In en om Assen





De Oosterparallelweg


Het station op 4 augustus 1948. In het midden loopt het Vredeveldsepad. Dientje woonde in het huis direct boven de locomotief (foto: Aviodrome Luchtfotografie)


'Behandel de dieren met zachtheid en spaar de vogels'.

We woonden aan Oosterparallelweg 36 in een klein huisje met direct uitzicht op het station. Ik ben er in 1925 geboren. Mijn vader was Wander Eleveld, schilder en natuurliefhebber. Op het huisje prijkte heel lang een bord met de tekst 'Behandel de dieren met zachtheid en spaar de vogels'. Dat had mijn vader erop geschilderd. Ik woonde er met mijn ouders en mijn zus die een jaar ouder was. Later kwam er een jongen van de voogdij bij. Geert Jonkers woonde achttien jaar lang bij ons omdat zijn ouders, die op Lombok woonden, niet voor hem konden zorgen.


Mijn ouders kregen van het armbestuur een mooie vergoeding. Het huisje had een mooie kamer met twee bedsteden, maar een daarvan is later opgeofferd voor een trap naar het zoldertje. Daar sliepen vanaf dat moment mijn ouders.


De Eerste Asser Speeltuin

Het turfhok werd ook een slaapkamertje, maar het was allemaal wel wat krap. Als er 's avonds visite was deden we de bedsteedeur op een kier tot mijn vader dat in de gaten had. Klappen kregen we niet, want mijn vader stuurde ons met zijn ogen. Bij ons was het armoe troef. Geen schande maar wel lastig. Als kind speelde ik veel aan het Vredeveldschepad. Zo heette de Vredeveldseweg toen. Speelgoed hadden we niet. Een vaste groep vrienden en vriendinnen hadden we ook niet. Je ging naar buiten en speelde met wie je tegen kwam. Boompje klimmen en slootje springen was ons alles, en verstoppertje spelen. Soms waren we rovers en maakten dan anderen bang. Ik weet nog goed dat de Pelikaanstraat is aangelegd.

Bij Sluisdennen groeven ze een hoogte af voor rood zand. 's Avonds speelden wij daar met een lorrie die op rails reed. Een mooi speelterrein was ook de spoorsloot voor ons huis. Het was een geweldige schaatsbaan voor ons, want we waren geen lid van een ijsbaan. Dat kon niet. Er was een ijsbaan in het bos, maar daar moest je entree betalen. De spoorsloot werd door ons de 'barmsloot' genoemd. Spelen konden we ook aan de Leliestraat. Daar was een speeltuin gemaakt voor de kinderen uit de buurt: de Eerste Asser Speeltuin. Later is die verhuisd naar buurthuis De Poort aan de Pelikaanstraat. De speeltuin was afgezet met grote hekken en er was altijd een oppasser aanwezig. Het gaf niet hoeveel kinderen je thuis had, het kostte tien cent voor het hele gezin.


Woningen aan de Oosterparallelweg anno 1973 (foto Sietse Kooistra)


Op mijn 9e moest ik van school, omdat mijn vader in de steun zat

Ik herinner me dat er veel licht kwam van het station. Daar was altijd wel wat te zien. Na de oorlog stond daar een bord met daarop in grote letters: 'Gelmokjassen komen van Assen'. In de buurt woonde ook Herman Zuidema met zijn zoon Leo. Die vroeg ons wel eens als het donker werd of wij hun lamp wilden aansteken. Het waren joodse mensen en die mochten op vrijdag na zonsondergang geen vuur meer maken. Wij kregen dan een dubbeltje. Dat was heel wat. We gingen er gauw mee naar de kruidenierswinkel van Bocheltje Scheffer aan de Steendijk voor kauwgom. Je kon er altijd terecht, al was het ook tien uur 's avonds. Mijn school was de Vermeerschool, toen nog Nieuw-straatschool. We hadden les van juf Pol.

En die ging ook steeds met ons over: we hadden haar in klas 1,2,3 en 4. Ze was streng, maar we kregen goed les van haar. Een keer in de week gingen we naar de Rodewegschool (later Ericaschool) voor een uur gymles. Na zes jaar Nieuwstraatschool moest ik nog bijna drie jaar naar de kopschool aan de Oostersingel (een school voor voortgezet lager onderwijs, VGLO, waar nu Bartje staat - red.), omdat ik nog leerplichtig was. Op de kopschool kwamen kinderen van ouders die een andere school niet konden betalen. Na de klassen 7,8 en een stukje van 9 moest ik van school, omdat mijn vader in de steun zat. Ik was veertien jaar en ging werken als huishoudster bij de familie Koops aan de Groningerstaat. Ik verdiende 1,25 gulden voor de hele week.

Als mijn vader in de winter werkeloos werd, kreeg hij twaalf gulden steun en daar ging dan tachtig cent af omdat ik verdiende. Het was de tijd dat een witbrood bij de coöperatie De Dageraad aan de Rolderstraat een dubbeltje kostte. De Oosterparallelweg was in de jaren voor de oorlog een straat met heel gewone, meestal hardwerkende mensen. Het was een verzameling eigen, vrijstaande woningen, op een blokje van vier na. Die stonden tussen ons huis en het Vredeveldschepad. In een van die huisjes woonden vier Chinezen. Die verkochten op straat pindarepen voor vijf cent. Ze riepen dan:'Pinda pinda, lekka lekka'. Ze liepen te venten met een grote broodtrommel die met een band om de nek hing. Het waren zo'n beetje de eerste buitenlanders.

We hebben er nooit last van gehad; altijd vriendelijk. Maar ze spraken wel gebrekkig Nederlands en dan hadden wij weer wat te lachen. Onze buren in dat blokje waren een tijdje Albert en Albertje Vlasblom. Vermoedelijk kwamen die uit Utrecht. En ene Westerhof herinner ik me als een klein mannetje dat bij het Leger des Heils werkte. Rudy van Guldener was opkoper. Die had een winkeltje met tweedehands spullen op de Steendijk. In die kleine huisjes woonden de meesten niet zo heel lang. Waarom weet ik niet, maar meestal verhuisden ze op 1 mei. Onze andere buren waren meester Van den Berg en zijn zusters juffrouw Neel en juffrouw Marie. Ze waren alledrie vrijgezel. Verderop had je het gebouwtje van freule Van der Wijk.

Het was een zondagsschooltje en de vrouwenvereniging kwam er bijeen. Ik mocht er niet komen van mijn ouders, want die stemden SDAP. Lamberts verkocht er Van Nelle-koffie en -thee. Politie Zijlstra woonde er ook en dan kwam het grote witte huis van turfboer Middelbos (later zat bandenhandel Smid er in). Bij de Anreper overweg (nu de Spoorstraat) stond een houten school tegen het spoor aan. Mijn vader vertelde dat hij op die school had gezeten. Aan de andere kant van het Vredeveldschepad, de noordkant, woonde de elite. Daar hoorden wij niet bij, maar bij ons was het gemoedelijker. Heel wat mensen in de buurt hadden bijnamen. Zwarte Barteld bijvoorbeeld en Annegie Soep, omdat die veel dronk. Kroegen waren er genoeg in de buurt.


"...Een keer in de week gingen we naar de Rodewegschool (later Ericaschool) voor een uur gymles..." (foto Sietse Kooistra)


Achter café Thürkow stond een paardenstal

Vooral in het Tranendal werd stevig gedronken. Vooraan in de Anreperstraat had je een stille kniepe, die ik niet anders kende dan Philips. Aan het begin van de Steendijk was er Thürkow en net over het spoor naast de melkfabriek zat Tjakke Deen (later Boelens en La Gare). Achter café Thürkow stond een paardenstal, waar nog al eens iemand zijn roes lag uit te slapen. Op een keer gingen we allemaal kijken, want toen lag Sinus Roodhart boven op Kina, een dame die het niet zo nauw nam. Maar ik snapte die opwinding nog niet. Nu volgt er iets waar je niet vrolijk van wordt, maar het hoort wel bij mijn jeugd. In mei 1940 kwamen de Duitsers uit de richting van Rolde over de Steendijk naar het station. Wij hadden op zolder ruim zicht hoe ze binnen marcheerden.

Haten mag niet, maar het zit nog steeds diep in me. Want het was het begin van een tijd waarin het steeds lastiger werd om aan eten en kleren te komen. We hadden altijd wel wat te eten, maar het was wel scharrelen. Mijn vader was voor de oorlog al voorwerker in kamp Westerbork.Toen werden er nog Duitse joden opgevangen, die de grens over kwamen. Ze zeiden dat ze in Duitsland vergast werden. Wij wilden dat niet geloven. Later wisten wij wel beter. Vooral toen de treinen met joden dinsdags en vrijdags het station van Assen binnen rolden vanuit het kamp.

Om nog even wat water voor de locomotieven te tanken uit de 'barmsloot'. En als de treinen vertrokken waren, raapten wij als buurtkinderen de brieven op die de mensen uit de raampjes gooiden. Wij deden die dan op de post. Toen ze later de joden met veewagons gingen vervoeren, was het ook met de brieven gebeurd. Het was intriest. Ik heb tot mijn eenentwintigste in het huis aan de Oosterparallelweg gewoond. Toen trouwde ik en ging met mijn man in het boswachtershuis wonen aan de Steendijk. Een verbetering, met een echt ledikant, maar water, stroom en gas hadden we daar niet.



Bronvermelding:

Asser Historisch Tijdschrift; No. -4- december 2011. Een artikel van Dientje Timmer - Eleveld.




© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl