In en om Assen





Een poëtische terugblik


Bronvermelding:
'Ter gelegenheid van het afscheid van Mevr. Drenth-Arends' (fragment). Huize Mariëncamp 30 januari 1974
Auteur: Br. Quirinus


Oud-collega's. Links: Br. Sylvester, rechts Willem Sibon


VOOR SIEN,


Het is al weer heel lang geleden;
bijna is men het weer vergeten.
Wat ik nu ga schrijven, is waar gebeurd,
het wordt verteld, zonder dat het is gekleurd.

Het dorpje Rolde, in het Drentse zand,
daar woonde een boer, aan de rand.
Hij had heel veel kippen en meloenen,
een tuin met onkruid en een park met kalkoenen.

Het was op een hele mooie dag,
terwijl de boer aan het rusten lag;
toen kwamen twee heren naar hem toe.
De boer, die sliep want hij was moe.
Ze maakten hem wakker en vroegen heel galant:
zeg vriend, wij willen kopen je land.
Er werd gepraat, maar de Drentse boer, die dacht.
Ineens zei hij heel onverwacht:
hoeveel geld had je gedacht ?
De heren waren even wat verlegen,
maar ze lachten nu toch wel heel tevreden.
De prijs was zo beklonken,
er werd een glaasje op gedronken.
Een klein papiertje, dat was het verdrag;
bij de boer kwam een slimme lach.

Nu was het zo gebeurd,
op de farm werd dagenlang getreurd,
want honderden eenden ondergingen hun lot:
een massagraf, ofwel de pot.
Het waren voor hen dagen van droefheid en rouw, want de bouw begon al gauw.

Tractors en mannen met forse spieren,
wierpen zich als een horde gieren,
op de kooien en de hokken,
terwijl ze tevens moesten knokken
met de ratten en het andere gespuis,
want die hadden er ook hun huis!

Maar spoedig was het leed geleden,
weldra kwamen de eerste stenen.

En iets vroeger dan men had gedacht,
kwam daar heel onverwacht de heer Engel Schut opdraven,
koninklijk zat hij in de wagen,
als een vroege bloem op het beton,
wachtend op het bevel: keer om !

De werkers keken eerst wat raar;
bouwden zij voor deze kinderschaar?
In stilte wisten deze kerels een traan,
werken zouden zij voortaan
om gauw klaar te komen voor de kinderen;
niets mocht de bouw verhinderen!

Zo stond daar ineens "Mariëncamp",
rustig in het Drentsche land,
klaar om de kinderen op te nemen,
gehandicapt voor het hele leven.

Op zekere dag, het was geen ramp,
stopte een busje uit het Zuiden van het land
en dropte zes zwarte heren midden in het zand.
Vreemd was hun klederdracht
en een metselaar, die dacht:
het zijn geen Staphorster boeren of ouderlingen
wat zouden ze hier toch gaan beginnen?
Ze lijken allemaal wel in de rouw,
het kan wel zijn voor hun overleden vrouw.
Enfin, er is wat mee aan de hand,
ik voel ze wel eens aan de tand.

De heren gingen rustig boenen en schuren,
de dorpsbewoners kwamen even gluren.
De vrouwen van het Platte Land
hielpen met kordate hand.

Al heel vlug kwamen de eerste kinderen aan,
uit het hele Noorden kwamen ze vandaan.
Men hoorde verschillende dialecten,
het leek warempel wel of ze mekten;
ze wilden niet duidelijk spreken
en vaak was het dat we het niet begrepen.
Maar op den duur verstonden we het geknauw
al werd het wel eens voor je ogen grauw.

Langzaam leerden we elkaar verstaan,
het taalprobleem was van de baan;
er kwamen goede en prettige contacten,
we waren ook niet zo vreemd als zij wel dachten.


Oud-collega's


Een vrouw in ons midden !


Al heel gauw hadden we de eerste staf
en de geleerdheid ging toen op een draf
naar het terrein van de oligofrenie.
Dit was wel iets anders dan de psychiatrie;
ze kwamen wel eens bedrogen uit
en grepen dan ook naar de spuit.
Want praten, dat moet je ook maar kunnen,
anders kun je het toch niet runnen.

De kinderen verstonden deze heren echter niet;
het deed de staf dan ook veel verdriet,
daar stonden zij met al hun gegevenheden
en wat was daar nu van overgebleven?

De kinderen in al hun simpelheid
vroegen rust en geborgenheid.
Zo ging het met Jaapje en met Dick
en zo ging het met Kees en de verwende Sik.
Fokke, hij krabde op zijn rug;
en Roelof, die poepte steeds iets te vlug.
Herman zei steeds maar Bella, Belladone,
en Frans vloekte als een ouwe rooie.

Ach, iedereen had wel iets te demonstreren,
het bracht wat leven en sferen.
Men kan ze niet allemaal opnoemen,
het waren heel veel van deze bloemen.

Sommigen kun je niet vergeten,
maar al die namen zal Zr. Arends nog wel weten.

Staal was een man, heel goed en trouw;
hij zag de dingen al heel gauw.
Soms moest hij wel eens constateren,
dat Liekens ging diagnostiseren.
Die stapte als een kolonel over het Camp,
het deed bijna denken aan een Griekenland.

Dr. Broer met Bas en Jonathan
was toch altijd wel een beetje bang,
dat het op een dag zou gaan gebeuren
en Jonathan zou gaan treuren.
Want met al haar arglistigheid
leek ze soms op een echte hondenmeid.

Dr. Notermans was neuroloog;
hij had dan ook een groot geloof
in het gebeuren van het dagelijks leven.
Van Dongen hield hem echter op beide benen.

Raphaël, Aukje en Agneet;
het was toch de laatste die het hem deed.
Zij zat als therapeute te ronken,
en de kinderen maar bonken!

En dan die hele kleine, dikke psycholoog;
ja, hij was het die zo maar vloog
recht voor Frans Muilman uit.
Hij nam toen wel een resoluut besluit
om niet meer bij ons te komen,
maar voortaan in Assen te blijven wonen.
Hier was voor hem geen zaak om te beginnen,
dit volkje was niet naar zijn psychologische zinnen.

De kok in de keuken had het erg druk;
de gastvrouw rende op goed geluk.

De eerste verplegers,
o zo braaf en gedegen,
liepen in huis heel erg verlegen;
Toen sprak de voorzitter, plechtig en afgemeten:
Broeders, luistert, U moet het weten;
tot nu toe hebben mannen dit werk gedaan,
maar zo kan het niet blijven gaan.
De tijd van verdrukking van de vrouw is voorbij;
ook hier zal keren het getij!
Hij pinkte een traan uit zijn rode oog,
het was alsof hij onder deze last zich boog.

Hij zei: lang hebben we gewikt en gewogen,
met de congregatie rustig gesproken,
en na goede en degelijke informatie
in Baarn en ook weer bij de congregatie,
zal spoedig, o God, vergeef het toch,
ik ben zelf er erg van kapot,
een vrouw in ons midden zijn;

rustig, degelijk, tenger en klein.
Zij is Godvruchtig en gedegen,
misschien ook wel wat verlegen.
Zij is van een goede kwaliteit
en van gepaste degelijkheid.
Opnieuw een snik van de goede man,
en toen hij het woord hernam
sprak hij: wij hebben haar aangenomen,
moge dit U allen welbekomen!

Het gevolg was...een snik van de oude Timooth,
en broeder René, die langdurig snoot;
Br. Quirinus fronste zijn wenkbrauwen even,
Br. George lachte heel verlegen.
Br. Silvester vond het gezijver rot,
Br. Raphaël vond het allemaal erg tof.

Br. Quirinus zou haar begeleiden,
en Bart de gedijpte zou bescheiden
haar instrueren in haar rol.

Wij moesten haar beschermen teg en al het kwaad,
dat loerde in huis en op de straat.
Wij moesten haar bewaren als een kostbaar geschenk,
en wee degene, die haar krenkt.






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl