In en om Assen





Peelo, een tipje van de sluier


Bronvermelding:
'Drents boer-boek, 7000 jaar boerderijen en landschap'. Het Drentse Landschap 2003. Tekst: Bertus Boivin en Chris van der Veen.
ISBN 90 232 3972 5


De twee overgebleven boerderijen van Peelo uit 1629 en 1703 aan het begin van Marsdijk. (foto Sietse Kooistra, 2001)


Peelo is één van de oudste bewoningsgebieden van Drenthe


De restanten van een gehucht. Slechts twee boerderijen, maar wel twee bouwwerken met karakter. En met geschiedenis, want jaartallen in oude onderdelen verwijzen naar 1629. Het blijkt niet meer dan een tipje van de sluier van de gescheidenis van Peelo.

Peelo ligt even ten noorden van Assen. Het is nooit tot een echt dorp uitgegroeid. Toen het kadaster in 1832 de situatie voor het eerst nauwkeurig vastlegde, stonden er vier boerderijen en twee keuterijtjes. Naderhand kreeg Peelo wat meer omvang. Sinds Assen in de jaren zeventig en tachtig zijn honger naar ruimte aan de noordkant van de stad stilde, is de boerenbewoning van Peelo weer nagenoeg tot middeleeuwse proporties Teruggebracht. In plaats van het hooi-onder-de-kap, is het de twee-onder-één-kap die in het nieuwe woongebied victorie kraait.


Geschiedenis prijsgegeven

Duizenden jaren hebben boeren op de akkers van Peelo hun brood verdiend. Het is een van de oudste bewoningsgebieden van Drenthe. In 1040 werd Peelo samen met Uffelte en Wittelte voot het eerst in de oorkondes genoemd. Voor Peelo werd in de akre de naam 'Pithelo' gebruikt: 'Pithe' (= moeras, vgl. de Peel) plus 'Lo (= open bosgebied), ofwel het open bos bij het moeras. De Duitse keizer schonk toen een aantal landgoederen aan de bisschop van Utrecht. In Peelo ging het op dat moment om twee erven. De geschiedenis van Peelo moet echter vele eeuwen ouder zijn. Vooral in de twintigste eeuw heeft het dorp veel van die lange geschiedenis prijsgegeven. Professor Van Giffen vond er in de jaren twintig nederzettingsresten uit de Romeinse tijd. In de jaren tachtig zette dr. Piet Kooi het opgravingswerk voort. Juist voordat de akkers en de es van Peelo voorgoed van de kaart verdwenen ter wille van de nieuwbouw, greep het toenmalige Biologisch-Archeologisch Instituut van de Rijksuniversiteit Groningen zijn kans om te redden wat er te redden viel. En dat was nogal wat, zou spoedig blijken.


Gaten gedicht

Piet Kooi legt uit waarom Peelo voor archeologen zo interessant is. 'Het is een relatief klein gebied. De marke van Peelo besloeg slechts 400 hectare en de buurschap zelf is altijd een vrij kleine nederzetting gebleven. Juist door die kleinschaligheid is het een gebied dat zich goed leent voor onderzoek. Er waren op verschillende plaatsen door particulieren en door professionals vondsten gedaan. Het bleek materiaal uit vele perioden, vanaf de Nieuwe Steentijd tot de Middeleeuwen.' Hij vervolgt: 'Ons probleem was dat daarmee nog niet was aangetoond dat Peelo een permanente bewoningsgeschiedenis kende van vele eeuwen. Daarvoor waren er nog teveel gaten, teveel lacunes in het bewijsmateriaal. Door uitgebreid onderzoek in de jaren 1977 tot 1980 hebben we dankzij een veelheid aan vondsten die gaten kunnen dichten. Er kan nu worden vastgesteld dat Peelo vanaf de Bronstijd continu bewoond is geweest. Het is uniek dat dit nu aangetoond is.'


Geleidelijke veranderingen

Samen met de kennis uit tal van andere opgravingen en vondsten heeft Peelo het nodige bijgedragen aan het beeld dat archeologen opbouwden van het Drentse platteland in tijden dat er nog niets aan het papier werd toevertrouwd. Kooi vertelt: 'Het begon met de jagers die in de vroegste tijden hier rondtrokken. Ze hadden mogelijk wel een soort territorium, maar nog zonder gemarkeerde grenzen. Als de eerste boeren zich hier vestigen, laten ze in dit specifieke gebied ten noorden van Assen verschillende sporen na. Op de es aan de westkant van de Groningerstraat — de huidige woonwijk Peelo -zijn bekergraven gevonden, evenals op de Polheugten en het Kleuvenveld bij de A28.

Je ziet daaruit dat de verspreiding nog groot geweest is. Steeds zochten de boeren nieuwe plaatsen waar het gunstig was om het land te bewerken.' Bij de overgang van de jacht naar het boerenbestaan waren de mensen nog niet volledig afhankelijk van de landbouw. Ze bleven ook jagen, benadrukt Kooi: 'Alle veranderingen en vernieuwingen verlopen in de prehistorie heel geleidelijk. Ze hangen dus niet van de ene dag op de andere hun pijl en boog aan de wilgen. Economisch gezien is dat ook heel goed te begrijpen: als het wild nog een gemakkelijke prooi is en de vruchten nog heerlijk in het wild groeien, waarom zul je je dan in het zweet gaan werken om een akker om te ploegen? Maar op een gegeven moment is er toch langzaam maar zeker sprake van een overgang naar de landbouw. Duidelijk is daarbij dat er geen weg terug kan zijn geweest. Als je eenmaal als boer begint, ben je verkocht. Dan kom je in een systeem waaraan je gewend raakt en dat alle dagen van het jaar eisen aan je stelt.'


Brandweerhuisje (ca 1916), gebouwd als onderkomen voor de brandspuit van de buurtschap Peeloo. Het staat voor een in 1629 gebouwde boerderij en is een van de weinige in Drenthe nog bewaarde brandweerhuisjes. (foto Sietse Kooistra, 2001)


100 meter in 100 jaar

Zodra de grond uitgeput was of als de boerderij in verval raakte, moest er eerst op het erf worden verkast. Na verloop van tijd echter wetd het hele erf verplaatst en kwam het oude erf weer onder de ploeg. Boerderijen verplaatsten zich dus met hun akkers door het landschap, een proces dat Piet Kooi en zijn mensen op het Peelöerveld op de voet konden volgen. Kooi rekende uit dat de verplaatsingssnelheid ongeveer honderd meter in honderd jaar geweest moet zijn. Via grondsporen uit de Bronstijd kreeg hij meer en meer greep op de situatie ter plaatse, vertelt hij: 'In het begin liggen de boerderijen wat de windrichting betreft nog vrij willekeurig. Net zoals het ze uitkwam, zou je kunnen zeggen. In het ene geval op een zandheuveltje, in het andere mooi op de zon. In de Ijzertijd wordt de richting oost-west en die ontwikkeling zet zich door tot in de Middeleeuwen.'


Voor het laatst

Meer en meer ging met rekening houden met de wind, zodat het gebouw minder kans liep om in te storten, vertelt Kooi: 'Het was natuurlijk niet allemaal even solide, we hebben regelmatig reparaties gevonden, bijvoorbeeld in de Romeinse tijd. Zodra de hourverbindingen steviger worden, kun je eigenwijs worden. Dan staan ze plotseling ook wel noord-zuid. De twee in Peelo overgebleven boerderijen uit 1629 en 1703 staan bijvoorbeeld noordoost-zuidwest. Als je dat in de prehistorie had gedaan, dan was je de klos geweest.' Het wandelen van boerde-rijen ging door tot in de Middeleeuwen. Toen vond er voor het eerst bemesting plaats. Er hoefde niet meer verkast te worden, stelt Piet Kooi vast: 'Je ziet dat in Peelo bij de laatste verplaatsing rekening gehouden is met de nieuwe weg die er tussen het klooster in Assen en Vries is ontstaan. Zo krijgt het gehucht de vorm zoals wij die later kennen. De boeren blijven op hun plaats en gaan de es onderling verdelen. In de zeventiende eeuw vergroot men het areaal met nieuwe ontginningen in de vorm van 'uitkampen'. Vanuit Peelo gezien eerst de Voorste Uitkamp, daarna de Achterste Uitkamp en aan de noordkant het Nijland. De namen spreken voor zich.'






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl