In en om Assen





Oude ambachten in Drenthe
De kleermaker – coupeur


Bronvermelding:
'Gedane zaken; de twintigste eeuw in 32 portretten'. Redactie Harrie Gras en Anja Schuring. 2001 H. Gras, Groningen.
ISBN 90 76535 02 7. Een interview van Ingeborg Harkema en Anja Schuring


Bron schoolplaat: Antiquariaat De kantlijn Bredevoort


Piet Lammers vertelt over zijn leven als coupeur


Piet Lammers werd op 19 mei 1913 geboren in Assen. Na de lagere school en een jaar ULO ging hij naar de ambachtsschool, waar hij werd opgeleid tot coupeur. Daarnaast werkte hij als leerling-kleermaker in het atelier van Frans van Buuren te Assen. Hij verdiende daar zo’n acht gulden in de week en werkte 8,5 uur per dag. Op zaterdagen kon hij pas naar huis als al het werk klaar was. Toen in 1930 de vijf personeelsleden geen opslag konden krijgen, besloot Piet op zijn zeventiende te gaan solliciteren. Hij kon als meester-knecht terecht mij Wullink in Assen. Daar leerde hij ook het vak van damescoupeur. Zijn loon liep op tot 28 gulden per week in de jaren veertig.

In 1939 behaalde Piet zijn middenstandsdiploma met het doel zich ooit zelfstandig als kleermaker te vestigen. Toen hij echter bij de Kamer van Koophandel een aanvraag deed, werd deze afgewezen: in Assen en directe omgeving zou geen behoefte zijn aan nog een kleermaker. Later hoorde hij dat een Asser kleermaker in de commissie zat die over dergelijke zaken beslissingen nam en dat daarom meer concurrentie waarschijnlijk niet wenselijk was. In 1944 trouwde Piet met Lena Venema. Samen kregen zij twee dochters. Na de oorlog werd Lammers benoemd tot meesterkleermaker in kamp Westerbork. Het voormalige ‘Judendurchganslager’ herbergde in die tijd ‘foute’ Nederlanders.

Lammers moest er groepen van tien geïnterneerden opleiden tot kleermaker. Deze NSB’ers en andere collaborateurs konden dan later in de vrije maatschappij gelijk aan de slag. In het atelier werden oude Duitse legeroverjassen blauw geverfd en vermaakt tot uniformen voor de kampleiding en – bewakers. Ook had Lammers de leiding over de naaikamer en de breiafdeling, waar zo’n honderd vrouwen werkten. In 1948 vond Piet Lammers een nieuwe baan. Hij werd de rechterhand van kleermaker Bremer in Meppel en drie jaar later van Smid in Hoogeveen. “Ik stond de klanten te woord, nam de maten, maakte de patronen, sneed de stof en naaide de kleding”


Aan de heren werd gevraagd of ze links – of rechtsdragend waren

De klanten maakten een keuze uit de vele rollen stof die in de winkel voorradig waren. In tegenstelling tot tegenwoordig konden de heren geen keuze maken uit verschillende modellen. Wel konden ze aangeven of ze twee of drie knopen aan hun colbert wilden, of de broek een dubbele of een enkele zoom moest hebben en welk soort revers ze prefereerden. Ook werd de heren gevraagd of ze links – of rechtsdragend waren. Bij het knippen van de stof werd dan aan de andere kant driekwart centimeter weggesneden. Hoewel er naaimachines waren, gebeurde nog veel met de hand. Revers bijvoorbeeld moesten met kleine steekjes worden vastgezet, gepikeerd. “Het moest stijf zijn, de borst moest er in blijven staan”.

De komst van de elektrische zigzagmachine in de jaren vijftig bracht grote vooruitgang. De zitnaad van een broek hoefde niet langer handmatig met achtersteekjes te worden vastgezet om hem iets elastisch te maken. Ook de afwerking van de naden ging met een zigzagmachine veel sneller en gemakkelijker. Piet maakte lange dagen en op zaterdagen stond hij vaak nog tot een uur of drie ’s middags pakken te persen. Omdat de lonen in de kleermakerij laag waren, was de animo voor opleidingen laag. Toen Lammers jaren later eens werd gevraagd jongeren te werven voor de Rotterdamse Snijschool liep dat op niet uit. Hij vond dat begrijpelijk: “Je kwam in een vak waarin weinig werd verdiend”.

In 1953 moest Lammers door Smit worden ontslagen “wegens slapte in het bedrijf”. Het was voor Piet nu wel duidelijk dat de kleermakerij zijn beste tijd had gehad. De confectie had de toekomst en Lammers solliciteerde daarom naar de functie van coupeur bij Muller in de Oosterstraat in Groningen. Het atelier van Muller maakte deel uit van de toen nog florerende Groninger confectie – industrie, waartoe ook de fabrieken van Levie en Grol behoorden. Alle drie leverden A – klasse – confectie aan met name C&A. Lammers werkte in totaal 22 jaar bij Muller, slechts onderbroken door drie jaren bij Huizeling in de Boteringestraat. Lammers maakte bij Huizeling voornamelijk patronen, maar hij ontwierp ook kleding.


Het pand van de kleermakerij van Frans van Buuren aan de Nieuwe Huizen in Assen. De foto werd gemaakt kort nadat Van Buuren zich hier in het begin van de jaren twintig van de twintigste eeuw vestigde. (collectie Frans van Buuren Exclusieve Kleding, Assen)


De revers bestonden voornamelijk uit linnen en paardenhaar


Een inkoper van C&A verkoos zijn model voor een colbert boven dat van de concurrent. Het bleek een succesvol ontwerp, maar Lammers is er geen cent beter van geworden. Verder was hij daar forcé – coupeur: van een nieuw model maakt hij patronen voor de verschillende maten. “Daar was er geen een die dat kon”. Een confectiepatroon voor een pantalon voor iemand met een zwaar zitvlak forceerde hij bijvoorbeeld door de zitnaad meer lengte te geven. De stof werd vervolgens geknipt, in tegenstelling tot de stof voor de normale confectie: die werd met twintig stuks op elkaar door een machine gesneden. De gewone confectie is daarom ook veel goedkoper. Het vak van forcé-coupeur oefende hij na terugkeer bij Muller nog negentien jaar uit, tot zijn pensionering in 1978.

Daarnaast maakte hij deel uit van de ondernemingsraad van deze confectiefabriek. Lammers zou nog wel op ouderwetse wijzen een maatpak kunnen maken, maar dezelfde materialen kan hij niet meer krijgen. Het binnenwerk van jasjes, en met name de revers, bestonden voorheen namelijk uit linnen en paardenhaar. Tegenwoordig wordt het binnenwerk geplakt en is het zelfs stroom- en strijkbestendig. Overigens verkiest Lammers deze ‘slappe’ confectie boven het stijve maatwerk. Volgens hem moet iemand geen pak aangemeten krijgen dat hem goed past, maar dat hem mooier maakt. “Ik moet een pak maken zoals iemands figuur moet wezen. Als iemand aan een kant langer is, moet ik zorgen dat de lage schouder wordt opgevuld”.

“Een klein persoon met een ronde rug mag nooit een ruit worden verkocht. Dat maakt hem nog kleiner en de rug nog ronder. En bij iemand met maat 50, maar met een ronde rug en een buik kies ik maat 150. Kijk, daarin zit al een beetje een ronde rug en voldoende buikvoorsprong”. Lammers is enthousiast over de moderne stoffen. Door toevoeging van synthetische materialen blijven veel stoffen beter kreukvrij en de plooi langer in model. “Tegenwoordig is er ook veel variatie in de kleuren en motieven. En waarvan vroeger werd gezegd dat het vloekte, is nu een mooie combinatie”. In al die jaren bij verschillende werkgevers leerde hij alle fijne kneepjes van het vak en tevens verkoopvaardigheden.

Deze kwamen hem ten goede toen hij na zijn pensionering terugkeerde naar zijn geboortestad. In Assen is hij namelijk tot op de dag van vandaag “adviseur op afroep” bij zijn allereerste werkgever, de dames- en herenmodezaak Van Buuren. Als er klanten komen met afwijkende maten of een moeilijk figuur van wie de gekozen kleding moet worden vermaakt, wordt Lammers gebeld voor een afspraak. Piet neemt de maten en wensen van de klant door en geeft adviezen over mogelijke veranderingen. Als klanten te veel veranderingen wensen, probeert hij ze over te halen iets anders aan te schaffen.

Een pak vermaken zou dan te veel tijd kosten en bovendien kan nooit worden gegarandeerd dat de veranderingen ook het gewenste resultaat opleveren. Piet wordt gebeld in moeilijke gevallen. “het is leuk om te weten dat je ergens nodig bent en dat ze niet alleen uit beleefdheid zeggen: kom nog eens langs voor een kopje koffie”.






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl