In en om Assen





Uit het leven van een veenarbeider. Herinneringen van Mindert Aardema


Mindert Aardema op 84-jaringe leeftijd (collectie J. Aardema sr.)


De kinderjaren 1884 - 1895

Als het druk was op de bagger ging mijn moeder mee naar het veen en dan moesten wij ook mee. Ik moest lopen en mijn broers Hette en Lucas lagen in de kinderwagen. Onze schapen gingen dan ook mee. Moeder bond die met een lijn vast aan de kinderwagen. Er was ergens op het veen altijd wel wat voedsel voor deze dieren te vinden. Op een avond toen we weer naar huis gingen en voorbij de school op Schoonoord kwamen, schrokken de schapen plotseling van het lawaai van de schoolkinderen en gingen er met de kinderwagen vandoor. Moeder kon de wagen niet meer grijpen.

Daar gingen ze, de schapen met de kinderwagen. Bij de brug namen de dieren de bocht en vlogen de Slenerweg op, waar toen Klaas Schuiling woonde. In dit huis woont thans H. Lambers. Gelukkig kantelde de wagen niet. Er gebeurden geen ongelukken. Wat was moeder blij, dat het zo goed afliep.


Mijn grootouders

In die tijd was ik veel bij mijn grootouders. Je kon daar zo gezellig bij het vuur zitten als het winter was. Ik heb er vaak gezeten. Mijn grootmoeder kon lekker eten koken, al was het ook eenvoudige kost. Daar heeft niet iedereen slag van. Ik zou haast zeggen geen een beter dan mijn grootmoeder. Zij kon ook goed aardappelen koken. Olie en vet doorelkaar, een paar mooie aardappelen daarin gebakken tot ze licht bruin waren, dat was wat anders dan die patat tegenwoordig. En dan een bord fijn gekookte rijstebrij van geitemelk na. Daar besteedde zij veel tijd aan. Elk ogenblik werd de brij met de slief omgeroerd.

Wat lekker! Als we gegeten hadden nam mijn grootmoeder de Bijbel. Dan moest ik een stuk voorlezen. Zij kon zelf lezen noch schrijven. Wat dat betreft is men wel vooruit gegaan. Mijn grootouders hadden geen lezen of schrijven geleerd. Mijn vader en moeder konden gebrekkig hun naam schrijven. Mijn vrouw en ik konden van beide een beetje, wat lezen en schrijven met moeite. Mijn kinderen hadden wat meer geleerd. Mijn kleinkinderen lachen er nu wat om dat we zulke domkoppen waren.


Aardappelrooien

Het was in het jaar 1893 of 1894. Ik mocht met mijn vader mee aardappelen rooien. Aardappelkrabben bestond toen nog niet. Dat rooien ging als volgt. Mijn vader gooide de stammen er uit en ik moest de aardappelen opzoeken. Deze aardappelen werden direct gesorteerd: een grote mand voor de eetaardappelen, wat kleinere voor de poters en een emmer voor de kleintjes. We werkten voor een boer, die Kalsbeek heette: we waren met z'n ach ten. Om een uur of 9 was het schaften, dan werd er een plak roggebrood gegeten. Ieder had een beetje koffie bij zich en een klein blikken doosje. Bij het brood werd een kom zwarte koffie gedronken. Ieder schilde een paar aardappelen voor de middagpot. Men nam een stukje vet en een beetje zout mee van huis. De aardappels werden daarna gekookt waarbij het vet en het zout werden gedaan. Dit werd dan 's middags doorelkaar gestampt. Ik vond het lekker.

Er werkten bij ons ook een bejaarde man en vrouw. Haar mond stond nimmer stil. Ze deed niets dan kletsen. Haar man zei tegen haar: 'Stop joe'n bek met 'n erpel.' Toen het aardappelrooien was afgelopen, gaf de boer een feest. Oliebollen en chocolademelk. Ik dacht dat ik ook mocht meedoen, maar dat was mis. Mijn moeder ging mee en ik moest oppassen. Ik was kwaad. Mijn kameraad Pieter Hoogeveen hield me gezelschap. Moeder had bij het vuur een mooie pan met rode bieten klaar staan voor de volgende dag. Van kwaadheid hebben we toen alle rode bieten opgegeten. Geen oliebollen, dan maar rode bieten. Toen mijn ouders 's avonds thuis kwamen, werden ze heel kwaad dat de rode bieten waren verdwenen. Dat was nu het einde van het aardappelrooien: iedereen was kwaad.


Veenarbeider 1895 - 1903

Op een morgen zei ik tegen mijn moeder: Tk ga naar mijn vader. Ik wil helpen werken in het veen.' Mijn moeder antwoordde: 'Je moet naar school.' Toen zei ik tegen haar: 'Laat de school maar opbranden, ik ga er niet weer naar toe.' Nu was mijn vader diezelfde dag naar een andere veenderij gegaan te werken. Het Eeserveen werd aangepakt. Ik ging op stap om bij mijn vader te komen, maar dat viel niet mee. Toen ik onderweg was, heb ik net zo lang gevraagd waar hij nu werkte totdat ik bij hem was. Hij zette een paar grote ogen op toen ik bij hem kwam. 'Wat wil jij?' zei hij tegen me. 'Ik wil je helpen,' was mijn antwoord. 'Dat gebeurt niet, je gaat naar school,' waarop ik zei: 'Dat ding kan om mij opbranden, ik ga er niet weer heen.' Hij begreep dat het menens was wat ik zei. Hij bedacht een middel om mij af te schrikken.

Hij zei: 'Als je wilt werken dan moet je ook tabak pruimen.' Dat had ik er wel voor over. Ik deed een pruim tabak achter mijn kiezen en toen aan het werk. Maar het duurde niet lang of ik lag in het veen en moest overgeven. Mijn vader maar lachen. Hij dacht natuurlijk dat ik hem niet weer na zou lopen. Maar dit was toch misgerekend. De volgende morgen stond ik weer naast hem. Hij zei: 'Jongen, als je werken wilt moet je tabak kauwen.' Ik zei toen : 'Waar is de tabaksdoos?' M'n vader zei: 'In mijn jas.' Toen nam ik weer een pruim achter mijn kiezen. Ik werd niet meer beroerd. Ik had de slag gewonnen. Ik was arbeider geworden met een pruim tabak achter m'n kiezen. Ik was toen elf jaar. Dat was nog eens een leven! Elke morgen vertrok ik met een trommel waarin plakken roggebrood met flinke lappen amerikaans spek er op. Wat was dat heerlijk!


We verhuisden naar Weerdingermond

Mijn vader had meer dan 25 jaar gewerkt voor een baas, in de zomer in het veen en in de winter op de boerderij. Odoornerveen was helemaal verveend, toen was het Eeserveen aan de beurt. Wij bleven wonen in het Odoornerveen, dat was een uur lopen. Mijn vader dacht: als ik nu eens een stukje grond in de buurt van het veen kon kopen en er een huisje op bouwde, wat zou dat een gemak zijn. Vader vroeg zijn baas of hij daarbij wou helpen met wat geld. Het werd geweigerd. Dat was de oorzaak dat we naar Weerdingermond zijn gegaan. De baas was wel goed om je te plukken, maar niet goed genoeg om je eens te helpen. Het was in 1898 dat we verhuisden naar Weerdingermond, om daar bagger te gaan droogmaken. We zijn er nog geen week geweest, toen waren we al weer op Schoonoord, met ons kapotte huisraad.

We zijn er nog heelhuids afgekomen. Het werd een complete oorlog die verhuizing naar Weerdingermond. We kwamen er aan met 6 voerlui in de namiddag. Toen we aan het afladen waren, gingen de arbeiders van hun werk naar huis. Er bleven een man of acht staan kijken naar het afladen. Dit werd het begin van de oorlog. Eén van die mannen begon het paard van de voerman te sarren. Onze voerman, Geert Oving, zei tegen hen: 'Jongens, blijf van dat paard af.' Eén antwoordde toen: Tk ben niet bang voor dat petje.' Geert sprong toen naar hem toe om hem bij het paard weg te krijgen, maar dat was mis, dat werd vechten. Geert was oud soldaat, die 12 jaar in Indië had doorgebracht, hij was wel wat gewend. Hij kreeg echter een slag met een bezemstok op zijn hoofd, zodat het bloed wel een paar meter omhoog vloog en hij buiten bewustzijn raakte.

De naam van de dader was Jans Pool. Vier van hen begonnen ons te helpen om de meubels terecht te zetten, maar toen de lamp moest worden opgehangen, was er een die zei: Tk zal hem zo ophangen, dat we die er gemakkelijk weer af kunnen krijgen.' Ik dacht, wat is dat nou? Ik dacht ik moet zien gewaar te worden hoe ze heten. Ik vroeg naar hun namen en dat lukte, het waren: H. en G. Schaadenberg, K. Knol en F. Bosma. Toen de boel maar op z'n plaats zetten, voor hoe lang zou het blijven staan? Eindelijk was de boel klaar. Er werd toen nogal behoorlijk getracteerd op een borrel. Daarna gingen vader en moeder met mijn broers en zusters eten bij een oom van mij, die woonde op de tweede kruismond, dat was nog een heel eind weg. Ik moest oppassen. Maar wat was het geval?

We moesten een paar maanden bij anderen inwonen, onze woning kwam pas later leeg. In die tijd had men in de veenderijen dubbele woningen. Het voorhuis was bestemd voor de droogmaker, het achtergedeelte voor de vreemde baggerlui. De mensen die voorin woonden wilden ons daar niet hebben. Onze nieuwe baas had dit gedeelte zo lang gehuurd totdat onze woning leeg was. De vier jongens waarvan ik de namen had gekregen, werden bijna gek in hun hoofd gemaakt van de sterke drank. Ik bemerkte wel dat het mis zou gaan. Wij hadden 2 geladen geweren en een geladen revolver in de kast staan, maar moeder had de sleutel bij zich, zodat ik daar niet bij kon. Ik kon mij niet verweren. Op een gegeven moment kwamen zij uit het voorhuis stuiven en joegen mij de deur uit.

Toen begon de verwoesting. Alles werd stuk geslagen. Ik ben toen naar een buurman gegaan, maar die kon er ook al niets meer aan doen. De slag was geleverd. De naam van de buurman was Jan Hilber. Eindelijk kwamen mijn ouders terug. De kinderen bleven bij mijn oom slapen. Onze spullen waren door het oorlogsgeweld verwoest. Zo vonden mijn ouders de zaak terug. Mijn vader en mijn oom gingen naar de vervener, Pieter Nieman. Die ging dadelijk naar de politie. Fietsen waren er in die tijd niet, zodat ze alles moesten lopen. Het duurde lang voordat ze terug waren. Eindelijk, midden in de nacht, kwamen ze terug met de politie er bij. Ze zetten grote ogen op toen ze de verwoesting zagen. De politie zei: 'Als we nu maar wisten wie dat gedaan hebben.' Toen zei ik tegen hem: 'Dat weet ik wel.'

Ik maakte de namen aan de politie bekend, er werd een procesverbaal opgemaakt. Intussen was Geert Oving weer thuis. Ze waren met hem naar dokter Bonnema gegaan in Odoorn, die had hem verbonden. Mijn vader zei tegen onze baas: Tk ga weer terug naar Schoonoord.' Hij zei: 'Blijf toch hier, ik zal alles vergoeden, wat niet gerepareerd kan worden, daar krijg je nieuw voor.' Maar mijn vader wilde niet in zo'n wildernis wonen. De volgende dag ging hij lopende naar Schoonoord. In Schoonoord had men al gehoord van de oorlog in Weerdingermond. Vader kwam bij de heer Van der Sluis, die zei tegen hem: 'Welkom op Schoonoord, je kunt bij mij wel werk krijgen. Ik heb op het ogenblik geen woning voor je, maar een familielid van mij heeft binnenkort een woning leeg.' Hij zou er met Lambert de Boer over praten. Dat lukte. Onder voorwaarde dat we zouden helpen om een stukje veen, dat hij wilde laten baggeren, droog te maken. Vader ging hiermee akkoord. Vader zou dan werken in het Westdorperveen en ik kon dicht bij huis blijven en bij L. de Boer aan 't werk.


Werkverschaffing, tweede van rechts: Mindert Aardema (collectie J. Aardema sr.)


Baggelvlotten

In die tijd werd ik door iemand gevraagd of ik wilde helpen met baggervlotten. We hadden het zelf niet zo druk meer, dus dat kon wel. Er moest wat verdiend worden. Het was in oktober. Ik moest 's morgens om 4 uur bij hem wezen, zodat ik om drie uur moest opstaan. Ik moest 2 kilometer lopen dan waren we bij de vlotbok en dan het veen in. Als we bij de turfbulten waren stonden de sterren nog aan de hemel. Als we laadden moest ik de turf op de kruiwagen leggen, dan werd er naar de bok gekruid. Was de bok vol dan moesten we varen naar de hoopstee. Daarna de turf in korven sjouwen naar de hoopstee. Als de bok leeg was gingen we het veen weer in.

Zo ging het al maar door laden en lossen, tot het donker was. Het is wel eens gebeurd dat ik het pad bijna niet meer kon vinden in het veld. We hadden het er erg druk mee. De ene dag 2 keer laden en 1 keer lossen. De andere dag 2 keer lossen en 1 keer laden. Ik verdiende toen 30 cent per dag. Als ik alle uren rekende had ik zo ongeveer anderhalve cent per uur. De turf stond ongeveer op hetzelfde punt waar nu het brughuis staat bij het kanaal Schoonoord Buinen, ongeveer op de scheiding van het Eeser- en het Westdorperveen.


Borgen en sparen

Het winterwerk in het veen was tot nu toe afbonken en veldslechten, waarop door baggerlui de bagger-modder kon worden gelegd. Twee man was een span, een spitter en een menger. De modder werd elf duim dik gelegd op het veld. Daarna kwam ons werk om er baggerturf van te maken. Het was zwaar werk vooral in de winter als er gebonkt moest worden. Als we dan bij dat koude weer om een dik turfvuur brood zaten te eten en een grote kom koffie dronken, zwarte koffie, dan waren de gesprekken meestal over dat zware werk en het kleine loontje.

Het daggeld was toen 65 cent en 's zomers 1 gulden. Ik luisterde dan naar al die gesprekken. In die dagen waren de verveners wel verenigd maar de arbeiders niet. De meeste verveners hadden een winkel waar dan wat boodschappen konden worden gehaald, 's Winters wat borgen en 's zomers weer wat oversparen. Éénmaal in het jaar moest worden afgerekend. Er werd toen verteld, dat op het orgel werd voorgespeeld: 'Zet de tering naar de nering, anders krijgt de nering de tering.


De oorlog en daarna

Het was 15 januari 1943, ik even naar de dokter in Erica, Stukje was zijn naam, ik kreeg een brief van hem mee. Toen weer met de politie in de bus naar Assen. Ik kwam in een cel. Er was niets anders dan een kopkussen, daar ben ik op gaan zitten. Ik kreeg een pan snert, die was goed. Ik riep de bewaarder, die voorbij kwam, dat ik hechtenis had gekregen maar geen gevangenis. Toen moest ik naar een kamer waar ze keken of ik ook wat in m'n hemd had. Ik werd daarna naar een zaal gebracht, waarin een man of 18 zaten. In die zaal was ook een Duitser, die vroeg hoe het met de krieg was. Ik vertelde hem dat de Duitsers bij Stalingrad waren teruggeslagen. Hij was blij dit te horen. Hij had dan nog een kans om vrij te komen. Hij was deserteur.

Het brood dat ik bij me had, heb ik verdeeld onder die lui. Ze waren er blij mee. Ik was ingeburgerd bij die mensen. We kregen daar ook werk. We moesten grote bonen uitzoeken. Er kwamen heel wat bonen in de magen van de uitzoekers terecht. Ik heb daar 5 dagen gezeten, toen moest ik op transport naar Veenhuizen. Daar moesten de kleren uit en in bad. Daarna een gevangenispak aan. Onze kleren werden gebundeld. Ik zou ze de eerste 15 maan¬den niet terugzien. Toen voor de dokter. Daarna moesten we aardappelen schillen. Ik begon te schillen, maar dat was niet goed. Alleen de steken eruit, het was oorlog en dan moesten we zuinig zijn. Tijdens de middag gingen we naar 't hospitaal en daar hebben ze mij aan m'n negenoog geholpen.

Ik heb daar een 14 dagen gezeten. Daarna werd ik ingedeeld in een veenploeg. Mijn werkbaas vroeg waar ik vandaan kwam. Toen hij hoorde dat ik uit Schoonebeek kwam, zei hij dat hij daar een neef had wonen. Ik vroeg hem toen wie dat was. Hij zei Koene Fokkema. Ik vertelde hem dat hij even mis was, dat was Schoonoord, het is mijn neef ook. Ze vroegen me wat ik had uitgehaald. Toen ze hoorden dat ik een varkentje geslacht had, zeiden ze: 'Of mag dat ook al niet meer.' Toen ik er ongeveer een maand had gezeten, werd me gezegd dat ik binnen moest blijven omdat ik bezoek zou krijgen. Ik wist dat ik controle kreeg voor dat ik in de ontvangstkamer kwam, dat was anders niet zo slim, maar ik had net m'n rooktabak voor pruimtabak geruild.

De 3 pakjes pruimtabak werden me afgenomen. Toen naar de ontvangstkamer, ze kwamen bij me, ze keken wel een beetje vreemd tegen mij aan in m'n keloniepakje. Ze hadden vier mooie droge metworsten bij zich, maar die mocht ik niet hebben. De tranen kwamen me in de ogen. Na afloop werd me gevraagd hoe ik aan die 3 pakjes pruimtabak was gekomen. Ik kreeg 1 pakje terug. In de avond moest ik naar het bureau. Ik moest zeggen met wie ik die pruimtabak geruild had. Ik vertelde daar dat ik die man niet kende. Omdat ik al wat bejaard was, zouden ze het door de vingers zien. Toen ik bij de jongens terug kwam, hadden deze steeds in spanning gezeten hoe het zou aflopen. Ik zei tegen hen dat ik had gezegd dat ik geen mens kende. Dan was het goed.

Ik had die maand zuinig tabak. Je kon er anders best wezen. Ik voor mij zou er liever zitten dan in een tehuis voor bejaarden. Toen mijn tijd om was ben ik direct weer aan het werk gegaan bij H. J. Visser uit Emmen, turfmolm zoeken en veenstobben, heide steken enz., tot 1946. Toen weer in de sloten bij de gemeente en bij de wegenbouw. Daarna heb ik nog gewerkt in het magazijn van de Heidemij. als inpakker enz. Ik liep naar de 65 jaar. Er kwam toen iemand van het Arbeidsbureau bij me die vroeg of ik direct aan Drees wilde. Ik zei tegen hem: 'Ik heb hier in het magazijn nog nooit zulk werk gehad. Ik kan hier wel honderd jaar worden.' Ze hebben me nog een half jaar laten werken.

Mijn baas deed nog moeite om me langer te houden in het magazijn. Het mocht niet, ik was uitgediend. Toch ben ik nog een poosje bij de wegenbouw geweest voor Reef. Daarna nog op een ontginning en toen was het gebeurd. Ik ging thuis karweitjes doen en bij mijn kinderen. Mijn schoonzoon en dochter zijn kort na elkaar overleden. Ik wilde daar toen alleen blijven wonen, maar dat wilden de kinderen niet. Ik mocht niet alleen zijn. Ze wilden mij allemaal wel hebben. Nu ga ik van de een naar de ander, met het vaste adres: Vos van Steenwijklaan 9, Schoonebeek.

Er is al heel wat veranderd in Drenthe in mijn leven. Vroeger was het alles heide en veen, nu allemaal bos en mooie landerijen. Toen gingen de kinderen van 11 en 12 jaar mee naar 't werk, nu zijn ze tot 16 jaar op school. Zij weten nu wel waar de 1 van 21 moet staan. Het is mijn wens dat ze allen overeenkomstig hun aanleg een goede werkgelegenheid mogen vinden om hun kost te verdienen.


Bronvermelding:

'Uit het leven van een veenarbeider, herinneringen van Mindert Aardema. Bosch & Keuning nv, Baarn 1981, ISBN 90 246 4407 0






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl