In en om Assen





Een lofzang op Assen


Bronvermelding:
'Leer mij ze kennen ... de Drenten'. Auteur; B. Dubbelboer. A.W. Sijthoff, Leiden 1968


Markt op de Noordersingel (foto Sietse Kooistra)


Het groene hart van Assen moest groen blijven


Assen is mooi. En Assen is een stad. Nog niet zo lang, maar dat doet er niet toe. Niet groot, maar dat doet er ook niet toe. Assen is een stad. Dat is belangrijk. Assen is onze hoofdstad. Dat is nog belangrijker. Daar heeft koning Lodewijk Napoleon voor gezorgd in 1809, om precies te zijn op 13 maart. Het zou overdreven zijn te beweren dat Assen een stad van grote allure en internationale betekenis is, maar dat doet er al evenmin toe. Wij Drenten zijn er best tevreden mee. Wij houden van Assen. Wij houden van de mooie Torenlaan, aan het eind zich splitsend in Brink en Kloosterstraat. Wij houden van ons monumentale Provinciehuis, het vroegere klooster, waarin met zoveel overleg en moeite ons provinciaal bestuur met alles erom en eraan is ondergebracht. (Juister misschien: samengeperst.)

Wij houden van de prachtige hal in ons Provinciehuis, van de monumentale trappen, van de stijlvolle vergaderzaal. Het torentje waardoor wij in het museum komen doet ons iets, evenals de wenteltrap die we moeten beklimmen als we een bezoek willen brengen aan het archief. Zowel museum als archief zouden best wat meer ruimte kunnen gebruiken, maar geen Drent zou welk deel ervan dan ook graag zien overgebracht naar een modern gebouw. Want het geheel bezit iets dat elders niet te bereiken valt. Sfeer. Een zeer aparte sfeer, tastbaar haast van het prachtige keldergewelf tot het torentje van waaruit het klokkenspel zijn glasheldere tonen uitstrooit over de stad. Een sfeer die zowel de voormalige gouverneurswoning als de pomp in de Kloosterstraat uitstraalt.

Een sfeer die je proeft, ook in de bescheiden vertrekken van het Drents Genootschap. Van dat alles houden wij Drenten. Toen enkele jaren geleden Vadertje Tijd het uur gekomen achtte een aantal prachtige bomen voor het Provinciehuis te vellen, gingen er stemmen op om de zaak nu maar meteen radicaal aan te pakken: het gazon te laten verdwijnen en het plein geheel te verharden om daardoor de inderdaad hard nodige parkeerruimte te scheppen. Een praktisch plan, ongetwijfeld, maar het ging niet door. Als één man verzetten de Drenten zich tegen dit voornemen. Het groene hart van Assen moest groen blijven. En het bleef groen. Hiermee wil overigens niet gezegd zijn dat wij Drenten, hoe behoudend we ook mogen zijn, ons zullen verzetten tegen alles wat nieuw is. Allerminst.

Als er een nieuw Provinciehuis moet komen, nu, dan moet het, maar het zal ons wat je noemt 'deur 'n hard bot gaon'. Dat de Assenaren niet bang zijn iets nieuws te brengen bewijst wel het feit dat onze hoofdstad vrijwel het eerst met een jeugdverkeerspark voor de dag kwam dat er zijn mag. Een park waarin letterlijk alle moderne verkeersmarteltuigen staan opgesteld en waar de jeugd zich al scooterend, fietsend en rijdend in echte autootjes met het verkeersgekkenhuis vertrouwd kan maken. In het algemeen zijn de Assenaren kalme, bedaarde, rustige mensen, zoals Drenten behoren te zijn. Het hele jaar door... met uitzondering van één week. Dan zijn alle 'Assenezen' een beetje getikt.


foto © Sake Elzinga


Koning Patates en kroonprins Croquet regeren één nacht


Heel vreemd. Dan hoor je zowel de bedaagde huismoeder als de deftige ambtenaar, de groenteboer zowel als de fabrikant over zeer bijzondere dingen praten. Dan hoor je redeneren over Gilera, Suzuki, Honda en diverse andere vreemde zaken. Dan worden de kansen afgewogen van allerlei lieden met moeilijke, dikwijls bijna onuitspreekbare, namen. Japanners, Italianen, Nieuwzeelanders, Engelsen, Fransen, Duitsers en mensen van nog een aantal nationaliteiten worden op hun prestaties beoordeeld en veelal wordt op voorhand al kritiek, deskundige kritiek, geleverd. Er wordt gepraat over aantallen cylinders, versnellingen, toerentallen, over 50, 125, 250 en 500 cc, met een vakmanschap alsof iedere Assenaar motorenfabrikant van professie was.

Al die dingen samen vormen een teken: het teken dat de T.T., vrijwel het grootste gebeuren ter wereld op motorsportgebied, voor de deur staat. In de laatste week voor dit grote gebeuren wordt het drukker en drukker in de stad. Dan worden er zoveel verschillende talen gehoord dat men zich in een vergadering van de Verenigde Naties zou wanen. Dan is 'De Moriaan' aan de Torenlaan het bolwerk waar het bestuur en administrateur Weggemans als rotsen in de branding de moeilijkheden trotseren die bij het organiseren van het immense motorcircus dat T.T.-races heet opdoemen. De nacht voor de TT. is de tijd waarin koning Patates en kroonprins Croquet, bijgestaan door de ministers Gebakken Vis en Bal Gehakt, met zachte, vettige hand regeren.

Het is ook de nacht, waarin bier uitsluitend in blikjes mag worden verkocht vanwege de scherven die voorheen op straat plachten terecht te komen. De nacht waarin men om drie uur een souvenir kan kopen, maar met evenveel gemak een diner van vijf gangen geserveerd kan krijgen. De nacht waarin een ieder die zich in onze goede hoofdstad bevindt een tikje geschift is. Kortom, de T.T.-nacht. Een carnavaleske toestand, die traditiegetrouw uitbundig en luidruchtig beleefd werd, maar zonder wanklank verliep. Tot 1967, toen een aantal ongewassen, langharige, in leer en spijkerbroek gehulde 'gentlemen' meende de feestvreugde te moeten verhogen met subtiele grapjes als het ingooien van winkelruiten en het vernielen van de feestverlichting. Er vielen klappen.

Natuurlijk. Assen was woedend. Woedend, maar vooral verbaasd. Dat zoiets kon gebeuren nadat tientallen T.T.-nachten rumoerig maar schadeloos waren verlopen. Waarschijnlijk zal het de gezondheidstoestand van voormelde 'gentlemen' ten goede komen als ze in het vervolg, en zeker in de T.T.-nacht, Assen mijden. De volgende morgen, al vroeg, trekken letterlijk uit alle richtingen duizenden en duizenden auto's, motoren, bromfietsen en fietsen op. Alle met dezelfde bestemming, het speciaal voor de T.T. aangelegde circuit. Zoveel auto's zijn er dat de leek er in alle ernst aan gaat twijfelen of ze allemaal een parkeerplaatsje zullen hebben gevonden voordat de races afgelopen zijn, vooropgesteld al dat er een plaatsje is.

En dan voltrekt zich, elk jaar opnieuw, een klein wonder. Als de stem van onze onvolprezen radiocommentator Piet Nortier voor de eerste keer verloren gaat in het gegil, geloei, gebrom en gejank van de startende machines hebben niet alleen al die auto's, motoren en wat dies meer zij een parkeerplaats toegewezen gekregen, maar dan hebben de in- en opzittenden, zo'n slordige honderdduizend of meer, ook al de gelegenheid gehad een plaatsje langs het circuit te zoeken. Haast spookachtig is het, te zien hoe snel al die duizenden vier- en tweewielige motorvoertuigen (om in belastingtaal te spreken) na de races zijn afgevoerd. Een zeer groot deel gaat meteen 'huistoe', een ander deel naar Assen, waar hun berijders ook de avond in gepaste vrolijkheid doorbrengen en het daverend vuurwerk, dat, ook al weer traditiegetrouw, de T.T.-week besluit, bijwonen.

Zeer velen zullen thuiskomen met prettige herinneringen aan mooie en spannende races. Een kleiner aantal van hen zal daarnaast misschien even denken aan de gigantische organisatie die nodig is om alles zo vlekkeloos te doen verlopen. Maar wij, Drenten, zijn voor alles trots op het kleine groepje enthousiastelingen dat in 1926 uit het niets de eerste T.T.-race in ons land te voorschijn toverde en kans zag daaruit een organisatie op te bouwen die de hele wereld respect afdwingt. Over het nut van de races zijn de meningen wel eens verdeeld, maar een vaststaand feit is dat de betrouwbaarheid en de veiligheid van onze auto's en motoren voor een zeer groot gedeelte zijn te danken aan de races.

Dat het 50 cc bromfietsje van vandaag prestaties levert waarvoor een volwassen motorfiets van voorheen zich niet zou schamen, dat de 1000 cc auto qua betrouwbaarheid, snelheid en comfort niet onderdoet voor de 3500 cc van vroeger, en daarnaast een aanmerkelijk minder grote dorst vertoont, beter remt en prettiger stuurt, zijn de resultaten van constructies die veelal op de racebaan voor het eerst toepassing vonden. En dat de veiligheid van onze vervoermiddelen derhalve mede te danken is aan het unieke organisatietalent van onze T.T.-commissie stemt ons Drenten tot voldoening. Dat mag dan, dacht ik, ook wel.


Zicht vanuit Anreep op Assen (collectie H. Sommeling)


Het geheel heeft iets gemoedelijks


Dat Assen stad werd betekende niet dat het nu ook maar meteen de belangrijkste of beter gezegd de grootste plaats was. Het inwonertal hoefde nog niet met duizenden geteld te worden. Met enkele honderden was dat al bekeken, maar het was de plaats van waaruit de Landschap bestuurd werd, en dat zal dan ook wel de doorslag hebben gegeven. Het staat trouwens te bezien of de toenmalige bestuurderen deze promotie hadden verwacht. Soms krijgt men wel de indruk dat het hier gaat om een impulsief besluit van koning Lodewijk Napoleon. Want een impulsief en besluitvaardig man moet hij beslist geweest zijn. Dat wordt ons duidelijk als we zien dat hij niet alleen van Assen een stad maakte, maar daarnaast de nieuwe stad voor altijd aan zich verplichtte door haar het Asser bos te schenken.

Bovendien legde hij zo en passant een uitbreidingsplan op tafel met alles erop en eraan waarmee de stad zeker jaren bezig zou zijn geweest, de toenmalige bouwcapaciteit in aanmerking genomen. Kom daar nu eens om! Het duurt nu maanden en maanden voordat onze moderne planologische diensten een plan hebben opgesteld waarbij op de belangen van alles en iedereen is gelet. Waarna het door alles en iedereen wordt afgekraakt omdat er met hun belangen geen rekening is gehouden. Nee, dan het plan van de koning! Dat was meer een kwestie van 'hupsa-kee'. Zijn plan is niet gerealiseerd, door gebrek aan tijd. Dat wil zeggen: de tijd was er nog wel, maar de koning niet.

En zo bleef Assen verstoken van 'het locaal gedistingeerd voor de veterinaire school en voor de lessen in de vroedkunde en chirurgie', een gedistingeerd gebouw, van onderen koffiehuis, erboven zalen voor danspartijen en andere publieke vermakelijkheden, en daarnaast een deftig logement, een koninklijk instituut voor 50 a 60 'jonge Heeren', een instituut voor 'jonge juffrouwen', dan nog een koninklijke kweekschool voor maar liefst plm. duizend leerlingen, compleet met logement voor directeur en 'opzieners'. En als klap op de vuurpijl een paleis voor de koning zelf met een kostbare aanleg van vijvers en parken, en twee paviljoens om de suite en de officieren te kunnen herbergen.

Het geheel werd dan nog aangevuld met een handvol kleinere zaken als een gemeentehuis, een gereformeerde kerk, een katholieke kerk, een synagoge, een kazerne zowel voor paarde- als voor voetvolk, een criminele gevangenis, een tucht- en werkhuis en nog wat dingetjes. Zoals gezegd is dat plan niet uitgevoerd. Toch ontwikkelde Assen zich in de loop der tijden tot een fraai stadje dat de bijnaam 'stad der paleisjes' verwierf. Dat het geheel een zekere slaperigheid over zich had valt echter niet te ontkennen. Assen was en wilde ook niet anders zijn dan een ambtenarenstad. In de kom, rond de oude stadspomp, groepeerde zich de middenstand en vormde de stadskern waarin het ook nu nog zo genoeglijk winkelen is.


De Wouden (collectie H. Sommeling)


Ik houd niet van die moderne wijken


Het geheel heeft iets gemoedelijks, iets dorps over zich, waarvan vooral de Drenten van buiten de stad houden, en waarin ze zich thuis voelen. Waarmee overigens allerminst gezegd is dat de zaken in Assen dorpswinkeltjes zijn, want niets is minder waar. De zaken zijn overwegend modern en voortreffelijk gesorteerd, ze doen voor zogenaamde grotestadszaken beslist niet onder. De sfeer is prettig. Hier is de klant nog klant en niet uitsluitend leverancier van winst. Dat is meen ik de grote aantrekkelijkheid van Assen, en gezien de mentaliteit van de Asser zakenmensen zal daarin weinig verandering komen. Vooral in de naoorlogse jaren ontwikkelde Assen een grote activiteit, en van de vroegere slaperigheid is niets meer te merken.

Integendeel, Assen is klaar wakker. Industrieën werden aangetrokken, belangrijke zaken vestigden zich in Assen, de Nederlandse Aardolie Maatschappij vestigde er haar hoofdkwartier, kortom, Assen leeft intens. Nieuwe woonwijken werden en worden gebouwd, waarbij binnen het raam der mogelijkheden eentonigheid wordt vermeden. Men vindt er prachtige bungalows, ruime één- en meergezinswoningen en ook de woonfabrieken die flats worden genoemd. Alles is fraai en ruim aangelegd, er is veel groen en toch ... toch... Nee, ik houd niet van die moderne wijken. Daarom stel ik voor onze hoofdstad te verlaten en de rest van het Drente van vandaag te gaan verkennen.






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl