In en om Assen





Offerveentjes in Drenthe


Een laatste rustplaats

Dat venen en veentjes een belangrijke rol speelden in het leven en denken van de pre- en protohistorische Drenten, staat buiten kijf. Tijdens het veensteken en veenbeugelen zijn zoveel gewone en bijzondere voorwerpen aangetroffen, dat het niet anders kan of die moeten daar in het verre verleden bewust zijn neergelegd.

De meeste archeologen nemen aan dat het giften zijn voor bovennatuurlijke machten. Maar welke vorm die bovennatuurlijke machten hadden, op welke momenten in het jaar die voorwerpen daar werden achtergelaten en of dat door groepjes of individuen gebeurde, zijn vragen waarop we het antwoord voorlopig schuldig moeten blijven. Natuurlijk zijn er vermoedens.


Op de foto: Bolleveen bij Zeijen. (foto Bertil Zoer)


De meeste losse bijlen zullen wel door individuen op of in de vochtige ondergrond zijn gelegd en het paar van Weerdinge - dood of nog levend - zal hoogstwaarschijnlijk wel door een grotere groep naar hun 'laatste rustplaats' in het veen zijn begeleid. Maar zeker weten doen we het niet.


'Rijke' veentjes

De provincie Drenthe telde oorspronkelijk een zeer groot aantal veentjes. Al met al moeten het er vele honderden zijn geweest (alleen al op het grondgebied van de oude gemeente Vries zijn er bij een inventarisatie in 1981 zo'n 90 geteld). Uit sommige veentjes - zeker niet uit alle! - kennen we archeologische voorwerpen.Vaak gaat het om een enkel object, zoals een bijltje, een houten bak, een runderhoorn of een maalsteen. Maar er zijn ook veentjes waar duidelijk wat meer aan de hand is, waar bijzonder veel vondsten aan het licht gekomen zijn of die opmerkelijke grondsporen en/of structuren hebben opgeleverd. Ik duid deze veentjes aan met de term 'offerveentjes'. Offerveentjes kennen we relatief weinig in Drenthe, we kunnen ze tellen op de vingers van twee handen.

Een van de oudste is het zogeheten 'Veentje van Kooiker' in Klijndijk (gem. Borger-Odoorn). Rond 1934 werd daar door turfgravers een paalzetting aangetroffen. De vondst wordt vermeld in een aantekenboekje van kapper J. Zoer, toentertijd actief als amateurarcheoloog in Odoorn en omgeving. Verder kwamen de resten van zes potten uit laat-neolithicum en vroege bronstijd tevoorschijn, alsmede een zestal runderhoorns.Veel meer details kennen we niet, want zoals wel vaker bij veenvondsten het geval is, is er geen archeoloog bij betrokken geweest. De vondsten duiden erop dat zich hier bijzondere handelingen hebben voltrokken in de eeuwen tussen 2800 en 1700 v.Chr.

Twee andere voorbeelden zijn het Bolleveen bij Zeijen en het Bolveen bij Taarlo (gem.Tynaarlo; de naam 'bol' zou volgens sommigen betrekking kunnen hebben op stieren (bollen) die hier in historische tijd geweid werden). Beide veentjes hebben - in ieder geval voor Drentse begrippen -spectaculaire vondsten opgeleverd. In Zeijen waren in 1916 in het drooggevallen veentje 'een paar koud gemetselde, met veldstenen opgezette, bijenkorfvormige constructies' te zien. Een daarvan, ongeveer anderhalf maal zo groot als een echte bijenkorf, was onbeschadigd. Ze stonden op de droge zandbodem. Helaas heeft niemand ze toen opgetekend. In 1927 startte professor A.E. van Giffen van het Biologisch-Archaeologisch Instituut een klein onderzoek.

Hij had er toen al spijt van dat hij zo lang gewacht had, want het centrale deel van het veen was al vergraven en dus ook de bijenkorfvormige bouwsels. Hij trof aan de rand van het veentje een aantal kuilen aan, waarvan hij er drie onderzocht. De opgravers ontdekten in die kuilen houten objecten, scherven, bijna-hele potten en botten van huisdieren (rund, paard, varken, schaap/geit en hond). In 1948 keerde Van Giffen terug naar het Bolleveen. Doel was het nemen van monsters voor stuifmeelonderzoek. Ook toen werden weer kuilen (met daarin takken, stammen en veenturven) en zelfs stenen bouwsels waargenomen. Andere vondsten die bij deze en andere gelegenheden tevoorschijn kwamen, zijn aardewerk, een wielfragment, een huid ('vermoedelijk van een rund') en houtsnijwerk dat sterk doet denken aan het silhouet van een runderkop.

Deze vondsten beslaan de periode tussen de 4de eeuw v.Chr. en de 5de eeuw na Chr. De vondsten uit het Bolveen bij Taarlo zijn al even bijzonder, zij het dat in dit veentje geen stenen bouwsels zijn aangetroffen (of liever: voor dit veentje niet worden vermeld). Een van de vroegste vondsten (1919) is een houten bak. Verder gaat het om aardewerk, een halffabrikaat van een wielnaaf, halffabrikaten van velgsegmenten van spaakwielen en spreken de bronnen nog over schoenen, bundels haar, stierhorens, een pot met 'doppen van hazelnoten' en 'vezels', etc. Slechts een deel van de vondsten is uiteindelijk in het Drents Museum terechtgekomen. Dat wat bewaard gebleven is, kunnen we dateren in de Romeinse tijd en de volksverhuizingstijd, met andere woorden de eerste vijf eeuwen na Chr.


Betekenis

Naar het zich laat aanzien, lag dit type 'offerveentje' zeer dicht bij de bijbehorende nederzetting; voor het Bolveen staat dat zelfs vast. Het is dan ook waarschijnlijk dat de rituele handelingen die zich in en bij deze veentjes voltrokken, een gemeenschappelijk karakter hadden. Het kan daarbij gaan om het deponeren van objecten maar ook om het consumeren van rituele maaltijden. Wat opvalt is dat het rund zo'n prominente plaats inneemt. Dat dier is vertegenwoordigd door botten, horens, mogelijk een huid en houtsnijwerk dat wellicht onderdeel van een wagen vormde.

Het geeft aan dat dit huisdier niet alleen een economische factor was, maar ook in de ideologie van de vroege Drenten een belangrijke plaats innam. Het aardewerk dat uit de offerveentjes afkomstig is, wordt algemeen gezien als container van voedseloffers; de inhoud is verdwenen, de verpakking is overgebleven. Lastiger is het bij de wieldelen. Ongetwijfeld had het wiel een symbolische lading. De inhoud van die symboliek ontgaat ons echter.


Wat is er nog over?

De offerveentjes vormen een uniek deel van het Drentse bodemarchief. Helaas weten we voor de hierboven beschreven en soortgelijke veentjes niet precies hoe compleet dat archief nog is. Er is veen afgegraven, maar hoeveel?


Op de foto: Bolleveen bij Zeijen. (foto Sietse Kooistra)


Dat betekent dat er verkennend booronderzoek nodig is. Dit booronderzoek zal (vermoedelijk) geen inzichten opleveren over de aanwezigheid van voorwerpen zoals hierboven beschreven, want de trefkans is eenvoudigweg te klein. Wel zal er duidelijkheid komen over de omvang van het veen en de resterende veendikte (en dus de kans dat er nog voorwerpen uit de diverse pre- en protohistorische perioden aanwezig kunnen zijn). Pollenanalytisch onderzoek is hierbij nodig om de bewaard gebleven lagen te dateren.

De uitkomsten van dit waarderend onderzoek dienen als basis voor verdere actie: wettelijk beschermen, plaatsen op de provinciale monumentenlijst, inrichtingsmaatregelen nemen of wellicht opgraven omdat behoud niet mogelijk ofte kostbaar is. Pas na de waarderende onderzoeksfase kan een onderbouwd advies gegeven worden over eventuele opschoningsplannen voor deze veentjes. Ongecontroleerd opschonen - om er weer 'aantrekkelijke' waterplassen van te maken - maakt immers vaak meer kapot dan ons lief is. Dat laatste geldt uiteraard niet alleen voor de offerveentjes, maar voor alle veentjes. Laten we zuinig zijn op deze archieven.



Bronvermelding:

''Het Drentse Landschap'. Sept. 2008, nummer 59. Een artikel van Wijnand van der Sanden, provinciaal archeoloog en verbonden aan het Drents Plateau







© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl