In en om Assen





Landgoed Overcingel aan de Stationsstraat


Gezicht vanuit de Oranjestraat over Ebbenerve op de dienstwoning, behorende bij het landgoed Overcingel aan de Stationsstraat, in 1911. Ebbenerve was een parkachtig aangelegde tuin met fraaie waterpartijen.


Achterop het landgoed was je vooral op jezelf aangewezen

Mevrouw Lena Posma-Kok groeide op in de tuinmanswoning van Overcingel. Haar vader Jan Kok werkte al met al zo'n zestig jaar op Overcingel. Hun huis - midden op de foto - werd vlak voor de Eerste Wereldoorlog gebouwd achterop het landgoed, schuin tegenover het station. In de jaren vijftig moest de woning het veld ruimen voor de Overcingellaan, die van het Stationsplein naar de Port Natalweg kwam te lopen. Bertus Boivin sprak met de nu 82-jarige mevrouw Posma. Ze vertelt over haar jeugd in het tuinmanshuis met als enige buren het Stationskoffiehuis, stationschef Smit en conducteur Leijssenaar van de EDS die helemaal bij de spoorwegovergang naar het Rode Dorp woonde. Achterop het landgoed was je vooral op jezelf aangewezen.

"Als kind liep ik 's morgens langs de koeien van Leis, door het bosje en langs de vijver. Dan kwam je bij het grote huis op de Zuidersingel uit. We liepen door de Kloosterstraat en de Torenlaan naar de Gymnasiumstraat. Daar zat ik bij meneer Zijlstra op school. Aan de Stationsstraat lag de andere dienstwoning van het landgoed. Dat huis staat er nog steeds. Ons huis leek er sprekend op. Daar woonden in mijn jeugd Pieters en zijn vrouw. Zij was dienstbode bij de familie Leis en haar man was goudsmid bij Hemmes." "Voor ons huis stond altijd het NTM-trammetje naar Appelscha. Een eindje verderop had de tram een eigen stationnetje. Heel soms gingen we ermee naar Appelscha naar de duinen.

Verder achteruit bij de grote spoorwegovergang had je het EDS-station waar de tram naar Emmen vertrok, 's Avonds liep ik als klein kind langs de spoorsloot daar naar toe naar het huis van Leijsse naar om de krant te brengen. Die was conducteur van de EDS en we lazen samen de krant. Ik heb vaak bij het spoor staan kijken als het circus met de trein aankwam. Circus Mullens kwam altijd bij ons water halen voor de dieren. Wij kregen dan allemaal een vrijkaartje." "Toen ik veertien jaar was, kreeg ik mijn eerste dienstje voor de morgenuren bij de gebroeders Ewold, vóór op de Groningerstraat. Ik kon goed leren, 's middags na het dienstje maakte ik huiswerk en 's avonds om zes uur ging ik naar de ULO aan de Oostersingel, toen schuin tegenover het begin van de Stationsstraat.

Later ben ik bij kennissen van mijn ouders - een broer en twee zusters - gaan werken in de Bosstraat. Die broer werkte bij de Waterstaat. Vaak kwam hij 's avonds niet thuis en dan moest ik - omdat die zusters bang waren - daar blijven slapen. Ik zat toen ik de vierde klas vlak voor mijn eindexamen, maar mijn moeder zei: "Die mensen helpen gaat voor. Dat huusholden is beter dan al dat geleer, Lena". Dus ik van school af. Toen ik achttien was, ben ik thuis de huishouding gaan doen. Mijn moeder is haar halve leven ziekelijk geweest. Mijn zuster Annie, die vier jaar ouder is dan mij, had eerst thuis gewerkt, maar die kreeg een goede betrekking bij Stoutjesdijk aan de Hertenkamp en toen kon ik thuis komen.


Het Stationsplein en omgeving in 1937. Op de grond van Overcingel staat de witte tuinmanswoning, erachter grazen de koeien (collectie Gemeentearchief, foto KLM Aerocarto B.V.)


Het 'Paasland' bij uitspanning Tivoli

Nog tot na mijn trouwen heb ik de familie toen verzorgd." "Het uitstapje dat ik me als kind nog het beste kan herinneren is het 'Paasland' bij uitspanning Tivoli achterin het bos. Je had daar een klein dierentuintje en met Pasen stond er een grote draaimolen. Mijn ouders gingen er op Tweede Paasdag met ons als kleinsten op ons paasbest naar toe. Die dag moest je weer voor het eerst je zomerjurk aan en sokjes, je verrekte van de kou..." "Toen ik wat ouder werd, mocht ik zaterdagsavonds met mijn zus Annie mee naar Bellevue om te dansen. Het begon om een uur of acht en het duurde tot twaalf uur, maar ik moest tien uur weer thuis zijn. Als mijn zusje met een jongen uitging, had ze de smoor in dat ze mij als kleintje op sleeptouw had."

"Toen ik zestien was, had ik zelf mijn eerste vriendje. Ik zat toen op gymnastiek bij Eendracht. Als we les hadden, ging ik stiekem met mijn vriendje fietsen. Komt een van mijn broers een keer thuis en die zegt 'Ik moet je de groeten van meneer Hommes van Eendracht doen. Hij vraagt of je niet weer eens op gymnastiek komt, want binnenkort hebben ze uitvoering.' 'Wat zeg je nou', zegt mijn moeder, 'ze gaat er ja altijd heen?' Ik moest de verkering uitmaken. Zo ging dat in die tijd nog." "Bij Bellevue speelde altijd een dansorkestje waarin een van de broers Metz van de Oosterparallelweg viool speelde. 'Probeer het maar eens even', zei hij op een avond tegen me. Ik ben toen bij hem vioolles gaan nemen.

Het kostte vijfenzeventig cent per uur. Ik had altijd vreselijk veel aardigheid aan muziek. Samen met Hennie Steen, Gerrit Pots, Piet Hoogeveen en Chris van Egmond heb ik nog een muziekgroepje gehad, 's Zondags repeteerden we achterin het Pelincksbos bij het Deurzerdiep. We speelden wel eens tijdens een dansles en we hebben zelfs nog een keer een avondje gegeven om geld in te zamelen voor de verbouw van het ziekenhuis. Toen ik trouwde, ben ik met muziek maken opgehouden. Als je getrouwd bent, doe je dat niet meer, dacht je toen. Stom eigenlijk, hè..."


Bronvermelding:

Asser Historisch Tijdschrift; nummer 1 / maart 1992. Een artikel van Bertus Boivin







© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl