In en om Assen





Eerst Moluks en dan pas vrouw


De kondé bulan (haardracht) is een knot in maanvorm die bij feestelijke gebeurtenissen wordt gedragen. (foto Cees van der Laan)


Biar kaja apa, nona é, udjang emas di tanah orang tidak sama udjang batu di tanah sendiri!
Sudah nasib begitu, mau bikin apa...


Molukse vrouwen in Drenthe, 1950 - 1990

Midden in de bossen tussen de Drentse dorpen Erp en Hooghalen lag tot in de jaren zeventig een groot barakkenkamp. Nederlanders kennen het doorgaans als kamp Westerbork. Het werd in 1939 gebouwd en was destijds bedoeld als opvangcentrum voor Duitse joden, die het nazi-regime waren ontvlucht. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Westerbork door de Duitse bezetter gebruikt als 'Durchgangslager' voor joden die naar de gaskamers in midden- en oost-Europa werden afgevoerd. Na de oorlog bood het kamp onderdak aan onder meer voormalige NSB-ers en Nederlandse militairen en repatrianten uit Indonesië.

In 1951 arriveerde een nieuwe groep bewoners en werd de naam van het kamp gewijzigd in Schattenberg, naar een kleine grafheuvel die even buiten het kamp lag. De groep bestond uit circa tweeduizend Ambonese militairen en hun gezinnen, die in dienst waren van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger. Deze gezinnen hadden in Indonesië een turbulente periode achter de rug. Amper bekomen van de Japanse overheersing in de Tweede Wereldoorlog, waarbij velen waren geïnterneerd in Jappenkampen, maakten ze een onzekere tijd door. Politionele acties werden gevolgd door het onafhankelijkheidsstreven van de Molukse militairen die niet tot de Indonesische Republiek wensten te behoren. Zij riepen een eigen republiek, de República Maluku Salatan (RMS) uit.

Uit angst voor represailles van Indonesië besloot de Nederlandse regering in 1950 de Molukkers tijdelijk naar Nederland over te brengen. Van de ene op de andere dag werden de gezinnen ingescheept om naar een ver, koud en onbekend land te vertrekken. Ze gingen er een onzekere toekomst tegemoet.


Schattenberg

Schattenberg, zo blijven de Molukkers kamp Westerbork noemen. Tussen 1951 en 1970 woonde in dit Drentse oord de grootste Molukse gemeenschap van Nederland. Ik woonde er zelf van mijn vierde tot mijn negende. Voor de meeste Molukkers is Schattenberg synoniem met geborgenheid en saamhorigheid. Zij leefden er bijna geheel afgezonderd van de buitenwereld. Door alle invloeden van buitenaf te weren, hielden de Molukkers vast aan eigen tradities, de eigen taal, cultuur en vooral aan hun eigen ideaal: terugkeren naar een vrije Republiek der Zuid-Molukken.

Voor vrouwen betekent Schattenberg echter ook slechte en krappe behuizing voor hun kinderrijke gezinnen, betutteld worden door een Nederlandse overheid die nog weinig wist van opvang van mensen uit een andere cultuur, een onmondige positie in de Molukse gemeenschap op het gebied van kerk en politiek. Dit ondanks het feit dat Molukse vrouwen zowel thuis als op cultureel gebied in de Molukse gemeenschap hun zegje konden doen. Tijdens de kampjaren veranderde er weinig in de Molukse gemeenschap. Net als in het voormalige Indië bleef zij een mannenmaatschappij met een heel eigen, enigszins matriarchaal, karakter.

Veel oud-Schattenbergers denken nog steeds met weemoed terug aan het kamp: 'We speelden altijd buiten, gingen de bossen in zodra we uit school kwamen. Of speelden Molukse kinderspelletjes. Wij kinderen hadden een zorgeloze tijd. Heimwee naar Indonesië hadden we alleen als het heel erg koud was. Zo typeert oesi (Mejuffrouw) Elly Rugebregt, die op tienjarige leeftijd naar Nederland kwam, haar jeugd in Schattenberg.


Onze moeders regelden alles

Na de aankomst in Rotterdam vertrok oesi Elly met haar ouders, broers en zusters naar het opvangkamp Amersfoort. Van daaruit werd het gezin naar Schattenberg gebracht. Oesi Elly herinnert het zich als de dag van gisteren: 'De kampbeheerder en een maatschappelijk werkster wachtten ons op. Zij wezen ons onze toekomstige woning, een paar kamers in een van de barakken. Mijn vader haalde ergens dekens op. Eén van de eerste dingen waar we ons over verbaasden waren de strozakken waar we op moesten slapen. Dat was iets onbekends, waar we heel vreemd tegenaan keken.' De volgende ochtend lag er sneeuw. 'We wisten niet wat we zagen. Alle kinderen renden naar buiten, in pyjama, sommigen op blote voeten.

We renden net zo snel weer naar binnen. Ijskoud was het!' In de barakken was slechts het allernoodzakelijkste aan huisraad aanwezig: stapelbedden, een tafel, wat stoelen en een kolenkachel. Toiletten en wasruimten waren gemeenschappelijk. Midden in het kamp stond een centrale keuken, waar Nederlandse koks voor alle bewoners kookten. De vreemde aardappelen smaakten niet bijzonder lekker, en evenmin groenten als spruitjes en prei. Bovendien kregen de Molukkers maar één warme maaltijd per dag terwijl ze gewend waren om tweemaal daags warm te eten. Toch verschilde voor oesi Elly het leven in Indonesië weinig van het kampleven: 'Het leven in Schattenberg was hetzelfde als in de kazerne in Indonesië. We speelden veel buiten.

Wij kinderen vermaakten ons wel.' Gelukkig werd in de centrale keuken al spoedig een aparte afdeling ingericht waar de vrouwen op bepaalde tijden zelf konden koken. De benodigde ingrediënten kochten zij van winkeliers uit de omgeving die regelmatig met hun auto's het kamp bezochten. Ze werden betaald van het zakgeld dat iedereen kreeg: volwassenen vijf gulden per week, kinderen twee gulden vijftig. Omdat oesi Elly in Indonesië een Nederlandse school had bezocht, sprak ze goed Nederlands. Dit kwam haar af en toe goed van pas. 'Als ik eens naar Assen ging, naar de markt of zo, dan werd ik regelmatig aangehouden door een tante om als tolk te helpen bij de boodschappen. Overigens was mijn moeder een van de weinige Molukse vrouwen in het kamp die Nederlands sprak.'


Iedereen wist alles van iedereen

Van meisjes werd al op jonge leeftijd verwacht dat ze meehielpen in de huishouding. Net als in Indië leerden ze al vroeg koken. 'Als ik mijn moeder vroeg hoe iets klaargemaakt moest worden, dan was haar antwoord steevast: je hebt schrijven geleerd, je weet hoe je een boek moet lezen, dus geef je ogen maar goed de kost.' Met andere woorden: als je bij het koken helpt, moet je goed opletten en onthouden. Zo heeft mijn moeder het geleerd en zo moest ik het ook maar leren. Onze moeders hadden zoiets van: als je een recept zomaar prijsgeeft, dan is dat een soort diefstal oftewel pentjuri mata. De woonruimte voor de gezinnen was niet alleen buitengewoon klein, maar bovendien uiterst gehorig. De kamers waren slechts door vliesdunne wandjes van elkaar gescheiden.

Omdat meerdere gezinnen in de barakken woonden was er weinig privacy. Alle volwassenen mochten zomaar andermans kind aanspreken, om een boodschap sturen, of een standje geven. 'Je keek er als kind niet van op als je 's middags op straat een oom of tante tegenkwam, die je naar huis stuurde voor een middagdut. Dat was een geijkte gewoonte, 's Middags moesten de kinderen naar bed', vertelt oesi Elly. Ze benadrukt dat alle Molukse volwassenen zich met eikaars kinderen mochten bemoeien. Nederlanders die dachten dat ze iets over de kinderen te zeggen hadden werd duidelijk gemaakt dat ze zich vergisten: 'Eén van de Nederlandse onderwijzers gaf mij eens een tik. Ik vertelde dat aan mijn moeder.

De volgende dag stapte zij naar de betreffende onderwijzer. 'Als er iemand is die mijn kinderen een tik mag geven, dan ben ik dat zelf. Ik verbied u ooit nog mijn kind met een vinger aan te raken', gaf mijn moeder hem te verstaan. Zo ging dat meestal. Onze moeders waren meestal degenen die alles regelden wat met de kinderen te maken had.' Iedereen wist alles van iedereen. Als er in een gezin sprake was van ruzie of mishandeling, werd de kampraad er bij gehaald. Eén algemeen beraad weet oesi Elly zich goed te herinneren. Haar moeder speelde daarin een grote rol: 'Het beraad vond plaats op aandringen van verschillende buren van ons. Zij vonden dat er een eind moest komen aan de mishandeling van een kind bij ons in de buurt.


Kinderen in Schattenberg, begin jaren zestig. (foto Bob Seidel)


Meisjes mochten nooit alleen het kamp uit

Zij was geadopteerd door een echtpaar dat haar uit Indië meegenomen had. Dat gebeurde veel in die tijd. Sommige mensen namen kinderen van hun baboes, hun bedienden mee. Die mensen hadden zelf al een zoon. Welnu, het meisje kreeg veel slaag en moest veel huishoudelijk werk doen. De mensen zagen haar altijd met warm water sjouwen. In de meeste barakken was geen warm water. Die kon je op drie verschillende plaatsen in het kamp halen. Dat was iets wat je een kind niet liet gebeurd.' Met name meisjes werden goed in de gaten gehouden. En zonodig gestraft. De ex-militairen hadden hun eigen manier om te straffen. Niet alleen vader deelde straffen uit, ook moeder hield zich hiermee bezig: 'Je had typische meisjes- en ook echte jongensstraffen.

Het waren vaak harde militaristische straffen. Meisjes moesten meestal 'pompa' doen, een soort pompen, waarbij je staand, op en neer door de knieën moest gaan, terwijl je met je handen je oren moest vasthouden. Dat heb ik veel gedaan. Of je werd geknepen, een van de ergste straffen. Daar was mijn moeder zeer goed in. Ze kneep dan in de binnenkant van mijn dij. Jongens kregen andere, nog hardere straffen. Ze moesten weieens naakt buiten staan.' Hoewel de straffen in Nederlandse ogen hard mogen overkomen was van gebrek aan ouderliefde geen sprake. 'Die straffen hoorden erbij. Geen enkel kind in het kamp stond erbij stil of zijn ouders wel of niet om hem of haar gaven.

Straf was wel hard, maar je had dan ook iets gedaan waarvan je wist dat het niet mocht.' Desalniettemin vindt oesi Elly dat het niet altijd rechtvaardig toeging: 'Meisjes mochten nooit alleen het kamp uit. Dat was er niet bij. Als meisje mocht je al niet te laat thuiskomen, laat staan alleen ergens naar toe gaan. Kwam je toch buiten je schuld om te laat thuis, bijvoorbeeld vanwege een lekke fietsband, dan ontliep je je straf niet hoor. Je hoefde ook geen nadere uitleg te geven. Je was gewoon te laat.' De vrijheid voor meisjes was dan ook beperkt.


Nu wonen we in aparte huizen

Vanaf de tweede helft van de jaren vijftig veranderde het overheidsbeleid ten aanzien van de Molukse gemeenschap. Van een kort verblijf in Nederland, zoals aanvankelijk de bedoeling was, kon niet langer sprake zijn. Alles wees erop dat de Molukkers voorlopig niet naar hun land van herkomst zouden terugkeren. Dit was namelijk pas mogelijk wanneer zij zouden afzien van hun ideaal, een vrije republiek der Zuid-Molukken en de Indonesische nationaliteit zouden aanvaarden. De meeste Molukkers weigerden dit. De regering koos dan ook voor een integratiebeleid. Een eerste aanzet daartoe werd gegeven in 1956. In dat jaar werd de zelfzorg ingevoerd. Molukkers kregen officieel toestemming deel te nemen aan de arbeidsmarkt om zo in hun eigen levensonderhoud te kunnen voorzien.

Ondertussen werd omgezien naar meer passende woonruimte. De regering was de mening toegedaan dat het leven in de barakken de integratie van Molukkers in de Nederlandse samenleving zou belemmeren. In hoog tempo werden in Assen en Bovensmilde nieuwe woonwijken uit de grond gestampt. Een groot deel van de Molukkers verhuisde in de jaren zestig naar de nieuwe woonwijken. Oesi Elly kwam in Bovensmilde terecht. Zij woont daar nog steeds. De verhuizing bracht in haar ogen een aantal wezenlijke veranderingen in de Molukse gemeenschap met zich mee. 'Er is minder saamhorigheid. Iedereen is meer zijn eigen leven gaan leiden. In het kamp kon je zo bij de buren naar binnen lopen. Nu wonen we allemaal in aparte huizen. Je bemoeit je minder met elkaar.'

Ook voor de vrouwen, met name die van de tweede generatie, waartoe zij zelf behoort en van de derde generatie veranderde het nodige. Molukse meisjes genieten tegenwoordig veel meer vrijheid. 'Maar dat zal ook wel te maken hebben met de tijd waarin we leven. Ook in de Nederlandse samenleving is op dat gebied wel wat gebeurd.' Oesi Elly vindt overigens dat de omgang tussen moeders en dochters ten goede is veranderd: 'Zoals ik eerder vertelde hoefde ik vroeger mijn moeder niet om een recept te vragen. Diezelfde moeders die daar vroeger niets van wilden weten, willen nu wel vertellen hoe je iets klaar moet maken. Dat is toch kenmerkend voor de veranderde omgangsvormen. Het is wel zo dat oudere Molukkers, ook vrouwen altijd met veel respect worden behandeld door jongere mensen.

Dat is iets dat ons met de paplepel ingegoten wordt.' Volgens oesi Elly is een ander gevolg van de verhuizing dat het contact tussen de Molukkers en de Nederlanders sterk is toegenomen 'Vooral de jongeren die nu naar Nederlandse scholen gaan, gaan meer om met Nederlanders. Wat je ziet gebeuren is dat iedereen een keus maakt. Je hebt jongeren die uitsluitend met Nederlanders omgaan. Dat zijn er overigens niet zoveel. Anderen willen alleen met andere Molukkers omgaan. Het contact met Nederlanders beperkt zich zo'n beetje tot de school. Hier in Bovensmilde is dat de grootste groep. Weer anderen kiezen voor contacten met Molukkers en Nederlanders.'

Voor de ouderen is er sinds zij het kamp verlieten echter weinig veranderd. Zij gaan nog steeds heel weinig met Nederlanders om. 'Wat wil je ook? Ze hebben elkaar. Bovendien beheersen de meesten het Nederlands nog steeds niet. Ze hebben immers nooit les daarin gehad. Nu ze oud zijn, wil dat ook niet meer zo goed.' Wat oesi Elly opvalt, is de grotere belangstelling voor de eigen cultuur. 'Mijn kinderen vragen mij regelmatig het éen en ander over onze cultuur. Eigenlijk houden zij zich daar meer mee bezig dan wij vroeger in Schattenberg.'


Voor geesten was iedereen bang

Cultuur in Schattenberg was de menari-dansgroep, de tjakalele (krijgsdans), de Molukse bruiloften, belijdenissen en doopfeesten, de Molukse kerstviering en de kleding. Wat voor rol speelden de vrouwen binnen de Molukse cultuur? 'De cultuur is eigenlijk altijd een vrouwenzaak geweest. Dat was het in Indonesië, of beter gezegd Indië, dat was het in Schattenberg en dat is het nog steeds', zegt oesi Elly. In Schattenberg maakte oesi Elly deel uit van de menari-groep. Dat betekende regelmatig optreden in het land, voornamelijk voor Nederlands publiek. 'Dat waren leuke uitjes. Zo vaak gingen we het kamp niet uit.' Van echt contact met Nederlanders was overigens geen sprake. 'Wij waren een soort attractie voor ze.'

Naast de dansgroep zorgden de zondagse uitjes, georganiseerd door de Stichting door de Eeuwen Trouw, voor contact met de buitenwereld. Hieraan heeft oesi Elly overigens weinig leuke herinneringen: 'Ongeveer één keer in de maand werden de kinderen opgehaald met een bus. Je ging een dagje op bezoek bij een Nederlands gezin. Zo ben ik weleens naar de stad Groningen geweest. Je ging mee naar de kerk, een beetje wandelen, je bleef voornamelijk binnenshuis een beetje praten. Dat wil zeggen, zij stelden de vragen en wij gaven antwoord. Ik heb die bezoekjes nooit leuk gevonden. Dat waren wij niet gewend, om zo binnen te zitten. In het kamp ging je na de kerkdienst en zondagsschool naar buiten.' In Schattenberg waren de rollen, net als voorheen, gescheiden.

Mannen hielden zich met politiek en kerk bezig, de vrouwen met het gezin, het huis en de cultuur. Overigens viel dat in het begin niet mee. 'Onze ouders hadden zoveel aan hun hoofd, ze moesten zichzelf terugvinden na alles wat ze meegemaakt hadden, ze moesten heel erg wennen aan dit land.' De gezinnen waren kinderrijk. Gezinnen van acht of meer kinderen waren geen uitzondering. De cultuur stond een tijdlang op een laag pitje. 'Langzamerhand gingen onze moeders zich er steeds meer mee bezighouden. In het begin was er niet zoveel geld, dat speelde ook mee. Tot 1956 kregen de volwassenen een paar guldens zakgeld per week en eten van de gaarkeuken. Daarmee doe je niet zoveel.' Oesi Elly weet zich te herinneren dat de moeders zelf hun kebaya maakten van Europese stoffen.

'De meeste vrouwen hadden de sarongs meegenomen uit Indonesië. Dat was immers hun dagelijkse kleding. Omdat deze kleding vrij dun is, droegen ze jaeger-onderbroeken onder de sarong en vesten over de kebaya.' Cultuur was echter ook de adat (Molukse tradities), pelaschap, het geloof en het bijgeloof in geesten. Hoewel de meeste Molukkers in Drenthe deel uitmaken van de Moluks Protestantse Kerk, de GIM (Geredja Indjili Maluku) speelt het bijgeloof, met name in goede en kwade geesten, een belangrijke rol. Kwade geesten zijn bijna altijd vrouwen. Een voorbeeld hiervan is een vrouw die in het kraambed is overleden, met het kind nog in de buik. Volgens Molukkers blijft zij veertig dagen op aarde ronddwalen op zoek naar mannen, om wraak te nemen voor haar ongeluk.

De mannen in de Molukse gemeenschap mogen gedurende die tijd na middernacht niet naar buiten. Anders lopen ze kans door deze geest achtervolgd te worden. Aspecten van het christendom spelen een belangrijke rol in het Molukse bijgeloof. Molukkers geloven dat de ziel van een overledene nog veertig dagen op aarde ronddwaalt, net als bij Jezus, om daarna naar de hemel te gaan. Een dode verschijnt in die veertig dagen regelmatig voor een bekende, soms met een boodschap. Kwade geesten zijn overal, geloven de Molukkers. Vooral in Schattenberg had je veel geesten. Dat was niet vreemd, als je bedenkt dat het kamp onverbrekelijk met de dood verbonden is, meent oesi Elly.

'De meeste slachtoffers van het nazisme die daar op transport gezet zijn, zijn niet meer levend teruggekomen. Ook zijn in het kamp zelf veel mensen gestorven.' Zij vertelt over een voorval: 'Op een avond vroeg een tante aan mijn vader, waarom hij mij nog zo laat straf gaf. Zij meende mij voor onze barak te hebben zien staan. Mijn vader antwoordde dat hij nooit 's avonds zijn kinderen zo'n straf op zou leggen.' Wie 's nachts nog naar het toilet moest, dat in de meeste barakken aan het eind van de gang lag, doorstond angstige momenten. 'Er werd altijd gezegd, dat je een vrouw kon tegenkomen, die je te lijf zou gaan. Voor deze geest was iedereen bang.'


Het versieren van een tafel ter ere van een belijdenis (foto Cees van der Laan)


Molukse liefdadigheid

Een paar jaar na hun komst naar Nederland besloot een aantal vooraanstaande Molukse vrouwen, waaronder domineesvrouwen en echtgenotes van de ministers van de RMS-regering in ballingschap, een eigen vrouwenorganisatie op te richten. Ze riepen vrouwen in de verschillende woonoorden op een eigen afdeling op te richten. Zo ontstond de Federasi Indjili Kaum Ibu Maluku (FIKIM), later omgedoopt tot PIKIM. De PIKIM kan het beste omschreven worden als een liefdadigheidsinstelling op zijn Moluks, met behoudende trekken. De doelstelling van deze organisatie was om daar waar nodig hulp te bieden en zich bezig te houden met de Molukse cultuur. Bij bruiloften, kerstvieringen voor de kinderen tot en met de viering van de proclamatie van de RMS op 25 april, kon een beroep worden gedaan op de vrouwen.

Maar ook bij een sterfgeval verzorgden de piKiM-vrouwen de koffie en het eten. Dan werd tevens een inzameling in de gemeenschap gehouden waarvan de opbrengst bestemd was voor steun aan de nabestaanden. Vrouwen hielpen met het koken van de Indonesische maaltijden en lekkernijen voor honderden tot duizenden mensen. Bij een bruiloft hield dit in dat de moeders ruim een week lang gezamenlijk kookten. Tussen het koken door gingen ze even naar huis om het gezin te verzorgen. Het gezamenlijk koken was een vorm van sociaal contact en ontspanning. Er werden veel nieuwtjes uitgewisseld en men maakte plezier zoals alleen Molukse vrouwen kunnen. Het koken zelf was niet zelden een evenement op zich, waarbij het erom ging wie het hardste en het langste kon lachen en wie de leukste grappen kon maken.

Daarbij waren mannen die zich in de buurt van vrouwen waagden, meestal het mikpunt van de grappen. Wie zin had om te lachen, zocht de vrouwen op die voor een bruiloft kookten. Orang dapur, keukenlieden, zo weten alle Molukkers. Na de verhuizing van Schattenberg naar Assen en Bovensmilde kregen beide plaatsen een eigen afdeling. De doelstelling van de PIKIM is in de loop der jaren onveranderd gebleven. De huidige leden denken over veel zaken nog hetzelfde als de vrouwen die de organisatie oprichtten. De Molukse vrouw is in hun ogen steun en toeverlaat, zowel voor het gezin, de kerk als de Molukse gemeenschap. Nog steeds kan een beroep op de leden worden gedaan om te helpen bij bruiloften, sterfgevallen en de kerstvieringen.

Nog steeds brengen zij Molukkers in het ziekenhuis een bloemetje. 'Wij zijn er om hulp te bieden. Maar wij dienen daarbij wel op de achtergrond te blijven en ons niet inhoudelijk met politiek of met de kerk te bemoeien. De politiek is een mannenzaak en voor de kerk hebben we de kerkeraad. Wat wel belangrijk is, is dat wij achter de RMS-regering staan, hoe dan ook. Wij helpen ze met het gebed.' Aan het woord is tante Ot Matitaputty. Zij is vanaf het begin als bestuurslid betrokken geweest bij het werk van de PIKIM. Tante Ot hield zich vanaf de oprichting met de cultuur bezig. Zij leidde in Schattenberg de menari-groep waar oesi Elly lid van was. Dit doet zij in Assen nog steeds. 'Met de menari-groep ben ik stad en land afgereisd voor optredens.

Daar hoorde onder meer de tjakalele bij en de dansa tali (touwdansen). Ik vond dat wij onze cultuur moesten laten zien aan iedereen die er belangstelling voor toonde.' Op 25 april trad de menari-groep altijd op in de Haagse Houtrusthallen, bij de viering van de proclamatie van de Molukse republiek. Als bestuurslid van de PIKIM hield tante Ot zich ook bezig met de organisatie van uitstapjes. 'Eens per jaar gingen we een dag op stap. Iedereen kon zich daarvoor inschrijven, ook mannen en kinderen. Zo zijn we regelmatig naar Scheveningen geweest. Maar we gingen ook naar België en Keulen.' De belangstelling voor de PIKIM was het grootste in Schattenberg, in de jaren zestig en begin jaren zeventig. 'We hebben ooit tweehonderd leden gehad', zegt tante Ot daarover.

Tegenwoordig blijft het aantal leden hetzelfde, in Assen schommelt het rond de honderd, meer eronder dan erboven. 'Wat wil je ook. Mijn generatie vrouwen sterft zo langzamerhand uit. Daardoor neemt het aantal leden af. Gelukkig komt er zo nu en dan een jonge vrouw bij. Daar zijn we dan heel blij mee, want zij zijn het die de fakkel brandende moeten houden.' De eigen kerkdienst voor vrouwen die de PIKIM vanaf het begin hield, wordt nog steeds eens in de week gehouden. Eén van de PiKiM-vrouwen leidt daarbij de dienst.

Hoe gaan de PiKiM-leden om met de huidige Molukse problemen? Bespreken zij weieens de huidige problemen in de Molukse gemeenschap. Hebben zij het over de hoge werkloosheid onder Molukkers, de teruggang in kerkbezoek onder hun jongeren of de emancipatie binnen hun gemeenschap? 'Het enige dat wij kunnen doen is bidden en hopen dat het allemaal goed komt', zegt tante Ot.


Politieke keuzes

Totaal verschillend van de PIKIM is de vrouwengroep in Assen en Bovensmilde. Zij ontstond uit de emancipatiegolf eind jaren zeventig. Was de PIKIM gericht op ondersteuning van kerk, gezin en samenleving, het kenmerk van de vrouwengroep was dat haar leden voor zichzelf kiezen, voor hun eigen ontplooiing. Zij maakte politieke keuzes. Het begon ermee dat jonge Molukse vrouwen die meededen aan allerlei jongerenactiviteiten, in toenemende mate ontevreden raakten over hun ondergeschikte rol. Vrouwen deden wel mee, maar werden niet betrokken bij beleidsvorming van het jongerencentrum. Besluiten werden buiten hen om genomen. Hoewel dit nooit anders is geweest, hadden de vrouwen het er moeilijk mee.

Eén van de vrouwen die zich niet langer met deze situatie kon verenigen, was Mitji Hully. Haar gedwongen verhuizing uit Nijverdal eind jaren zestig zette de zaak in beweging. 'Mijn familie is door de Molukse gemeenschap Nijverdal uitgezet om politieke redenen, omdat mijn vader er een andere mening op nahield. Het was een periode dat er grote politieke spanningen waren in de Molukse wijken. Leden van verschillende groepen, aanhangers van de Badan Persatuan van Manusama en van de Missie van Tamaela stonden elkaar naar het leven. Die uitzetting was voor mij de ommekeer. Daarvoor dacht ik dat jongeren respect hadden voor ouderen. Maar er zaten ook jongeren bij degenen die mijn vader en ons gezin bedreigden. Door wat er met ons gebeurde, is vrijheid van meningsuiting, je eigen mening hebben, voor mij ontzettend belangrijk.'

In Bovensmilde nam Mitji actief deel aan allerlei jongerenactiviteiten. Op een gegeven moment begon het haar te irriteren dat vrouwen zo weinig naar hun mening werd gevraagd: 'De meisjes die aan al die jongerenactiviteiten meededen, werden altijd maar plotsklaps geconfronteerd met allerlei beslissingen. Zo herinner ik me dat ik op een gegeven moment moest meedoen aan een soort gevechtstraining. Dat hadden de jongens bedacht. Het was goed als iedereen zich een beetje kon verdedigen, dachten ze. Dat in verband met de politieke spanningen. Ik weet nog dat ik toen allerlei vragen had over het nut van zoiets. Daar kreeg ik amper antwoord op. Het was nu eenmaal beslist door de mannelijke leiding.' Mitji zocht gelijkgezinde vrouwen op in Bovensmilde en Assen.

Deze groep, die uit twintig vrouwen bestond, sloot zich aan bij de Kelompok, de landelijke activiteitengroep voor Molukse vrouwen. Toch behield de groep in Assen en Bovensmilde een geheel eigen karakter. 'Toen wij eenmaal deel uitmaakten van de Kelompok, gingen wij een voortrekkersrol vervullen. Dat had alles te maken met onze fanatieke houding. Dat is niet zo vreemd als je bedenkt dat op politiek gebied de gemeenschap in Schattenberg en later Assen en Bovensmilde een vooraanstaande plaats inneemt bij Molukkers in Nederland. Deze gemeenschappen vormen altijd de voorhoede omdat ze de grootste zijn.' De vrouwengroep koos duidelijk voor zichzelf. Zij besloot niet te strijden voor de emancipatie van de Molukse vrouw binnen de gemeenschap, maar zette zich in voor de individuele ontplooiing van de vrouw.

Mitji zegt daarover: 'Dat hebben we bewust gedaan. Waarom? We ontmoetten zoveel weerstand vanuit de gemeenschap. We kregen verwijten naar ons hoofd geslingerd als zouden we huwelijken kapot willen maken. Blijkbaar was de Molukse gemeenschap er nog niet aan toe, toen we begonnen.' Een andere reden die de vrouwen aandroegen om zich niet op de gemeenschap te richten, lag simpelweg in het feit dat Molukse vrouwen op hun manier tot op zekere hoogte geëmancipeerd zijn. 'Wat wil je ook? Onze moeders moesten zich in Indonesië al alleen zien te redden omdat onze KNIL-vaders altijd weg waren.

In de begintijd in Nederland werd er ook veel van ze gevergd. Alleen op politiek gebied hadden ze niet veel te zeggen, maar dan nog.' Een voorval dat de emancipatie van de Molukse vrouwen aantoont is het incident met de toenmalige minister Klompé. Deze voerde besprekingen met allerlei Molukse organisaties, waaronder de PIKIM. 'Wat bleek, de PIKIM was het niet met haar beleid voor Molukkers eens. Wat deden ze? Vanaf het begin tot het einde van de bespreking zei de PiKiM-delegatie niets. Ze hielden hun mond stokstijf dicht, als teken van protest. Dat is een vorm van emancipatie.'


Vrouwen die een muziekworkshop in Bovensmilde volgen, brengen Molukse liederen ten gehore, 1989. (foto Cees van der Laan)


Workshops

Om het contact met de Molukse gemeenschap niet geheel te verliezen, organiseerde de vrouwengroep in de beginperiode regelmatig workshops. Zo werd eens een tweedaagse workshop in Bovensmilde georganiseerd. Het accent lag niet zozeer op de emancipatie, maar op alles wat met de Molukse vrouw te maken had. Allerlei vrouwen werden uitgenodigd, van een body-buildster tot en met oudere vrouwen die vertelden hoe een sarong moest worden gemaakt. 'Het was een geslaagde workshop. Iedereen was er zeer over te spreken. We kregen reacties in de trant van: goh, dat hadden we niet van jullie verwacht. Men dacht dat we het alleen maar over emancipatie wilden hebben.' Uiteraard hebben we daar ook over gesproken, vertelt Mitji.

Zij herinnert zich daarbij een incident: 'Omdat de workshop ook op een zondag plaatshad en gezien de belangrijke rol van de kerk in de Molukse gemeenschap, wilden we een vrouwelijk kerkeraadslid uitnodigen voor een dienst. Maar, we vergaten daarbij de mannelijke kerkleiding van tevoren in te lichten. Dat ging dus niet door. Het hoofd van de kerkeraad, een man, sloeg letterlijk de deur voor onze neus dicht toen we bij hem aanbelden. Daar heb je rekening mee te houden. Als je iets van Molukse vrouwen wilt, dan moet je dat via hun echtgenoot doen. Doe je dat, dan is er niets aan de hand.' Tijdens de verschillende workshops kwamen onder meer thema's als opvoeding, racisme, wat verstaan Molukse vrouwen onder emancipatie en werk aan de orde.


Strijd tegen het racisme

Wat de vrouwengroep in Assen en Bovensmilde kenmerkte was haar politieke keuze. Zij koos voor de strijd tegen racisme, boven solidariteit met de witte vrouwen: 'Wij waren ons er op een gegeven moment van bewust dat emancipatie voor ons wezenlijk anders is dan voor de witte vrouwen. In de Nederlandse samenleving hebben we allereerst met racisme te maken. Voor Nederlanders zijn we nu eenmaal in de eerste plaats Moluks en dan pas vrouw. Daardoor voelden we ons eigenlijk toch meer verbonden met de strijd tegen het racisme dan met de emancipatiestrijd van de witte vrouwen. Ook Molukse vrouwen ondervinden discriminatie aan den lijve. Iedere Molukker heeft van jongs af aan daarmee te maken gehad.

Of het nu op school was, door leraren of Hollandse leerlingen of op het werk of in de winkel. Welke Molukker heeft nooit meegemaakt dat hij of zij niet geholpen wordt in een winkel of onvriendelijk bejegend wordt, terwijl andere Hollandse klanten wel vriendelijk worden behandeld.' De keus voor de strijd tegen racisme hield onder meer in dat de vrouwengroep subsidiegelden niet uit de emancipatiepot wenste maar uit de pot voor minderheden. Ook besloot de organisatie zich alleen op zwarte vrouwen te richten en witte vrouwen uit te sluiten uit onze groep. 'We wilden eerst eruit zien te komen wat emancipatie voor ons Molukse vrouwen betekent. Omdat we voor onszelf gekozen hadden, konden we daarbij geen rekening houden met witte vrouwen.

Het klinkt wel hard, maar zo was het niet bedoeld. Het was meer een praktische overweging. Bij discussies moesten we de witte deelneemsters namelijk altijd van alles uitleggen. Waarom we zo deden, zus en zo dachten. We waren daardoor te veel bezig met ons Moluks zijn uit te leggen.' Met de witte deelneemsters doelt Mitji op Nederlandse vrouwen die lid waren van de vrouwengroep. Dat waren vaak vriendinnen of echtgenotes van Molukkers. Het besluit om niet met witte vrouwen verder te gaan stuitte op groot verzet, met name van andere Molukse vrouwen. 'Dat was het gekke eraan. Vrouwen uit gemeenschappen zoals Hoogeveen en Roden, die meer geïntegreerd zijn dan die van Assen en Bovensmilde verweten ons niet-solidair gedrag.

Terwijl de Nederlandse vrouwen het wel begrepen.' Een recent initiatief waaraan veel leden van de vrouwengroep meededen toonde weer eens de dubbele emancipatieachterstand van Molukse vrouwen, zo vertelt Mitji: 'Bij het opzetten van een project om Molukse vrouwen op de arbeidsmarkt voor te bereiden, kregen we te maken met een witte coördinatrice. Zij wilde overal bij zijn, bij elke bespreking. Op een gegeven moment lieten we haar weten dat we eerst onderling iets wilden bepraten en dat we haar daarna op de hoogte zouden stellen van de uitkomst. Zij dreigde de subsidiegever te waarschuwen.

Later gaf ze toe dat haar bemoeizucht te maken had met de vrees dat we bepaalde zaken niet zelf zouden kunnen regelen. Niet alleen in onze eigen gemeenschap, maar vooral daarbuiten moeten wij Molukse vrouwen emanciperen.' De leden van de vrouwengroep zijn momenteel afzonderlijk bezig met hun eigen ontplooiing. Voor de een is dat een studie rechten, voor een ander is dat een opleiding bij de vrouwenvakschool. De behoefte aan workshops of bijeenkomsten is minder geworden. 'Elk lid weet nu wat zij zelf wil. Dat was uiteindelijk ook het doel van onze groep.'


Tot slot

Ondanks de verschillen in opvattingen, hebben de drie Molukse vrouwen in dit artikel een ding gemeen. Zowel oesi Elly, tante Ot als Mitji hebben elk een eigen keus gemaakt. Oesi Elly kiest voor de cultuur. Ze staat achter veranderingen in de rol van de Molukse vrouw, zonder waarden uit het verleden af te wijzen. Tante Ot kiest duidelijk voor de traditionele, ondersteunende rol van de Molukse KNIL-VTOUW. Mitji ten slotte heeft voor de emancipatie gekozen. De drie vrouwen vertegenwoordigen drie groepen in de huidige Molukse gemeenschappen in Drenthe. Opvallend is dat deze drie groepen onderling veel waardering voor elkaar hebben.

Ze accepteren eikaars zienswijze. Dat verklaart ook dat er nauwelijks botsingen zijn tussen de verschillende groepen vrouwen. De geschiedenis van de vierde generatie Molukse vrouwen, de dochters van vrouwen die hier geboren zijn, moet nog geschreven worden. Wel is al duidelijk dat ook zij de traditie van Molukse vrouwen van onderlinge saamhorigheid zullen voortzetten. Hoewel ze onder elkaar of met hun ouders voornamelijk Nederlands spreken, spreken deze meisjes Maleis met hun oma en behandelen haar met hetzelfde respect, waarmee hun moeders dat deden.


Bronvermelding:

Krüderige wieven : Drentse vrouwen in de twintigste eeuw / onder red. van Marion Hoogendijk. Uitgave in samen werking met Wetenschapswinkel Letteren Groningen (RUG), 1991. Een artikel van Dinah Marijanan (1956). ISBN 90-6011-726-3, NUGI 644






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl