al niet meer. In zijn familie kwam de naam Zondag voor en daarom werden ze waarschijnlijk zo genoemd. Maar volgens een verhaal kwam dat ook omdat Aoldert vaak zei: “Ik wol dat het alle dagen zundag was en eten en drinken mien ambacht was”. Uit de verhalen die in die tijd verteld werden kon je opmaken hoe het vroeger op Lombok moet zijn geweest. Een heel bekende figuur was Karst Philips die door iedereen Kas de Streuper werd genoemd. Hij had een kostganger die hem hielp om zijn jachtbuit aan de man te brengen Dat was Jacob Kemfert die Job Keinver werd genoemd. Hij was in Drouwen geboren en verdiende de kost als rondtrekkend muzikant. In de buurt van Rolde heeft hij een tijd in een holwoning gewoond.

Maar Job kwam dus in de kost bij Karst en Aofien en betaalde daarvoor 15 stuivers kostgeld en een fles petroleum. Hij leefde rond de eeuwwisseling met zijn vrouw Aofien in een hut. Kas was een man die het veld als zijn eigendom beschouwde en zich niets aantrok van de wet. Hij stroopte en kwam daardoor met de rechter in aanraking. Over hem is in 1915 het boekje: ‘Kars de broodjager en zijn vrinden’ verschenen. Meester Kroeze, die les gaf aan de Aardscheveldseschool, las daar vaak uit voor. Kas kond adders bezweren en hij wist een middeltje om wratten te laten verdwijnen. Een andere bekende stroper was Hein van Houten die aan de rand van Lombok woonde in het Aardscheveld. En op de bokkestreek woonde Wieger Rosee, de vader van Jan en Johan. Sommige families waren eekschillers.

Ze trokken in het voorjaar naar de bossen om eikenschors te pellen. Dat verkochten ze aan leerlooierijen die er run uithaalden dat bij de bereiding van het leer werk gebruikt. Je had ook stoelenmatters en bezembinders. Vrouwen vlochten mandjes van twijgen, die langs de deuren werden verkocht. In Lombok was rond de eeuwwisseling ook een cafeetje in een hut. Dat werd gedreven door Pieter Philips en Jacobje Dekker die bekend stonden als Peter en Jobkien. Het volk van Lombok was niet vies van een borrel en er waren nogal wat mensen verslaafd aan de drank. In sommige hutten was het een janboel maar er waren ook hele nette huishoudens bij waar je bij wijze van spreken van de vloer kon eten. De mensen van Lombok en het volk dat in de keten en bijvoorbeeld in de Lange Jammer woonde werd als het uitschot van de maatschappij beschouwd.

Het waren ook niet allemaal brave broeders, maar de armoede was daar voornamelijk de oorzaak van. Als je de kost moet verdienen met stropen of met het binden van heidebezems dan heb je het niet breed. In 1901 werd de Woningwet van kracht en toen mochten de hutten en barakken officieel niet meer bewoond worden. Toen begon men in Assen goedkope volkswoningen te bouwen. Dat gebeurde vooral in Assen-Oost maar het heeft nog jaren geduurd voor de laatste hut kon worden afgebroken. Doordat de bevolking in dat deel van Assen groeide moesten bij de Aardscheveldseschool noodlokalen worden geplaatst. Omstreeks de jaren derig is de school afgebroken omdat de NS het terrein nodig had. Aan de Rodeweg is toen een nieuwe school in gebruik genomen.






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl