In en om Assen





In het spoor van de Podagristen


Bronvermelding:
'In het spoor van de Podagristen'; Uitgeverij Bronsema, Leek 1989. ISBN 90-70573-08-3


De drie podagristen van Charles Hammes. Locatie: voor het Kasteel, Coevorden.


Hoe ze aan die naam kwamen, blijft een raadsel

Podagristen, wat zijn dat? Dat zijn lijders aan voetjicht (podagra). Een hinderlijk en pijnlijk euvel, dat 'pootje', zoals het vaak werd genoemd. Voor degeen die het kon betalen, was (Bad) Bentheim het oord van genezing dan wel verlichting. Men kon er kuren dankzij de zwavelbronnen. Niet alleen voor podagra, maar voor heel wat kwalen meer. (Bad) Bentheim was een soort Nederlandse kolonie. Een zomerkolonie over de grens. Die relatie was tot de Eerste Wereldoorlog heel innig. Koningin Wilhelmina kwam er vaak. Haar verjaardag op 31 augustus was óók een feestdag voor de Bentheimers, die een sterke binding hadden met Nederland.

Er waren vroeger geen taalproblemen, er werd zelfs nog lang - tot 1900 - in het Nederlands gepreekt. Er was een zusterlijke binding tussen vorstin Pauline van Bentheim-Steinfurt en koningin-moeder Emma in Den Haag, beiden van huis uit Waldeck-Pyrmonts. Trouwens, de belangrijkheid van Bentheim begon met Otto IV, broer van de graaf van Holland Floris III en ook van de Utrechtse bisschop Boudewijn II (1178-1196). En deze was het die zijn broer Otto tot graaf van Bentheim maakte. De graafschap was bezit van 'Utrecht' dankzij een krijgje van bisschop Hartbert van Bierum (1139-1150), een man die ook al wist hoe je je broers het beste kunt onderbrengen. Een van hen werd dank zij hem kastelein van Coevorden en grondlegger van de Van Coevordens.

Er zijn overigens ideeën dat de allereerste graaf van Bentheim de verdediger van Rome en vaandeldrager van Karei de Grote, de Friese edelman Magnus Forteman, zou zijn geweest. Enig spoor ontbreekt. Maar de gedachte is ook wel leuk om te vermelden. Een feit blijft, Otto IV bouwde het stamhuis van de Bentheims op. In latere eeuwen hadden graaf Van Hoorne en Willem de Zwijger ook nog bindingen met het Huis Bentheim. Het huidige familiewapen geeft overigens weer dat er relaties met 'Holland' waren. De blik van Bentheim was van oudsher westwaarts gericht. Na de 80-jarige oorlog kwam er weliswaar een 'grens', maar niemand nam die serieus. Men zag die ook niet als een natuurlijke, maar als een politieke. De bindingen met 'over de grup' bleven. De provincie Overijssel had tot de Franse tijd (1795) zitting en stem in de Bentheimer Landtag. Coevorder koeien vraten daarna nog jaren Duits gras, zonder dat er problemen uit voortvloeiden.


Zij wilden het land uit het moeras van de onbekendheid halen

Wat wel een probleem werd: het ter kerke gaan van roomse soldaten uit het garnizoen Coevorden, naar de r.k.-kerk in Emlichheim. Coevorden kreeg dan ook de primeur van de eerste roomse kerk in Drenthe sinds de reformatie (1787). Coevordenaren met handelsgeest vonden een markt in het gebied van de graafschap Bentheim. Een van die ondernemende lieden was de uitgever-boekhandelaar Dubbeld Hemsing van der Scheer (1791-1859). Hij beleefde een succes met zijn Koevorder Almanak en wilde zoiets ook in het grensgebied dat toch Nederlandstalig was. En dat lukte o.a. in Nieuwenhuis (Neuenhaus). In 1843 maakte hij een driedaagse tocht, in gezelschap van de onderwijzer-koopman met journalistieke aanleg Harm Boom (1810-1885) en de aankomende predikant Alexander Lesturgeon (1815-1878).

Harm Boom heeft de ervaringen vastgelegd in een boekje 'Bentheim en Steinfurt door een Drentse bril bekeken'. 'Drie Drenten in drie kielen gestoken en met evenzovele wandelstokken en van Duitse pijpen voorzien, ondernemen vanuit Coevorden een driedaagse reis naar het dan eerst sedert enkele jaren tot roem gekomen zwavelbad, welk bad weldadige invloed uitoefent op o.a. podagra. Zelf hebben ze er geen behoefte aan', schrijft hij. Hij laat ook weten dat hun behoefte bestond uit 'het beklauteren van rotsblokken'. Het drietal dat op pad ging, vormde al enkele jaren een eenheid. Men had elkaar gevonden door de wederzijdse belangstelling voor de geschiedenis van Coevorden in het bijzonder en van Drenthe in het algemeen. Toen Van der Scheer in 1837 zijn eerste Drentse volksalmanak uitgaf, vormden Boom en Lesturgeon met hem de redactie. Het openingsverhaal was trouwens van Boom.

Het drietal trok veel met elkaar op, vandaar ook de driedaagse reis door de graafschap Bentheim. En tijdens die trip is de gedachte ontstaan een boek over Drenthe te maken in de geest van de nu gemaakte wandeltocht. Tal van reizigers door gewesten schreven boeken over wat ze hadden gezien, dus waarom zij niet. Zij wilden daarbij méér: het gewest voor de andere delen van het land uit het moeras van de onbekendheid halen. Hun gemeenschappelijk streven was de culturele verheffing van hun provincie. Als een van de eersten in het land hadden ze door dat dialect evengoed deel uitmaakt van het 'milieu' als landschap, wonen en kleding. Zij beoordeelden het dialect als het kenmerkendste deel van het volkskarakter. Zij gaven daar dan ook in woord en geschrift uiting aan.


'Het is een reis en geen reis'

Hun boek 'Drenthe in vlugtige en losse omtrekken' verscheen vanaf 1843 in afleveringen. Het - folkloristische -raamwerk was van Van der Scheer, Lesturgeon zorgde voor de historisch-culturele invulling, de journalist Boom vlocht de plaatsbeschrijvingen en de humor erin en had de finishing touch. Deze wegbereiders van de Drentse cultuur maakten duidelijk wat Drenthe en zijn volk was, maar hielden de Drenten tevens de spiegel voor teneinde ze eigenwaarde en zelfbewustzijn bij te brengen. Het mag u duidelijk zijn: ze hebben de Drentse tochten vanuit Coevorden nooit werkelijk gezamenlijk gemaakt. Ze reisden zoals Laurillard dat aan het eind van de vorige eeuw deed 'op uw stoel door uw land', of zoals hij dichtte:

'k Ben, op mijn stoel gezeten,
door heel mijn land gegaan;
'k Heb, zonder op te rijzen,
op heide en strand gestaan'.

Ach, ze gaven het zelf al een beetje toe. 'Het is een reis en geen reis', schreven ze. Het boek is ook niet af. Ze hebben maar een deel beschreven: Het Hondsruggebied tot Assen en een deel van Midden Drenthe. Het zuidwestelijk deel van de provincie is nooit aan bod gekomen. Er zijn aanwijzingen dat Van der Scheer op den duur niet zo erg gelukkig was met de herschrijfactiviteiten van zijn medewerkers. Harm Boom had trouwens het leeuwendeel van deel II verzorgd. Het opvallende van het boek was dat het onder het pseudoniem van 'Podagristen' werd geschreven. Boom en Lesturgeon bijvoorbeeld hadden zich op de lijst van intekenaren laten plaatsen. De vermomming was zo ver doorgevoerd dat in het 'Voorberigt' de indruk werd gewekt als zou Emmen de standplaats zijn van de 'Drie Podagristen'. Hoe ze aan die naam kwamen, blijft een raadsel. Waarschijnlijk een grapje van Boom.

De vermomming werd niet algemeen gewaardeerd. Er werd gegist, er kwamen namen op tafel, maar niemand schoot raak. Tot tenslotte uitgever Van der Scheer in de verdrukking kwam. Daarna was het raadsel gauw opgelost en ebde de commotie weg. Maar de podagristen hebben veel bereikt. Aandacht voor de folklore, voor de historie, voor de archeologie, voor de eigen taal. Van der Scheer was een van de eersten die in de volkstaal schreef. Lesturgeon heeft de grote verdienste gehad met de aanzet voor een Drents woordenboek te zijn begonnen. Van der Scheer, die als een wegbereider van de Drentse heemkunde wordt beschouwd, was een halve eeuw lang het middelpunt van de eerste Drentse cultuurbeweging.


Aan het drietal heeft Drenthe veel te danken

Hij nam ook het initiatief voor de uitgaaf van het eerste schoolboekje over Drenthe. En ver voor de officiële drankbestrijdingsorganisatie in actie kwam, had hij al - in 1840 - een boekje tegen het jeneverdrinken uitgegeven. Hij behoorde tevens tot de oprichters van de voorganger van het Drents Museum in Assen. Van de drie podagristen was hij overigens de enige die in Drenthe was geboren (Coevorden). Boom kwam van het naburige Gramsbergen, Lesturgeon uit Venlo, kwam als peuter naar Coevorden en is sindsdien Drenthe trouw gebleven. Boom had de liefde van een Coevorder meisje, maar niet het vertrouwen van haar welgestelde vader. Om dat te verwerven toog hij naar het westen waar hij journalist was bij Haagse bladen en het zelfs tot redacteur van de Amsterdamsche Courant bracht. Dat was een functie die enige status had in de ogen van de schoonfamilie.

Op zijn 39ste mocht hij alsnog trouwen met Rolina Slingenberg (28). Hij keerde toen terug naar Drenthe om journalist bij de Drentse Courant te worden. Hij was overigens de laatste twintig jaar van zijn leven schoolopziener, met standplaats Assen. De stad waar hij ook begraven ligt. Alexander Lodewijk Lesturgeon had als predikant drie Drentse standplaatsen: Oosterhesselen, Vledder en tenslotte Zweeloo. Hij ligt daar achter de kerk begraven onder een steen 'van vrienden en vereerders'. Lesturgeon, dichter, schrijver, duivelbanner, predikant, had een grote belangstelling voor taal en taalbeweging, was een fervent drankbestrijder en, als geen dokter de patiënt meer kon helpen, voor menige radeloze zieke een toevluchtsoord.

Het predikantenambt noodzaakte qua salariëring tot het hebben van bijbaantjes. Het journalistieke werk was hem niet vreemd. En dus werd hij redacteur van de Nieuwe Provinciale Drentsche Courant; bij de concurrent werkte Harm Boom . . . , twee podagristen nu tegenover elkaar. Aan het drietal heeft Drenthe veel te danken. In de eerste plaats De Drentsche Volksalmanak die in 1837 van start ging. De serie tot 1851 bevat een schat aan wetenswaardigheden en historie. De reeks heeft toen al de waarde van het, wat men noemt, Drentseigene aangetoond. Het is een monument van de werkzaamheid van dit drietal. De reeks -antiquarisch al een grote zeldzaamheid - is een kostelijk bezit voor de Drenthe-vorser. Bij goede Drenthe-bibliotheken zijn de deeltjes wel aanwezig, al worden ze niet meer uitgeleend. Met hun Podagristenboek hebben ze eveneens veel bereikt.



Er is gelukkig veel bewaard gebleven van wat toen als onnuttig werd gezien

Ze brachten de belangstelling voor de Drentse volkskunde op gang èn interesse voor het wel en wee van de Drenten. Het boek der Podagristen wilden ze, gelet op hun wens dorre zandgronden tot vruchtbare gebieden te herscheppen, 'geen handboek over coprologie en piasmagnomie' laten zijn. Vreemde woorden, waarvan het laatste door Carmiggelt zou kunnen zijn bedacht, en waarvan het eerste met mest te maken heeft. De zandwoestijnen van destijds zijn voor een deel nog de natuurgebieden van nu. Honderdduizenden toeristen profiteren er jaarlijks van. Er is gelukkig veel bewaard gebleven van wat toen als onnuttig werd gezien. In het boek staan wel wat klachten over wegen, maar momenteel heeft Drenthe een van de best verzorgde wegen- en fietspadencircuits van het land.


De Drie Podagristen zijn in het naoorlogse Drenthe een begrip geworden dankzij het onvermoeibaar ijveren van de cultuur-socioloog prof. Prakke. Hij droeg daarmee de fakkel, die het waardevolle cultuur-historisch bezit van deze provincie belichtte en 140 jaar geleden was ontstoken, verder. Honderd jaar na het verschijnen van het boek nam hij stappen voor een heruitgaaf. Zijn activiteiten hebben Drenthe een vlag, drie 'volksliederen', het ontstaan van Het Drents Genootschap (de culturele raad voor Drenthe) opgeleverd. En nog veel meer, o.m. de herdruk van het boek in 1974. Inmiddels ook slechts antiquarisch te verwerven. De podagristen wisten veel over het door hen beschreven gebied. Ze hadden een scherpe opmerkingsgave. Hun fictieve route had niet mooier kunnen zijn. Dat kunt u vandaag de dag beleven. Daarvoor mogen we ze nog steeds dankbaar zijn.


Een impressie van het Podagristen pad kunt u hier vinden






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl