In en om Assen





De Oudestraat


De Oudestraat omstreeks 1950 gezien vanaf de Varkensmarkt. Aan de linkerzijde v.l.n.r. - naast het eerste pand - schoenmaker Smit, de sigarenzaak van Hellendoorn. Daarnaast met de bakfiets voor de deur de groenten- en fruithandel van Dussel. Aan de rechter zijde v.r.n.l. de grof-, hoe- en kachelsmederij van Palthe, schoenmaker La Hei, de glas- en verfhandel van Van Hoorn, kapper Ebeling en bij het zonnescherm de vis- en fruitwinkel van Nijboer. (collectie gemeentearchief Assen)


De zandbak werd regelmatig ververst door het ‘zandmannetje’.

In het oorlogsjaar 1941 werd ik geboren in het huis op de hoek van de Oudestraat en de Molenstraat. Mijn ouders huurden daar een paar kleine kamers. De bevalling werd begeleid door huisarts Offereins, die altijd onze dokter is gebleven. Het huis met de rode bakstenen bestaat nog steeds, evenals het lange balkon aan de straatzijde waar ik als kleuter moet hebben uitgekeken over de Varkensmarkt.

In de jaren veertig was de kleermakerij van Wullink in het pand gevestigd. Tegenwoordig is in het pand een cafetaria van FEBO. In 1942 verhuisden we naar de Oudestraat 22. We hadden daar weliswaar een grotere woonruimte, maar waren weer inwonend. Mijn ouders huurden het benedenhuis van de weduwe Venema, die boven ons woonde. Deze vrouw kon het geluid van kinderstemmen en ander lawaai van haar medebewoners moeilijk verdragen. Dus was het zaak je altijd zo koest mogelijk te houden. Het jaar daarop werd mijn broertje, Auke geboren en omdat we een deel van de tuin achter het huis mochten gebruiken speelden we daar vaak. We hadden een zandbak, die regelmatig ververst werd door het ‘zandmannetje’. Hij ging langs de deuren met zijn handel.

Terwijl ik een keer een peertje zat te eten in de tuin, zag ik de wesp niet die mijn mond in liep en stak! Dat moet een soort inenting zijn geweest want een wespensteek heeft nog steeds weinig uitwerking op mijn lijf. Naast os op nummer 24 woonde mevrouw De Jong, die wij voor het gemak ‘Tante Hiernaast’ noemden. Die naam heeft zij altijd gehouden, ook toen wij jaren later al lang en breed naar de Henriette Ronnerstraat waren verhuisd. Omdat ik als kleuter wel eens wat meer van de wereld wilde zien, zat ik op een dag in een bus die op het punt stond vanaf het Stationsplein te vertrekken. Toen iemand vroeg: ‘Van wie is dit kind?’ en niemand antwoordde, werd mij gevraagd waar ik naar toe wilde. Ik zei: ‘naar Beppe in Friesland!’. Maar deze keer ging de reis niet door.


"...Ik werd geboren op de hoek van de Oudestraat en de Molenstraat. Als kleuter keek ik vanaf het lange balcon aan de straatzijde uit over de Varkensmarkt..." (foto Sietse Kooistra - 2011 --)


Bij bakker Nienhuis stapte ik op de platen met cake

Omdat Assen toen nog wat kleiner was, werd ik veilig thuis gebracht. Schuin tegenover ons woonde de familie Struik. Met hun zoontje Klaasje, die van mijn leeftijd was, haalde ik dikwijls kattenkwaad uit. Het toppunt daarvan was dat wij in een smalle ruimte tussen twee huizen in de Oudestraat een vuurtje hadden gestookt en tot overmaat van ramp van krantenpapier en hooi ook nog ‘sigaretten’ hadden gemaakt. Bij Klaasje resulteerde dit in een poepbroek, die mij door zijn moeder samen met Klaasjes ontbloot onderlijfje als afschrikwekkend voorbeeld werd getoond.

Links van ons huis was een circa drie meter brede gang waar ook onze voordeur op uitkwam. Aan het einde van die gang was de smederij van Jan Blauw. Deze Blauw, die niet bij de zaak woonde, was een van de eersten die ik in een auto zag rijden. Een kijkje in de smederij naar het smidswerk vonden we steeds weer een avontuur. IJzer dat je zomaar kon buigen! Soms werden er ook paarden beslagen. Als je door de smederij helemaal naar achteren liep, kwam je via een deur in onze tuin terecht. Op een dag had de knecht van Blauw een bloedende wond aan zijn hand. Een EHBO-trommel was kennelijk niet aanwezig, want ik zie nog mijn moeder in de weer met jodium en verband om die jongen te helpen. Op een dag mocht ik bij bakker Nienhuis een kijkje in de bakkerij nemen. Het was de eerste en naar later zou blijken ook de laatste keer.

Wat onwennig stapte ik naar binnen. Ik bevond mij in een ruimte met diverse ovens en op de grond lagen verschillende cakes op platen van circa een bij een meter. Ze waren net gebakken en bedoeld om taartjes van te maken. Omdat ik alleen oog had voor de ovens stapte ik pardoes op de platen met cake en zette zo enige ferme voetafdrukken in het baksel. Toen ik dat merkte schrok in zo ontzettend, dat ik onmiddellijk naar buiten vluchtte. De bakker riep me woedend na dat het een schande was.


De oren van het babybroertje waren door de ratten aangevreten

Mijn eerste vier levensjaren waren oorlogsjaren en ik kan me nog diverse momenten uit die tijd herinneren. Er was altijd een zekere spanning in huis. Je moest je stil houden en de ramen moesten verduisterd worden. Je hoorde regelmatig de zware bommenwerpers over de stad vliegen. Een keer heb ik een luchtalarm meegemaakt, terwijl we in de straat aan het spelen waren. Er ontstond paniek en we holden bij de firma Postema, op de hoek van de Groningerstraat, het portiek in en vervolgens naar huis. Als kleuter beledigde ik eens vlak voor ons huis een Duitse soldaat door hem uit te maken voor ‘rotmof’. Mijn moeder hoorde dit door het openstaande raam in de voorkamer en zag dat de soldaat gelukkig niet kwaad reageerde. Wel werd ik onmiddellijk naar binnen gehaald.

Na de oorlog ging ik nog enige tijd naar de kleuterschool in de Javastraat. Mijn eerste optreden als ‘artiest’ vond plaats in het bijzijn van Sinterklaas. Verkleed als kabouter maakte ik voor de Sint een koprol en oogstte mijn eerste applaus. Alle kinderen kregen een – voor hen tot dan onbekende – versnapering: een wafelkoekje. Veel speelgoed hadden we nog niet. Het mooiste speelgoed van mijn kinderjaren was in het trotse bezit van leeftijdgenoot Wim Postema, het zoontje van Warenhuis Postema op de hoek van de Oudestraat en de Groningerstraat. Postema verkocht behalve huishoudelijke artikelen ook speelgoed. Wim had op zijn verjaardag een trapauto gekregen met een echt stuur en een linnen dak. Een ongekende luxe in die jaren. Hij was er erg zuinig op. Ooit heb ik er een halve minuut in mogen zitten, maar er in gereden heb ik niet.

Het was echter niet overal in de straat rozengeur en maneschijn. Achter de huizen aan onze kant van de straat stonden eenvoudige huisjes, waar bittere armoede heerste en kou werd geleden. Vanuit de straat liep er een steegje naar toe. Ik hoorde op een dag van kinderen die daar woonden, dat de oren van hun babybroertje door de ratten waren aangevreten. Het maakte grote indruk op mij. Waar die huisjes precies hebben gestaan is me nooit duidelijk geworden. Voor het onderwijs aan de hervormde lagere school liep ik dagelijks naar de Oosterhoutstraat, naar de Dr. De Visserschool. Het was een vrij log gebouw met hoge ramen. Het staat er inmiddels niet meer.


De Oudestraat in de jaren '20. Wij kijken in de richting van de Varkensmarkt.


Mijn vader kwam na drie jaren als Indië-ganger terug naar huis

Mijn route naar school was via de Nieuwe Huizen, door de Brinkstraat, over de Brink en door het Drostenlaantje. De tocht verliep niet altijd even soepel, want ik treuzelde vaak en kwam dan te laat. Er was ook zo veel te zien onderweg. Waardoor weet ik niet meer, maar ik verloor regelmatig mijn petje. Het verkeer was echter nooit een probleem. Dat was er nauwelijks. Op school werden vaak mooie verhalen verteld, zoals het Bijbelverhaal over de zondvloed met Noach en de ark. Dat gebeurde in nogal plastische bewoordingen en de toegevoegde waarschuwing, dat er ooit voor de allerlaatste keer een heel grote zondvloed zou plaatsvinden, kwam bij mij stevig aan. Bij de eerstvolgende fikse regenbui – ik zat thuis in de keuken – raakte ik volslagen in paniek. Mijn moeder kon mij maar met moeite gerusstellen.

In augustus 1948 hing de hele Oudestraat de vlag uit. Dat gebeurde wel vaker, bijvoorbeeld op 5 mei. Maar deze keer was er een heel speciale reden. Mijn vader, Jan Rienstra, kwam met de boot terug uit Indië! Hij was in november 1945 als militair met het bataljon Friesland voor een verblijf van hooguit een jaar naar Indië vertrokken. Het werden er bijna drie en dus was er alle reden voor een feest. Alle volwassenen en kinderen in de straat wisten het. Het stond zelfs in de krant en iedereen was in gespannen afwachting van zijn komst. Wij en ook andere kinderen mochten langer opblijven. Het was behoorlijk druk op straat.

Het werd die avond later en later, maar wie er ook naar huis kwam, geen Indië-ganger. Een voor een dropen de wachtenden teleurgesteld af toen duidelijk werd dat het wel eens heel laat zou kunnen worden. Mijn vader kwam pas de andere ochtend om een uur of zes thuis in een verlaten, maar nog altijd versierde straat en een slapend huis. Daarna was het alsnog feest. Ik herkende hem onmiddellijk, maar voor mijn kleine broertje was hij in eerste instantie een ‘vreemde’. Buren, vrienden en belangstellenden kwamen in de loop van de week langs om hem welkom thuis te heten.


Het pand op nummer 22 was tot de grond toe afgebroken

We verhuisden in 1949 naar de Henriëtte Ronnerstraat. Maar ik kwam uiteraard nog heel vaak in ‘mijn straat’. Latere herinneringen mengen zich dan natuurlijk gemakkelijk met de vroegste indrukken uit mijn eerste levensjaren. Winkels en winkeliers die mij nog helder voor de geest staan zijn: kruidenier Zegers, vishandel Nijboer, de hobbywinkel van De Jong, de firma Slotboom, paardenslager Vos, de rijwielzaak van Oortwijn en slijterij Gótz. Nog lange tijd na de bevrijding moest je in verband met de schaarste heel veel artikelen op de bon kopen. Via kruidenier Zegers spaarde ik in 1952 alle zwartwit-plaatjes van de Olympische Spelen in Helsinki bij elkaar. Hoewel ik al vanaf 1964 niet meer in Assen woon, voerden familiebezoek en mijn werk als acteur / zanger mij nadien regelmatig naar mijn geboorteplaats. Vaak voor optredens in het Concerthuis (tegenwoordig ‘De Kolk’), Bellevue, De Hertenkamp of elders.

Meestal nam en neem ik dan de tijd voor wat ik noem ‘nostalgisch wandelen’. Veelal maakt de Oudestraat dan deel uit van mijn parcours. Zo ook op een winterse dag begin 2001. Welk een verbazing en lichte schok troffen mij toen ik zag dat Oudestraat 22 niet meer bestond. Tot de grond toe afgebroken. Wat restte was een gapend gat, waar je zomaar doorheen kon kijken naar de achterliggende tuin waar ik als kind zo vaak had gespeeld. Ook ‘Jan Blauw’ bestond niet meer! Inmiddels heb ik gezien dat er een nieuw pand op nummer 22 is neergezet. En zo hoort het ook. Ja, ik blijf de straat van mijn jeugd in de gaten houden!


De Oudestraat anno 2010

Foto Sietse Kooistra


Straatnamen in Assen

Op 23 juni 1948 startte de Provinciale Drentsche en Asser Courant met het rubriekje ‘straatnamen in Assen’. Op 9 februari 1949 publiceerden zij een beschrijving van de naamgeving van de Oudestraat:

We kunnen ons voorstellen, dat er mensen zijn, die bij het horen van de naam Oudestraat bij zichzelf redeneren: tjonge dat zal me wel een oude straat zijn. Inderdaad is deze straat één van de oudste van Assen, maar helemaal volgend de werkelijkheid is hun gedachtegang toch niet, wat hen wel duidelijk zal worden na onderstaande ‘levensbeschrijving’ van deze straat.

Het was reeds tijdens de vestiging van het klooster in de tweedehelft van de 13e eeuw, dat wij de eerste sporen van de tegenwoordige Oudestraat aantroffen. De twee grote landwegen, de Witterweg en de Beilerstraat verenigden zich namelijk ter hoogte van de tegenwoordige Schoolstraat en zetten zich voort in de Weiersgang en de Groningerstraat. Aanvankelijk vormde deze Groningerstraat een belangrijke schakel in de verkeersweg Groningen – Zwolle en tweemaal in de week, op woensdag en zaterdag toerde de postwagen er door om verder via de Jordaan (Varkensmarkt), Kruisstraat en Marktstraat zijn weg door de stad te kiezen.

Maar in 1809 kwam hieraan een einde, omdat toen de Torenlaan gereed kwam en de postweg verlegd werd via de Nieuwe Huizen, Brinkstraat, Brink en Torenlaan. Hiermee werd aan de Groningerstraat, althans daarvan dat wij nu de Oudestraat noemen, een toekomst aspect van belang ontnomen. Gelukkig zorgde de Stadsherberg, die gevestigd was op dezelfde plek waar nu firma Postema haar zaak heeft, voorlopig nog voor voldoende vertier. Later werd in deze Stadsherberg de gemeenteadministratie ondergebracht die er tot 1848 gebruik van maakt, waarna het gebouw in 1853 als kazerne ingericht werd.

Tot 1849 bleven er militairen in huizen: toen werd het ontruimd en nog twee jaar als militair kleding magazijn gebruikt en tenslotte voor afbraak verkocht. Winkelhuizen kwamen er voor in de plaats, terwijl later ook de drukkerij C. Gorcum die achter de kazerne gelegen was, het veld moest ruimen, evenals de burgersociëteit, die sinds 1848 op de hoek van de Nieuwe Huizen was gevestigd. Inmiddels had de gemeenteraad op 16 mei 1884 een besluit genomen waarin stond, dat het gedeelte van de Groningerweg, dat was gelegen tussen de Nieuwe Huizen en de Varkensmarkt in het vervolg Oude Groningerstraat zou heten, ter onderscheiding van de Groningerstraat die liep van de Nieuwe Huizen in de richting van het Noord Willemskanaal.

Dit besluit wekte nogal wat verwarring en herhaaldelijk werden beide namen door elkaar gehaald, waardoor vooral de posterijen grote moeilijkheden ondervonden. Dit werd aanleiding tot een nieuw besluit dat op 17 april 1930 genomen werd en waarin de Oude Groningerstraat omgedoopt werd in Oudestraat. Dus niet in de eerste plaats omdat het zo’n oude straat is, maar veel meer ter onderscheiding van haar vroegere verlengstuk, de gewone Groningerstraat, kwam de naam ter wereld.


Bronvermelding:

Asser Historisch Tijdschrift; nummer 4 / december 2005. Een artikel van Dick Rienstra





© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl