In en om Assen





Kris kras door het verleden


Bronvermelding:
'Kris kras door het verleden van een veelbewogen leven van Huize Mariëncamp in het mooie Drentse land'; Bestuursdag 4 oktober 1972. Auteur: Br. Quirinus, 29 september 1972. Typewerk AJL (de altijd vriendelijke Alie)



Grepen uit een bewogen leven


Toen mij gevraagd werd om een historisch overzicht te geven, voelde ik me wel wat benauwd. Jaartallen zeggen mij niet zo veel, maar de gebeurtenissen spreken des te meer aan. U moet van mij dan ook geen chronologische opsomming van gebeurtenis¬sen gaan verwachten, maar ik zie deze voordracht meer als een greep in het verleden» Men staat even stil, om dan weer verder te gaan. Je grabbelt als in een grabbelton en als je beet hebt, dan haal je het naar boven. Dit kan mee- of tegenvallen. Het opsommen van getallen houdt ook het gevaar in, dat velen van u in het land der dromen verzeild raken. Iets dat voor u en mij niet aangenaam zou zijn. Daarbij komt nog het feit, dat er onder de toehoorders mensen zijn, die wat de geschiedenis van "Mariëncamp" betreft, beter met data en jaartallen op de hoogte zijn, dan de spreker die voor u staat.

Huize "Mariëncamp" heeft een korte, maar heftige geschiedenis, een geschiedenis, die wel eens doet denken aan een Zuid-Amerikaans land. Het is dan ook een duidelijk teken voor deze bewogenheid, wanneer op 15 augustus 1964 de eerste zes broeders in een volkswagenbusje in Rolde arriveren, om daar hun werkzaamheden aan te vangen. Het busje was van Huize "St. Jozef" te Heelo De lakens, slopen en handdoeken waren in Heerlen van de bekende M.C.-merken voorzien en het meest noodzakelijke eetgerei was door Huize "Providentia" verstrekt. Ieder huis der Congregatie had iets van zijn armoede of rijkdom gegeven.

Br. Rafaël had de leiding van de groep. Het was in die tijd, dat de leider van een Communiteit de naam "Overste" droeg. De therapiezaal en wat nu de afdeling Spel en Ontwikkeling is, waren klaar en konden bewoond worden. De eerste ruimte stond vol met meubilair, waar de heer Liekens het toezicht op fiad gehouden. Hij had als een soort bewaker dienst gedaan in de tijd, dat de broeders er nog niet waren. Met de groep broeders arriveerde ook de heer Bakker, die reeds 2 jaren in Heel had gewerkt als voorbereiding op het werk in Rolde.

Voor de bewoners van Rolde waren we met onze witte boorden en zwarte pakken maar rare vogels, een soort mannen, die steeds in de rouw liepen om de een of andere mysterieuze reden. Een van de bouwvakkers van de firma Schutte uit Zwolle vroeg me eens, waarom we steeds in ons trouwpak rondliepen.

Ons eerste patiëntje was Engel Schut, die al een maand te vroeg op het terrein arriveerde, een terrein waar de laatste ganzen en kippen gelaten hun lot afwachtten. Rudie Dijkstra had al ruim 2 weken in Huize "St. Jozef" te Heel gastvrijheid genoten. Het kontakt met de eerste ouders was moeilijk. Er waren nog zoveel verhalen over katholieken en kloosters, dat vele ouders naar adem moesten happen en de neiging in zich op voelden komen ons aan te raken en zich te overtuigen of we wel van vlees en bloed waren.

Als eerste kwamen enkels mannelijke verplegers de gelederen ver sterken. Vrouwen waren nog steeds een taboe en leverden gevaar op voor de roeping van de relagieuze broeders. De geschiedenis van "Mariëncamp" heeft dit helaas bevestigd.



Pater Plum streed tegen het 'modernisme'


Als huisarts kwam dr. Staal zijn diensten aanbieden en als eerste specialist nam dr. Sanders de leiding in handen. Dit was maar van korte duur, want dr. Notermans volgde haar spoedig op. De eerste groep bestond uit 25 kinderen, met als begeleiding 5 man personeel. Dit personeel was belast met de verzorging van de kinderen. Daarnaast moesten ze al het huishoudelijk werk doen. Dat bestond uit boenen, ramen zemen, gangen dweilen en broeken en truien wassen. Br. Rafaël werd door de bouw en organisatie in beslag genomen. Br. George onderhield de kontakten met de buitenwereld en ondergetekende had vele aktiviteiten binnenshuis. Waren we in het begin bedoeld als dependance van "Maartenswouden", spoedig begon het proces dat leidde tot een volkomen onafhankelijkheid. Dit gebeurde geleidelijk en zonder veel schokken.

Onze eerste leerlingen startten hun Z-opleiding in Assen in "Hendrik van Boeijen-Oord". Een huis-onderwijzer, de heer Bevort, belastte zich met de vooropleiding, die afgesloten werd met een sierlijk "Huis-diploma". Pater Plum was de eerste geestelijke verzorger, die met zijn donderpreken de moraliteit van zijn kudde in de juiste banen wist te houden. Als docent persoonlijkheidsvorming streed hij tegen het "modernisme", een strijd, die hij besloot met een welverdiend pensioen.

Met het opnemen van de kinderen, breidde zich ook de staf uit; dr. Broer, kinderarts, drs. Van Dongen, psycholoog en dr. Mook-Molewijk, revalidatie-arts kwamen de gelederen versterken. Men had weinig outilage, en daarom vergaderde en onderzocht men op de meest gekke plaatsen. Het was een grote familie, broeders, personeel en stafleden. Het Bestuur van "Mariëncamp" hield besprekingen in het Broedershuis. Op deze avonden zochten wij ons vertier in onze eigen kamers. Het was de gezellige ronde voorzitter, die zo nu en dan een cabaretachtige sfeer aan deze vergaderingen wist te geven. Het was wel eens moeilijk voor hem om van de tricot en interlok over te stappen naar "Mariëncamp-problemen", maar de soepelheid (eigenschap) van deze stoffen, had ook zijn geest soepel gemaakt.

Eind 1965 opende Mgr. Nierman het nu bestaande A-complex. Dat was voor ons een dag van vreugde. In 1966 trad ook onze eerste vrouwelijke verpleegster in dienst, dat was zr. Arends, thans zr. Drent-Arends. Dit was een hele stap. De brief waarin de heer Gerritsma om inlichtingen vroeg over haar was dan ook niet mis. Er ging een hele reeks besprekingen aan vooraf. Als hoofd van de verpleging, moest de spreker haar begeleiden. De instructies logen er niet om: Jurk tot over de knie; nylons dragen ten allen tijden; niet eten bij de mannelijke verplegers; geen opgezette nagels en wimpers. Spoedig volgden meerdere meisjes en werd het steeds moeilijker het vrouwlijk schoon in toom te houden. Als een wervelwind rende men door het huis om alle voorschriften in de gaten te houden, maar de dames waren listiger dan wij, domme en onervaren mannen. Ook voor de heren werden er kleding-voorschriften gemaakt. Wanneer men geen stropdas om had, dan moest men zich eerst gaan "aankleden", alvorens men met zijn werk mocht beginnen.

In 1966 hadden we onze eerste logopediste in dienst genomen. De heer Karei, psycholoog, had de euvele moed opgevat eens te komen kijken of er kinderen schoolrijp waren. Spoedig gaf hij dit plan echter op. Er gingen te veel ruiten naar de eeuwige jachtvelden. En de knokpartij tussen de wat klein uitgevallen psycholoog en de ietwat forse Frans Muilman deed hem definitief op zijn besluit terugkomen.

In 1967 hadden we ons eerste overgangsexamen. Opdracht was: "Alles moet slagen". De gecommitteerden waren "vrienden van dr. Notermans". Allen slaagden en de vrienden vierden dit slagen dan ook heel goed. Uiteindelijk hadden zij hun werk tot volle tevredenheid gedaan.



"Hoe moeten wij verder met dit kind ? "


In augustus 1966 kwam het, in februari 1971 afgebrande, gedeelte klaar. Ook dit gedeelte werd onder de meest geïmproviseerde omstandigheden in gebruik genomen. Er was b.v. per vergissing een patiënt te veel opgenomen. Wat nu ? De oplossing werd gevonden: Een paar dagen logeren in het Broeders-klooster. Deze ruimte had ook al eens rust, troost en genezing voor onze leerling-verpleegsters gebracht. Vooral het troosten van onze jonge verpleegsters was voor ons mannen, zonder ervaring een groot probleem. We misten het psychologisch inzicht en dat hadden ze vlug in de gaten, zodat wij ons af en toe wel eens afvroegen: "Hoe moeten wij verder met dit kind".

Ruim een jaar later werd "Mariëncamp" weer met een vleugel uitgebreid, waarin plusminus 40 kinderen een onderdak vonden. Te zelfder tijd verrezen de wasserij, linnenkamer en magazijnen. Als eerste wasbazen fungeerden, tussen de bedrijven door, br. Rafaël en br. Quirinus. Toen deze laatste een deken in de wasmachine stopte en er na een flinke behandeling een poppendekentje uithaalde, was het vlug met deze carrière gedaan. In de zo juist genoemde ruimte is thans de opleiding gevestigd.

Spoedig drong de oecemene tot ons door en werd ds. Renier gevraagd om mee te werken om deze gedachte tot werkelijkheid te maken bij het personeel. Het was een pogen dat altijd een goed pogen is geweest en gebleven is tot mei 1972. Steeds meer breidde zich de staf uit. De behoefte aan een medisch centrum werd realiteit bij het tot stand komen van dit mooie gebouw in 1967. den kon nu daadwerkelijk datgene doen, wat men zo graag wilde doen in het belang van de kinderen en het personeel. Inmiddels had men aan de bestuursvorm van "Mariëncamp" gesleuteld en deze kreeg in 1966 gestalte in de vorm van een directorium. Het woningprobleem voor onze meisjes werd opgelost, doordat we 3 bejaardenwoningen in het dorp kregen toegewezen, die door mevrouw Vogelzang werden ingericht.

De opzet van de speltherapie en de arbeidstherapie was nog erg primitief, maar ze boden toch een goede hulp in de totale aanpak van de zwakzinnige. De stafbesprekingen en de therapiebesprekingen vonden in de jaren 1965-1967 plaats ten huize van dr. Notermans, dr. Hogendam en mevr. Van Bodegom. Het waren lange, maar vruchtbare avonden voor de staf-en therapieleden. De extra-murale zorg werd in 1968 door mevr. Rademaker overgenomen. En weer waren we een stap ih de goede richting. Inmiddels ging ook het denken en handelen binnen de staf steeds meer naar een pedagogisch-psychologische aanpak van de kinderen over. In 1969 kwamen de eerste 4 woningen tot stand, hierin werden 27 kinderen in kleine groepen ondergebracht. Als eerste algemeen leider deed br. Rene hier zijn intrede, later geassisteerd door mej. Schoenmaker, pedagoge.

In de loop der jaren was dr. Bouma benoemd tot geneesheer-direkteur van Huize "Maartenswouden" en als zodanig trad hij ook voor "Mariëncamp" naar buiten op, omdat wij in ons tehuis nog geen direkteur hadden. De aanvang met de bouw van het huidige B-complex vond ook nog in 1969 plaats. De firma Ebbinge, die het werk van de firma Schutte had overgenomen, had bij de bouw van de eerste 4 woningen al zijn degelijkheid als aannemersbedrijf bewezen. In februari 1970 kon de eerste verpleegster de flat betrekken, die hun tot verblijf zou gaan dienen.

In het boek "Terugblik 1969" kwam duidelijk aan het licht, dat het bij de bouw niet allemaal zo vlot verliep als men wel dacht. Er rezen nogal eens problemen tussen architect, directie, bestuur en aannemer. Misschien speelde hier ook de Zuidelijke temperamentvolle en creatieve architect wel erg hoog spel tegen de bedaarde, rustige, zakelijke Noordelingen.

Maar men ging rustig door, ook toen in juni 1969 de Congregatie br. Rafaël opdracht had gegeven "Mariëncamp" te verlaten. Want de liefde had de weg gevonden via het koorgebed naar de vrouw. Het kruisje maakte plaats voor de trouwring, de koorbank werd zitbank. De gelofte maakte in december 1969 plaats voor de huwelijksbelofte in de kerk te Rolde. In dit emotioneel geladen conclift waren vele partijen. Er was onderling verdeeldheid in de Communiteit, staf en bestuur. Het overlijden van de heer Gerritsma overschaduwde dit vertrek en deed nog eens duidelijk de tragiek van de verdeeldheid naar voren komen.

Vanaf juni 1969 tot december 1969 nam dr. Notermans als directeur waar. Samen met de heer Dekker en de teruggekeerde br. George vormde hij een nieuw directorium. Dit kleine directorium zou later I.B.S. worden. In deze periode werden enkele diensten uitgebreid, ingesteld of gecontinueerd.

Namen die we hier toch nog even moeten noemen zijn bv. mevrouw Roelofsen. Zij kwam in 1967 in dienst als dame van de huishouding, gastvrouw en kunstmoeder van de broeders. Bij gebrek aan kantoorruimte (toen ook al) moest br. Quirinus 3 maanden met haar zijn ruimte in het broederhuis delen. In die periode kreeg ondergetekende een overgevoeligheid voor drop, koekjes etc, en werd vooral zijn gehoor nogal met prikkels overladen. De heer Weersing was de enige man van de technische dienst. Voordien was het de taak van de verpleging en de heer Roelfsema om allerhande reparaties te doen. Gescheurde kleding was vaak het gevolg van een niet deskundige reparatie.

Onder leiding van br. Timotheus en de heer Peeks werd de keuken 2 maal uitgebreid. Waren de koks afwezig of ziek, dan zwaaide mevrouw Roelfsema de scepter in de keuken. Haar verschijning deed de meest brutalen op een veilige afstand houden, en mocht iemand een poging wagen, dan was de pollepel het meest geschikte wapen om als afweer te fungeren.

Inmiddels hadden we het docentencorps al uitgebreid met de heer De Vries. Met zijn vieren verzorgden we nu de opleiding van onze leerlingen. In augustus 1969 vertrok Pater Plum en Pastor Van de Vossen kwam nu zijn zorgen overnemen. Dit duurde maar een jaar, want toen werd zijn hart geroerd door een vrouw, die bij hem naar troost en steun zocht bij haar problemen. De rollen zouden echter spoedig omdraaien en de bekroning van deze gesprekken werden voor Gods altaar bevestigd. Het woord van de Heer, "Gaat en vermenigvuldigt U", werd als een opdracht aanvaard.

Ondanks alles bleef men rustig doorwerken en zoeken naar nieuwe wegen, want al deze mensen, die kwamen en gingen hadden zich ingezet en waren bewogen geweest over de gang van zaken op "Mariëncamp". Met br. Rafaël vertrokken ook dr. Hogendam, drs. Van Dongen en nog enkele anderen.



De eenheid, die ons allen bindt


In december 1969 deed dr. De Valk zijn intrede, wat zal er nu gaan gebeuren, is de eerste reactie. Een vraag, die nu na twee jaren voor ons allemaal is beantwoord. De brand op 2 februari 1971 doet ons even bang en uit de koers raken maar we gaan verder, ondanks de spanningen en vaak ernstige problemen. Vele nieuwe functionarissen komen mede het beleid bepalen. Vele diensten worden er in het leven geroepen, maar er is geen rust. Spanningen en teleurstellingen treden duidelijk naar voren, menselijkerwijze gaat men twijfelen en sommigen raken vertwijfeld.

In november 1971 deelt een kort bericht ons mede, dat dr. De Valk ziek is. Dr. Bouma en drs. Brand nemen als directie waar. Wonder boven wonder blijft de rust gehandhaafd. Uitbreiding, opname etc, gaan in rustig tempo verder. Ondanks alle drukte en zorgen komt in februari 1972 de verbouwde boerderij van de broeders klaar. Een mooie woning en gelegen op een mooi stukje terrein. Haar naam wordt Germondy-Hoeve, gelegen in Nooitgedacht, een toepasselijke straatnaam, gezien de historische ontwikkeling bij de oplossing van het woonprobleem der relegieuzen. In diezelfde periode krijgt een ander boerderijtje op het terrein een definitieve bestemming. Hier kunnen de ouders en de kinderen zondags verpozen.

Reeds eerder hebben 54 kinderen een onderdak gevonden in 6 mooie nieuwe woningen, gelegen aan "De Brink" in "Het Dorp". Ze genieten nu van de service die deze ruimten hun bieden. Men voelt een soort lotsverbondenheid. Deze kwam duidelijk aan het licht bij de dodenherdenking op 2 februari 1972. Men voelde toen weer de eenheid, die ons allen bindt ondanks de verscheidenheid van denken en handelen. Op 17 mei, de dag waarop de "dag der verpleging" gevierd werd, werd men er nog meer van doordrongen dat Eendracht Macht maakt. Vanuit deze gedachte konden we ook de stap begrijpen die nu genomen werd door de directie.

In juni 1972 werd in overleg met drs. Brand en dr. Bouma besloten om "Mariëncamp" een voorlopig eigen leiding te geven. Met ingang van 1 augustus werd er een tweemanschap aangesteld om "Mariëncamp" te leiden totdat de nieuw aan te nemen functionaris de taak van hen zal overnemen. Een taak, die niet gemakkelijk zal zijn in een tijd als deze, want naast de bestuurlijke problemen is er nog het nieuwe A-compléx, dat als klein broertje van het B-complex zijn kopje opsteekt en vraagt wanneer hij kinderen, staf en personeel mag gaan herbergen. Het is een mooi gebouw en velen hebben hun inspraak gehad bij de realisatie hiervan. Aan het tweemanschap de taak om de wensen en grillen te bundelen tot reeële gegevens, die op een zinnige en verantwoorde wijze uitgevoerd kunnen worden.

Ik geloof, hoop en vertrouw dat we zeker onze weg zullen vinden. We zijn een lastig kind voor de Stichting en het Bestuur, maar straks als dit kind tot een rustige evenwichtige volwassene is uitgegroeid, zult u als bestuur trots zijn op uw grijze haren of kale schedel, want dan zult u kunnen zeggen: We weten de oorzaak van deze vergrijzing of haaruitval, maar het is de moeite waard geweest en als ik het kon overdoen, dan zou ik er weer aan beginnen.






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl