In en om Assen





Lévi Weemoedt


Lévi Weemoedt met hond Edzo


Biografie Lévi Weemoedt


Info op epibreren.com

Lévi Weemoedt, een van de weinige auteurs die te Assen huist, werd geboren op een sproeierige regendag op die deprimerende 22ste oktober 1948 te Vlaardingen. Hij bleef er tot 1992 wonen en werken alvorens naar Drenthe te verkassen. Weemoedt debuteerde in 1977 met de bundel Geduldig lijden (Erven Thomas Rap, Baarn) en verkreeg middels een interview in 1985 een fictieve literaire prijs van een niet bestaande uitgeverij. Zijn bundel Van Harte Beterschap (Bert Bakker, 1982) beleefde vele herdrukken. Met Hans Dorrestijn trad hij jarenlang op met literair-muzikale programma's,


Bibliografie

  • Geduldig lijden (1977)
  • Geen bloemen (1978)
  • Bedroefd maar dankbaar (1980)
  • Zand erover (1981)
  • Van harte beterschap: Kleine trilogie der treurigheid (1982)
  • Een treurige afdronk (1983)
  • Daar komt de bruid... (1985)
  • De ziekte van Lodesteijn (1986)
  • Liedjes van welzijn, volksgezondheid & cultuur (1987)
  • Liefdewerk oud papier (1987)
  • Acte van verlating (1988)
  • De nadagen van Lodesteijn (1990)
  • Halte tranendal (1991)
  • Ken uw klassieken! (1992)
  • Overal wat (1995)
  • Zondagskind (1996)
  • Ons soort mensen (1999)
  • Rijk verleden (1999)
  • Vanaf de dag dat ik mensen zag (2007)


Terugblik in een glas jenever

'k Had een sprookjeshuwelijk
    achteraf beschouwd

maar ik was alleen
    met de heks getrouwd.


Dies Natalis

Geen champagne bruiste. De kanonnen zwegen,
het uur dat ik ter wereld kwam.
Uit de hemel sproeide een zerkgrijze regen
over Vlaardingen. En geen mens vernam

iets van Wijzen, die dag, die, op kameel gestegen,
onderweg waren vanuit Rotterdam.


Naamloos

De hond ligt zachtjes snikkend in zijn mand;
droef peinst zijn baasje bij een glas genever.
Er hangen duizend boeken aan de wand:
’t Geluk was hier bepaald geen gulle gever.

Op straat waaien geluiden van een feest:
een schrille lach; er valt een glas aan scherven.
Maar binnen zingt het wenen van het beest
en zit zijn baas al uren te versterven.

Ik wed nu dat geen sterveling ooit raadt
wie nu die twee zo bitter treuren laat.

Maar stuur toch in: wat aanspraak doet ons goed.
Wij zien uw brief vol wanhoop tegemoet.


Info op poezie-leestafel.info.

Recensie over de bundel "Vanaf de dag dat ik mensen zag" Artikel van Thierry Deleu

Een bundel Weemoedt of hoe humor en droefheid hand in hand gaan

Van Lévi Weemoedt verscheen bij Nijgh & Van Ditmar zijn Verzamelde gedichten, met de heel mooie titel Vanaf de dag dat ik mensen zag.
Lévi Weemoedt is het pseudoniem van Isaäck Jacobus van Wijk (°1948).

Hij schrijft tragikomische korte verhalen en dito gedichten die veelal in en rondom Vlaardingen spelen. Weemoedt debuteerde in 1977 met de bundel Geduldig Lijden.
Vanaf de dag dat ik mensen zag bevat een 250-tal verzamelde gedichten, waarbij de dichter zoveel mogelijk de simpele, beproefde chronologie heeft gevolgd. Hij heeft geput uit Geduldig Lijden (1977), Geen Bloemen (1978), Zand Erover (1981), Liedjes van Welzijn, Volksgezondheid & Cultuur (1987+1992-), Ken uw klassieken! (1992) en Rijk Verleden (1999). Zo’n veertig versjes verschijnen voor het eerst in druk.



Eerste vaststelling: voor wie er een beetje gevoel voor heeft, zijn de gedichten uitstekend om te lezen. Weemoedt heeft een eigen stijl, die af en toe herinnert aan die van Piet Paaltjens.
In zijn gedichten overheerst de melancholie. Of de degradatie van de liefde en de wil tot leven. Nooit barst hij uit in hartverscheurend snikken. Grappen maken en stilletjes huilen als een zachtmoedige man die ook schrijft. Verzet ligt niet zijn aard. Wel een hartverwarmende neerslachtigheid. Weemoedt “kwispelt niet, omdat hij treurig is en bang van mensen.” In zijn humor lijkt hij wel “een geslagen hond” die afdruipt.

Het verlangen naar “een andere werkelijkheid”

Zijn steeds kortere gedichten - grappige woordjes in een volgeschreven dichtersdoosje - zijn niet alleen stijlkenmerkend, ze wijzen ook op een uitgebluste Weemoedt. De mens Weemoedt wil af van zijn weemoedig schrijven, hij wil “de andere werkelijkheid” beleven waar hij al die jaren “niets van verwachtte”.

Hij is het moe van jammeren en klagen. Het biedt hem weinig uitzicht op verandering. Weemoedt schrijft kort omdat hij af wil van “die lulligheid” en niet wil veinzen of de droefheid kunstmatig in leven houden. De dichter is eenzaam, zijn poëzie wordt echter met de tijd korter en korter, hij publiceert ook minder frequent, het lijkt wel of hij zich wil terugtrekken uit een bestaan dat niet leefbaar lijkt. Zijn weemoed draagt de kenmerken van een twijfelende ziel: enerzijds wil hij er van af en anderzijds koestert hij haar, wanneer ze hem kracht geeft om te overleven. Hij zoekt de laatste jaren meer een uitweg in zijn verhalen dan in de poëzie.

Weemoedt is niet de meest vrolijke man. Hij is zich hiervan goed bewust, vandaar de afleidingsmanoeuvres en de humor in zijn poëzie. Zijn korte gedichtjes geven mij de indruk dat zijn poëtisch verhaal uitgezongen geraakt. Droefheid zonder humor kan bij Weemoedt niet, deze twee gevoelens zijn bij hem onafscheidelijk, als tweelingen, hij is zo gebekt. Humor en droefheid zijn bij hem niet alleen gelijkwaardig, maar ook gelijkend: ze vloeien in elkaar over als water dat zijn bedding binnenstroomt. In het beschrijven van zijn droefheid zit veel opluchting. Het is zijn wijze van overleven.

Het lijkt eenvoudig

Gedichten schrijven lijkt bij Weemoedt eenvoudig, maar dit is het niet. “Eenmaal de eerste regel gezet, maak ik het gedicht ambachtelijk af. Het einde blijft echter altijd een probleem,” zegt hij in een interview met de VPRO (De Avonden, 30 januari 2007) naar aanleiding van zijn verzamelbundel. Weemoedt lijkt verbaasd over het volume [ervan], maar toch vooral over zijn succes. “Ik dacht: het wordt niets. Ik ben niet zo’n dichter. Ik zit in het randgebied tussen poëzie en iets anders. Ik schrijf gedichtjes die niet dezelfde zwaarte hebben als die van Gerrit Achterberg.”

Weemoedt plaatste zijn “Tips voor Alleenstaanden” vooraan in de bundel. Een bewuste keuze. Deze vier gedichten zijn actueel en zetten de toon, een lichte toon die opklinkt uit een inktzwart hoofd. Ze zijn helder en laten de lezer toe vanuit de duisternis naar het licht te wandelen. Dat is precies wat Weemoedt de laatste jaren ook probeert!




Info op volkskrant.nl; 15 januari 2009. Artikel van Karin Sitalsing

Bruisend Assen

Er is iets aan de hand in Assen: er komt leven in. Assen is de snelst groeiende stad in het Noorden, geprezen om zijn nuchtere en bescheiden inslag. ‘Misschien mogen we onszelf wel wat vaker op de borst kloppen.’ Door Karin Sitalsing
Hij zat er best even over in, Lévi Weemoedt. De schrijver was dan wel naar Assen verhuisd, maar zou hij zich er ooit thuis gaan voelen?

Het ging al snel beter. ‘Toen ik er een tijdje tussen woonde, merkte ik dat Assenaren in al hun nuchterheid nog een onderscheid bewaarden dat in het westen kennelijk verloren was gegaan’, schrijft hij in zijn Oratio pro Assen. De Assenaren hadden een scherper oog voor het verschil tussen levenden en doden, merkte de schrijver op, waarschijnlijk omdat ze zo gewend waren aan dode dingen in het landschap – ‘hunebedden, veenlijken, Emmen’. ‘Wie door hun stad liep, bewoog en praatte, die leefde. Punt.’

Weinigen begrepen Weemoedts verhuizing. Steeds weer moest hij zijn keus verdedigen, zegt hij nu. ‘Boos kun je worden als een stadzijn pretenties niet waarmaakt. Maar Assen doet niet aan grootspraak. Ik vind het flauw om de stad daarop af te rekenen. Het grootste kenmerk van Assen is zijn kenmerkloosheid. Ach, dat past eigenlijk wel bij me.’
En trouwens, wat is er eigenlijk mis met provinciesteden? ‘Films, boeken, songs – je moet eens turven hoeveel er niet gaan over lege, ingeslapen voorsteden. De hele Franse cinema is er groot mee geworden.

Ach, de mythe dat het volle leven zich in Amsterdam afspeelt, heb ik nooit geloofd. Stel je eens voor dat alles dynamisch was. Dan zou er niets meer zijn om over te schrijven.’
En de Assenaren zijn best oké, zo lang ze tenminste niet in de hulpverlening werken, zegt Weemoedt. ‘Die nuchterheid, dat pretentieloze, zie je ook bij de inwoners. Geen dikke nek, beide voeten op de grond. Visite uit de Randstad schrikt vaak van de vriendelijkheid. Groepjes jeugd op straat groeten je netjes. In het westen ben je echt niet blij als ze met zijn tienen op je af komen. Hier in Assen verandert dat natuurlijk ook. Het gaat alleen wat langzamer.’

Dineke van As wil niets horen over ingeslapenheid. De stad bruist, benadrukt de scheidende burgemeester. Hoe belandt Assen anders als achtste op de lijst van economisch aantrekkelijke steden in Nederland? En waarom groeit Assen het snelst van het hele Noorden? Waarom kiezen Noorderlingen voor Assen – omdat het er nog goed wonen en gemakkelijk parkeren is?
Misschien is Assen wel te bescheiden en komt de stad daarom weinig in het nieuws, denkt de burgemeester. ‘We hebben hier geen grote problemen.

Geen achterstanden, geen verpaupering. Als we zoiets zien aankomen, dan pakken we het aan. En wat goed gaat, komt niet in het nieuws. Misschien mogen we onszelf wel wat vaker op de borst kloppen.’
Assen wil nadrukkelijk niet concurreren met Groningen, vertelt Van As. Die stad – universiteit, veel studenten, een rijk cultureel leven, groot winkelhart – is een handige acquisitiefactor: Groningen ligt vlakbij, dus kan Assen zichzelf blijven. ‘Voor ons vestigingsklimaat is het heel prettig dat we de universiteit en het academisch ziekenhuis zo dichtbij hebben. Zo maken we goed gebruik van elkaars mogelijkheden.’

De burger meer betrekken bij de besluitvorming? Assen doet het al jaren. Met het project Assen koerst worden de inwoners elke twee jaar opgeroepen hun mening te geven over heden en toekomst van de stad. Dat ze nu ook hun voorkeur mogen aangeven voor een nieuwe burgemeester, lag in de lijn der verwachtingen. Groei van het inwonertal, van nu 63 duizend naar 80 duizend, is prima, maar 100 duizend inwoners zien de Assenaren niet zitten, zegt de ondernemer Nico Vanderveen. ‘Dat kwam een tijdje geleden uit een enquête. En dat is de grap van Assen. We zijn een provinciehoofdstad, maar de bewoners willen niet dat de stad te groot wordt. Hij moet wel overzichtelijk blijven en de menselijke maat niet verliezen.’

Wie in zijn warenhuis komt, reageert vaak verbaasd, vertelt hij. ‘Assen verrast. Er gebeurt hier best wel wat. De TT, het grootste sportevenement van Nederland, wordt hier gehouden. In mei is er een groot straattheaterfestival dat een soort Oerol of Noorderzon moet worden. De sinterklaasintocht is misschien wel een van de grootste van Nederland: 350 pieten en een rijdende pepernotenfabriek.’

Begin deze maand daagde Vanderveen oud-Assenaar Marcel Möring uit om bij hem in de zaak – een warenhuis ‘zo groot als de Amsterdamse Bijenkorf, en dat in Assen’ – zijn meest recente boek Dis te komen signeren. De roman beschrijft Assen als Dantes hellestad, waar ongelovigen en andere zondaars hun boete komen doen. Möring kwam, net als veel lezers – de schrijver werd niet gelyncht. Wel gaat Möring volgende week vrijdag in debat met ‘vooraanstaande Assenaren uit de kunst- en cultuurwereld’. De zaterdag daarna beginnen de Asser Bluesdagen. Activiteiten alom.
‘Assen bruisend?’ Möring lacht erom. ‘Evenementen? Ja, mandenvlechten en klompenmaken zeker. Houd toch op zeg. In Assen gebeurt geen ene reet.’

Hij weet nog goed dat hij op de redactie van de lokale krant werkte. ‘Zat je met drie man te verzinnen waar je de pagina mee moest openen. Uiteindelijk werd het maar weer: Bouw vordert gestaag.’
Maar, zegt Möring (en op dit punt wordt hij vaak niet begrepen): dat is niet erg. ‘Erg is het dat de Assenaren zo op zichzelf neerkijken. De stad is prachtig, maar blijkbaar kun je met bos en heidevelden geen mooie sier maken. Wees toch eens trots op die kwaliteiten, en laat de rest lekker in de smerigheid zitten! Ik zie hier in de Randstad nooit weilanden; seizoenen zijn kalenderfeiten. Het zogenaamde Groene Hart is een verkracht park waar amper een boom staat. Gelukkig hebben we Noord-Nederland nog, denk ik vaak. Daar kun je tenminste nog ruiken wanneer het herfst is.’

Wel schandalig vindt Möring het dat Assen geen theater heeft. Al dertig jaar wordt er gebakkeleid over een Cultureel Kwartier, een prestigieus cultureel centrum met alles erop en eraan. Nu is de kogel door de kerk: het kwartier komt er, maar pas in 2011. En tot die tijd is het bestaande theater De Kolk gesloten, want niet te betalen. ‘Assen, ga je schamen! Een hele generatie jongeren groeit op zonder theater. Dat vind ik dus echt niet kunnen.’

Ook Harry Muskee – misschien beter bekend als Cuby, van The Blizzards – is er verbolgen over. Hij woont al jaren niet meer in Assen, maar is er geboren en getogen en mag zich zelfs één van de drie dragers van de erepenning van de stad noemen. ‘Het is niet goed voor een provincie als de hoofdstad geen theater heeft. Daarvoor moet je dus naar Groningen. Nu is dat vlakbij, maar toch.’ Ook voor het Take Root-festival moet vanaf dit jaar worden uitgeweken naar Groningen – wrang genoeg omdat het te groot werd voor Assen.
Maar Muskee heeft mooie herinneringen aan zijn Assen. ‘Ik heb er een erg leuke jeugd gehad. De stad was toen veel kleiner. Wij waren een van de eerste underground-bands. Moeders hielden hun dochters binnen. Ja ja, dat waren nog eens tijden. Ik groeide op in een wereld die te overzien was.’

Weemoedig merkt hij op dat de plekken uit zijn jeugd zijn verdwenen. ‘Het ziekenhuis waar ik geboren ben, mijn lagere school, de huizen waar ik heb gewoond, het jeugdhonk waar we zijn begonnen. Toen ik geboren werd, had de stad vijftienduizend inwoners. Nu weet ik er soms de weg niet meer. Maar ik kom er nog vaak. De horeca is er behoorlijk op vooruitgegaan. Ach, ’t is maar net wat je zoekt. Vroeger was het niks, nu zijn er twee grote pleinen waar je gezellig kunt zitten, en goede restaurants. Ik houd van het museum, van het Asser bos – en de dikke bomen op de Brink zijn mijn vrienden.’

Muskee woont alweer een tijd in Rolde. ‘Ach, weet je, waar ik ook loop, ik voel me overal thuis. Assen, New York, Boedapest. Maar ik mis de stad op zichzelf niet. De rust van het dorp is heerlijk. Ik loop zo met de honden het bos in.’
Met Lévi Weemoedt is het goed gekomen in Assen. In 1993 al, om precies te zijn – op de dag dat Feyenoord kampioen werd en de trein vol dronken fans het station van Assen binnenrolde, waar Weemoedt juist rondhing, op zoek naar levendigheid en inspiratie.
Een raampje ging open, een jongen perste zijn gezicht erdoorheen en riep naar Weemoedt: ‘Hee boer! Haal es twaalf bier! We hebbe dorst!’

‘Waarom precies weet ik niet’, schrijft Weemoedt in Oratio pro Assen, ‘maar ik was in één klap de gelukkigste man van het kampioenschap! Ik wist niet hoe gauw ik thuis moest komen om het te vertellen en holde weg, een verbaasd blaffende hond achterlatend. Ik had die jongen kunnen zoenen! Hij had de hele restauratie van me kunnen krijgen. Want ik lééfde, ik was een boer, en ik kon nergens anders thuishoren dan in Assen.’



Info op volkskrant.nl; 15 januari 2009. Artikel van Stijn Aerden

Ik ben een soort troubadour

’Ik keek uit mijn wiegje en dacht: mon dieu!/ Ik kom uit een achterstandsmilieu.’ De dichter Lévi Weemoedt selecteerde zelf zijn beste gedichten uit dertig jaar poëzie. ‘Ik ben niet opgeschoten.’

De schrijver loopt door het bos – wandelen is het woord niet, het gaat met een behoorlijk vaartje. De kraag op. Edzo, z’n Drentse patrijshond, holt een eindje voor hem uit. ‘Ongeluk roep je niet over je af’, zegt hij, ‘dat is onzin. Ongeluk overkómt je. Alleen de een wat sneller dan de ander, als je het mij vraagt.’
‘Kijk’, zegt hij en hij haalt een flinke dobbelsteen uit zijn zak, ‘deze draag ik al jaren bij me.’ Hij gooit hem met een boogje voor zich uit op het pad. Een 2. ‘Zie je wel,’ zegt hij.

Voor wie Lévi Weemoedt niet kent, staat er achter op zijn bundel Verzamelde gedichten een aardige introductie: ‘k Zie zo vaak verliefde paartjes/ even stilstaan voor mijn huis:/ ‘Daar woont Weemoedt,’ wijst de jongen./ ‘En het meisje slaat een kruis.
Dertig jaar poëzie, door hemzelf gekozen. ‘Een verzameld leven’ noemt hij het in zijn verantwoording, en de uitgever had er misschien nog een klein advies aan kunnen toevoegen: ‘Niet lezen voor het slapen gaan. Het zijn vrolijke, soms zelfs hilarische gedichten, maar met een sonore ondertoon, een knagend doodsverlangen dat onder de huid kruipt en slecht is voor de nachtrust. En doet u het toch, dan zeker niet meer dan vijf achter elkaar.’

Ik keek uit mijn wiegje en dacht: mon dieu!/ Ik kom uit een achterstandsmilieu. Voor Lévi Weemoedt (Izaäk van Wijk) stond dat wiegje 58 jaar geleden in Vlaardingen, in de Rijnmond, tegen het decor van walmende fabriekspijpen. Rook in alle kleuren. Vader werkte op een olieoverslagbedrijf, onder andere, hij was een man van veel ambachten; moeder liep met de neus op haar schoenen door het huis, plukte stofjes uit het tapijt; en zijn vier jaar oudere halfzus zat achter een boek.

De kleine ‘Ies’ zelf was meestal gevlogen. Die stond in de kamer bij zijn tante, op een steenworp afstand, en keek vanachter de ruit naar zijn eigen huis. Hij zag er zijn vader terugkomen van zijn werk, moeder af en toe de deur van de keuken openmaken en de stofdoek uitslaan. ‘Zo raar en triest’, zegt hij, ‘om de mensen gade slaan waar je eigenlijk bij hoort.’
Sfeergevoeligheid, daar hielden ze het maar op. Het kind was sfeergevoelig. Het huwelijk tussen zijn ouders was niet bepaald optimaal, en bij zijn tante kon hij altijd terecht. Een levendig gezin, vijf kinderen – hij kroop erbij als onder een oude theemuts.
‘k Was dertien als de eerste grijze haren/ door ‘t korte kuifje braken: moeder in paniek!

Zo begint het gedicht Kraantje lek. Over een jongetje dat met blokken speelt om zijn ouders niet te verontrusten, maar dat eigenlijk het leed van de wereld al op de schouders torst. Uit het pijpje van mijn broek rolde een stille traan - zo eindigt het. En overdrijven is ook een vak. Want wie met het Groen van Prinstererlyceum uit Vlaardingen, lichting 1966/1967, een aflevering van Klasgenoten zou opnemen, zou op grote verbazing stuiten. Izaäk somber? Izaäk van Wijk? Die grappige, vlotte, sportieve jongen?
‘Nou ja’, relativeert hij zelf. ‘Als je een paar boekjes hebt geschreven, denken mensen onmiddellijk dat je succes hebt. En die middelbare schooltijd vónd ik ook wel leuk hoor. Die had wel iets geborgens.’

Bij de Vlaardingse Voetbalvereniging Zwaluwen speelde hij, als de nummer 10, de sterren van de hemel. Zo virtuoos zelfs dat er op zijn 12de een scout aan de deur kwam: of de kleine spelverdeler niet op een voetbalinternaat wilde? Vader dacht van niet. Die jongen moest zijn hersens gaan gebruiken. Die moest naar Nyenrode.
Je speelde weer op veel te hoge noppen/ voor zo’n hard veld./ De vorst zat in de grond./De bal vloog als een kogel in het rond:/ je bad maar dat je niet hoefde te koppen. Nu was onze Roel Dijkstra inderdaad wel uit een wat ander hout gesneden dan zijn teamgenootjes.

Als er in de kantine ’s middags limonade werd gedronken op de goeie afloop, werd zijn blik getrokken door de vrouwen die daar uren en uren op hun man zaten te wachten. ‘How to get over lonely people’, citeerde hij The Beatles op de fiets terug naar huis. En zijn vriendinnetje, achterop, schudde bezorgd het hoofd. Wat bezielde die jongen toch?
In het clubblad De Zwaluw schreef hij zijn eerste gedichtjes. Niet onder de naam Izaäk van Wijk – hij keek wel uit. Een jongen dicht niet. Hij koos een pseudoniem, op klank: Lévi Weemoedt.

Het werd geen Nyenrode – sorry pap. Na een studententijd in Leiden, die hij vooral achter het raam van zijn armoedige studentenflat doorbracht; kijkend naar het leven buiten, keerde hij terug naar Vlaardingen. Naar the green green ‘gas’ of home, zoals hij het vrij naar Roger Miller noemde. Hij ging er lesgeven op een middelbare school.
In zijn woonkamer in Assen waar hij alweer een jaar of tien woont, dansen stofdeeltjes in het zonlicht. Ze dwarrelen neer op de piano die duidelijk al veel te lang niet is gebruikt, op de plankenvloer en op de olieverfschilderijen van zijn vrouw Karin. Op de bank liggen de hond en een dikke kat te dutten, de koppen naar elkaar toe.

‘Ik had ambitieuzer moeten zijn’, zegt hij. ‘Maar ik maakte nooit plannen. Waarschijnlijk met het onderliggende gevoel: het wordt toch niks.’
Gemakshalve vergeet hij te noemen dat hij zijn lerarenbaan combineerde met een redacteurschap van het studentenblad Propria Cures, waarvoor hij op en neer naar de hoofdstad spoorde. Dat zijn eerste bundeltje Geduldig Lijden, verschenen in 1977, meteen insloeg als een bom. En dat hij samen met Hans Dorrestijn jarenlang succesvol door het land toerde met Circus Horlepiep. Anderhalf uur inktzwarte teksten. met Dorrestijn achter de piano. Later zelfs met een complete band.

‘Lévi is meer filosofisch-somber, ik ben realistisch-somber’, zei Dorrestijn daarover in de Volkskrant. ‘Dat ging gezellig samen. Het kreeg bódy.’ Realistisch of filosofisch – het was in ieder geval geen pose. De somberheid kwam de heren recht uit het hart. Door samen lol te trappen, holden ze voor de donker golf uit.
Weemoedt: ‘Ik ben dol op de ouwe komiek Spike Milligan – Prins Charles en ik, wij zijn enorme fans. Om zijn zwarte humor. Milligan was de bekendste manisch-depressieve Brit. Op zijn grafsteen staat I Told You I Was ill. Haha. Dat vind ik wel hogere ironie.’

En hogere ironie helpt? ‘Hèm niet meer’, antwoordt Weemoedt dan. ‘Maar, ja, ik denk wel dat ironie helpt. Zolang je de ruimte nog hebt om afstand te nemen, om naar jezelf en naar je situatie te kijken, ben je spekkoper. Dat is ook mijn geluk geweest – geluk tussen aanhalingstekens dan. Dat ik niet werd meegespoeld. Daar zit ook iets van arbeidsethos bij: de mouwen opstropen. Waarmee ik niet meer wil zeggen dat mensen die dat niet lukt, en die kopje ondergaan, tekortschieten. Het is maar wat je kan dragen.’
Meer nog in zijn proza dan in zijn poëzie kregen letterlijke gebeurtenissen uit zijn leven een plek.

In De ziekte van Lodesteijn zijn afscheid van het onderwijs. En in een crisisperiode, twintig jaar gelden, toen zijn vrouw hem had verlaten, hun zoontje op de arm, en er geen geld meer in huis was voor een halfje bruin, letterlijk, schreef hij de novelle Acte van verlating. Niet over de situatie zelf, hoewel die wel wordt aangeraakt, maar over zijn moeder, die op zijn 16de, zonder een woord te zeggen haar koffers pakte en vertrok. ‘Ja, lang zoeken naar de parallel hoeft de lezer niet’, zegt hij. En met een glimlach: ‘Vrouwen gaan altijd bij míj weg.’

Dertig jaar poëzie. Het was een rare ervaring al die gedichten weer langs te zien komen, vertelt hij, om ze weer in de hand te wegen. Krijgen ze wel of niet het Weemoedtkeurmerk? ‘Heel veel is grappig en luchtig en gaat helemaal niet over mezelf. Maar er zitten er ook tussen waarbij ik door de humor de bodem wel kan zien: het gevoel waaruit het is voortgekomen. En dat is wel eens pijnlijk, vooral als je merkt: ik ben niet opgeschoten.
'Ik ben weer even ver als in mijn gedichtjes. Of, nog erger, ze hebben aan geldigheid gewonnen.

Sommige blijken van voorspellende waarde te zijn geweest. ‘De bundel begint met tips voor alleenstaanden: ‘Kom doe als Weemoedt, dans in het rond, de kamer door met kat en hond’.’
Hij werpt een blik op de bank. ‘Nou, daar zijn we weer.’

Vijf jaar geleden overleed Karin, zijn grote liefde en kameraad. De vrouw van wie hij al een keer gescheiden was, met wie hij weer hertrouwde en van wie hij nu twee zoons heeft. ‘De vrouw die mij mogelijk maakte’, zegt hij.
Schrijven doet hij sindsdien nog wel, maar voor zichzelf – meer ‘stamelen’ noemt hij het. Het dichten ligt stil.
In de kamer, boven het buffet, hangt een van haar schilderijen. Weemoedt op een groot podium, van opzij, vanuit de coulissen geschilderd.

Het beeld van die man in de spot, licht gekromd over zijn boek, heeft iets eenzaams.
‘Iedereen heeft zijn ideale publiek’, zegt hij. ‘En ik ben toch een soort troubadour. Al ontken ik dat altijd, dat romantische zit er bij mij wel in. En een troubadour zingt voor een dame – dat stuwt hem voort. Ik vind het natuurlijk geweldig dat mensen me lezen en naar me komen luisteren. Maar degene voor wie ik zong, voor wie ik danste, is er niet meer.’


De Drenten volgens Lévi Weemoedt. Uit de nieuw verschenen bundel "Met enige vertraging".


De tranen van een clown


Bronvermelding:
Een column uit woestenledig d.d. 10 maart 2007


’Welkom! Lévi Weemoedt!”, zegt de man in de deurpost. En daar kort achteraan, bijna binnensmonds: ”Isaäck van Wijk.” Dat heb je er van met die pseudoniemen. Op een gegeven moment weet ook de eigenaar niet meer in welke huid hij zich bevindt. Hoe dan ook: de afspraak was gemaakt met Lévi Weemoedt, schrijver en dichter te Assen. Verantwoordelijk voor de zojuist verschenen bundel verzamelde gedichten Vanaf de dag dat ik mensen zag. Weemoedt dan wel Van Wijk is zichtbaar zenuwachtig. Hij twijfelt tussen het aannemen van een jas, zitten aan tafel, het zetten van koffie en het sluiten van de deur om zijn hond binnen te houden. Een zojuist afgeleverde brief zorgt voor houvast.

”Een mevrouw uit Uden schrijft dat Dies natalis het favoriete gedicht van haar man is. Of ik ter gelegenheid van zijn verjaardag dat gedicht voor hem nog eens wil overschrijven. Kijk, dat vind ik nu leuk! Natuurlijk wil ik dat!” Terstond pakt de dichter een pen. Legt hem weg. Staat op. Loopt heen en weer tussen tafel en deur. Gaat weer zitten. En vertelt dan vol liefde over zijn lezers: ”Mijn publiek bestaat uit mensen die gedichten voor hun plezier lezen. Mensen die niet overal iets achter zoeken, maar willen begrijpen wat ze lezen. Het is geen groot publiek, dat hoeft ook niet. Het is overzichtelijk, we kennen elkaar en we weten wat we aan elkaar hebben. Mijn lezers vormen een dorp.”

Even later klinkt er zorgwekkend gerommel uit de keuken. Weemoedt blijkt in gevecht met een nieuw Senseo–apparaat. ”God o god. Moet er water in het reservoir – weet ik veel. De dichter zet koffie”, foetert hij. Het keukentafereel doet denken aan een van zijn tragikomische verhalen. Daarin wordt ook vaak op leven en dood gestreden met onhandelbare gemaksvoorwerpen. In 1999 verscheen voor het laatst nieuw werk van Lévi Weemoedt. Er moesten twee verzamelbundels aan te pas komen – Een vergeetbaar man (2005) en Vanaf de dag dat ik mensen zag (2007) – om in herinnering te houden dat hij een van de allerleukste schrijvers en dichters in Nederland is. ”Ik heb al die jaren wel geschreven hoor”, verdedigt hij zich. ”Maar het is nog niet rijp voor publicatie. Eigenlijk hou ik helemaal niet van publiceren – die interviews, dat gedoe.”

Weer staat hij op. Ditmaal om op zolder iets belangrijks te laten zien. Hij gaat voor door een gang waar een portretfoto van Bob den Uyl aan de muur hangt, snelt de trap op, langs een kamer vol onduidelijke troep, weer een trap, naar een ruimte vol gevulde boekenkasten. Uit een ladekastje diept Weemoedt een stapel zakboekjes op. ”Dit is het. Hier staat alles in. Al mijn gedichten schrijf ik in deze boekjes. Alles met de hand. Wat in de winkel ligt, is eigenlijk namaak.” Terug in de woonkamer vertelt Weemoedt waarom de afgelopen jaren zo weinig van hem werd vernomen. Over de dood van zijn vrouw wil hij het niet hebben: ”Ik heb niet over haar geschreven. Het is dus niet relevant om daar nu over te praten.” Over zijn depressieve kijk op het leven en de achtergrond van zijn tragikomische verhalen en gedichten wil hij – desgevraagd – wél vertellen.

Vindt u het vervelend dat mensen om uw werk lachen?

”Natuurlijk niet. Literatuur is een luxe. Het hóeft niet serieus genomen te worden. Waar ik voor sta – zeker als ik optreed – is literatuur zonder vervelende momenten van gekuch en pijnlijke stiltes. Maar mensen lachen niet alleen omdat ze iets leuk vinden. Lachen is ook een impuls. Mensen schieten in de lach bij de meest pijnlijke momenten, zonder dat ze het willen.”

In wezen zijn uw verhalen en gedichten in en in triest.

”Wat ik schrijf is niet per se bedoeld om vrolijk van te worden. Het is de weerslag van mijn kijk op het leven. En ik vind het leven niet leuk. ’Hebban olla uogala nestas bigunnan hinase hic enda thu; Alle vogels zijn nesten begonnen, behalve jij en ik.’ Het begint al triest met de geboorte. Daarna wordt het nog veel minder. Ik kan het niet helpen: in ieder begin zie ik de eindigheid. Voortdurend. Als ik door het raam zie hoe de krokussen hun kopjes opsteken, denk ik: waarom gaat bij mij het kopje niet omhoog?” ”Met het schrijven probeer ik van de nood een deugd te maken. Misschien hoop ik, dat als de mensen lachen, dat het leuker wordt. Schrijven is een onmisbaar iets, een afleiding. Het is werken en als iets gelukkig kan maken, dan is het werken. Vooral verhalen schrijven is hard werken. Poëzie niet, dat krijg je altijd weer een beetje cadeau. Als ik niet kon werken, lag ik alleen maar op de bank voor mij uit te staren.” Nooit gedacht: Die verhalen en gedichten kunnen mij gestolen worden, ik ben liever gelukkig? ”Was het maar zo eenvoudig.”

U kunt toch in therapie?

”Hmmm. Het slikken van pillen is niks voor mij, daar ben ik inmiddels achter, dat moet ik niet doen. Voor therapie ben ik niet gevoelig. Ik weet inmiddels te veel van depressies om nog tot nieuwe inzichten te kunnen komen. Weet je dat mijn gedichten in de psychiatrie worden gebruikt? Er bestaat een anekdote over een depressieve man die door een arts wordt aangeraden de poëzie van Lévi Weemoedt te lezen. Zegt die man: Maar ik bén Lévi Weemoedt.” ”Het is gewoon Cruijff: Elk nadeel heb z’n voordeel. Ik ben niet alleen maar apathisch. Ik heb perioden met een vitale depressie waarin ik veel kan doen. Dat depressieve karakter zorgt er ook voor dat ik afstand kan houden tot de waan van de dag, tot de idiotie om mij heen.

Ik doorzie dingen, kan zaken relativeren. Ik hou niet van labels, maar waarom hoor je nooit iemand over de positief–depressieven. Al die mensen die alles maar leuk vinden, dat is pas ongezond.” ”Ik zie het zo: Jij moet niet alleen door het leven heen, het leven moet ook door jou heen. Ik heb mij er bij neergelegd. Het depressieve hoort bij mijn leven. Het is een kwestie van geduldig lijden. Je moet het toch uitzitten. Dat anderen vreemd tegen zo’n houding aankijken, interesseert mij niets. Ik heb schijt aan wat andere mensen denken. Ik ben liever geestelijk onafhankelijk.”

We praten nog wat over zijn jeugd in Vlaardingen, over zijn droom huisarts te worden en zijn werk als docent en coach in gevangenis de Grittenborgh in Hoogeveen. ”De mooiste baan die ik ooit heb gehad.” De ontwikkeling van zijn verhalen en zijn poëzie komt ter sprake. ”Het wordt steeds bondiger en puntiger. Maar mijn thema’s zijn altijd hetzelfde gebleven: liefde, de dood, de zinloosheid.” Literaire roem heeft Weemoedt nooit geïnteresseerd. ”Mijn boekjes verkopen goed, ik mag echt niet klagen. Maar bekendheid zegt mij niks. Ik ben één keer herkend: toen dacht iemand dat ik Youp van ’t Hek was. Ik wil gewoon over straat. Als ik word aangesproken, dan moet het om mijn werk zijn, niet om mijn gezicht.”

Weemoedt trok een tijd met Hans Dorrestijn langs de theaters; twee in ironie en melancholie gedrenkte zielen op tournee. Op een gegeven moment haakte hij af. ”Een kwestie van geaardheid”, zegt hij. ”Ik ben niet geschikt voor grotere zalen. Ik hou van het kleine, het subtiele. Een klaslokaal, of een bibliotheek vullen met wat verhalen, gedichten en liedjes. Dat is mijn dorp. Daar voel ik mij op m’n gemak.” Daarna zet Lévi Weemoedt zich aan het overschrijven van zijn gedicht Dies natalis.


Lévi Weemoedt - Met enige vertraging


Bronvermelding:
Artikel uit Meander / literair e-zine, sinds 1995 d.d. 2 november 2014. Een artikel van Joop Leibbrand



Het etiket ‘zwarte humor

Hoewel Lévi Weemoedt (Isaäk Jacobus van Wijk, 1948) ook een verdienstelijk prozaïst is (o.a. Bedroefd maar dankbaar, De ziekte van Lodesteijn, Acte van verlating) is hij vooral bekend als dichter van pretentieloze, tragikomische verzen vol zelfspot. Hij debuteerde in 1977 met Geduldig Lijden, dat werd gevolgd door Geen Bloemen (1978) en Zand Erover (1981), herdrukt in de Kleine trilogie der treurigheid (1982). Daarna verschenen naast enkele kleine bibliofiele bundels Liedjes van Welzijn, Volksgezondheid & Cultuur (1987), Ken uw klassieken! (1992) en Rijk Verleden (1999). Zijn werk werd in 2007 verzameld in Vanaf de dag dat ik mensen zag.

In totaal 261 gedichten was de oogst van tweeëntwintig of zo je wilt dertig jaar, en nu voegt Met enige vertraging daar 83 gedichten aan toe. Met gemiddeld nog geen tien gedichten per jaar is Lévi Weemoedt zeker geen veelschrijver. Hoewel de indruk die ze maken een totaal andere is, komen de verzen hem niet aanwaaien, moeten ze kennelijk moeizaam veroverd worden. Vanaf het begin heeft hij het zichzelf ook niet makkelijk gemaakt en dat begon al met de keuze voor het pseudoniem dat hem wel moest dwingen steeds hetzelfde geluid te laten horen; het even doorbladeren van de verzamelde gedichten leert daarover genoeg. ‘Denk steeds: waarom ben ik de reis begonnen?/ En: eig’lijk, eíg’lijk wil ik liever dood.’ lezen we al meteen op blz. 9 en even verder: ‘au fond apprecieer ‘k dit leven niet.’ en ‘Ik hoor hier niet!‘

In ‘Met blijdschap’ (blz.81) weet hij: ‘Ik werd geboren en dat was al erg genoeg.’ Het leidde tot ‘Ik ben getrouwd met Treurigheid,/ woon samen met Verdriet./ Krijg soms bezoek van Eenzaamheid/ maar helpen doet dat niet. (’Een huis vol’, blz.124) en tegen het einde geeft hij als `Korte inhoud van het voorafgaande’: ‘Verliefd, verloofd, getrouwd, gescheiden,/ dood en begraven: wát een tijden!’ ‘Pessimisme kun je leren’, is Weemoedts levensmotto en uit die ‘leerbaarheid’ blijkt wel dat er naast de natuurlijke aanleg ook sprake is van een bepaalde pose. Dat moet ook wel om al die neerslachtigheid, melancholie, smart, droefheid, eenzaamheid en levensangst met zoveel vrolijk gejammer en gesnik te verwoorden. Humor impliceert immers afstand en het is daarbij goed te bedenken dat Weemoedt niet anders is dan een door Van Wijk in het leven geroepen personage – Weemoedt-zijn is act en roeping tegelijk! – dat de kunst verstaat dat wat fundamenteel niet leuk is, toch leuk te maken.

Er wordt vaak het etiket ‘zwarte humor’ opgeplakt, maar ik betwijfel of dat bij Weemoedt wel terecht is. Het is niet scherp, niet bitter genoeg daarvoor; in alles overheerst een zekere zachtaardigheid, noem het kwetsbaarheid, waardoor de auteur de lezer niet van zich afstoot en vervreemdt, maar voor hem inneemt. De verzamelde gedichten werden besloten met de regels: ‘En dan ten slotte het weeroverzicht:/ vannacht eerst nog donker,/ morgen kans op meer licht.’ Als je dat laatste metaforisch opvat, zou het nieuwe werk ‘zonniger’ moeten zijn. Maar bij de verschijning van Met enige vertraging juicht de uitgever: ‘Goddank, hij heeft zich niet vernieuwd en zijn stem klinkt somberder dan ooit!’

Over het tweede twijfel ik, want vaak vind ik de Weemoedt-ik hier wat weerbaarder, venijniger, cynischer, maar het eerste is waar, want vanaf het inleidende motto-gedichtje (De dag is kort,/ de dood nabij// dus aan de slag,/ geen mijmerij!) komen ingeklemd tussen geboorte (’22. 10. ‘48′: Gedenk die datum, lezer. En snik.) en dood (’Grafsteen’: De Heer is mijn Herder// Bekijk/ het/ maar/ verder) alle bekende thema’s voorbij zoals drank, depressie, ouderdom en dood, huwelijksellende (’Record’: Mijn tweede vrouw/ is zó snel/ weggelopen// dat zij de eerste/ nog heeft/ ingehaald), het verschijnsel vrouw in zijn algemeenheid en verschillende modetrends en maatschappelijke issues.

Omdat Weemoedt het moet hebben van losse invallen, zijn zijn korte en ultrakorte gedichtjes naar mijn smaak het beste. In de wat langere gedichten, zoals in de liedjes, wreekt zich een gebrek aan vormbeheersing en blijkt ook dat hij geen groot rijmkunstenaar is. Hij is meer de man van de snelle woordspeling. Qua sfeer vaak Piet Paaltjens, qua toon regelmatig Seth Gaaikema, slechts een enkele keer vertoont hij de kwaadheid van Hans Dorrestijn of Joop Visser. Maar dan is het meteen ook goed raak:


TRAINING

De inleider
is uitgeluld.

Een leeghoofd
die zijn zakken vult.

Hij heeft ons uren afgemat
met godmagweten
over wat.

Tot slot kijkt hij
ons klemmend aan

en vraagt: ‘Hoe ga je
hier nou straks vandaan?’

De groep is murw.
Kapot. Zegt niets.

En ik denk: Klootzak!
Gewoon op de fiets.


Deze Weemoedt heb ik het liefst.







© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl