In en om Assen




Reinhart Dozy



'Schoolfeest in Elp' op een aquarel van Reinhart Dozy. Schoolfeesten kwamen in de 19e eeuw in de mode om kinderen (en hun ouders)enthousiast te maken voor het naar school gaan.


Info op dodenakkers.nl

Tijdgenoot, stadgenoot en broeder in de kunst was Reinhart Dozy. Op 28 september 1880 werd Reinhart in Nijmegen geboren als zoon van Adriaan Dozy, een beroepsofficier, die al spoedig naar de garnizoensstad Assen werd overgeplaatst. In Assen volgde hij de RHBS, waar hij onder andere les kreeg van ir. J.G.H.W. Krans, die daar tekenen gaf. Een flamboyant figuur, wiens gevleugeld woord luidde: "goede wijn behoeft geen krans, maar Krans behoeft goede wijn".

In 1899 reisde hij af naar Antwerpen om te studeren aan de Academie der Schone Kunsten. Vier jaar later reisde hij door naar Parijs, ging wonen in de buurt van de beroemde Moulin Rouge en schreef zich in bij het atelier van Monsieur F. Humbert (eerder het atelier van Fernand Cormon, die Breitner en van Gogh nog les gegeven heeft). Van 1905 tot 1907 studeerde hij weer in Antwerpen om zich daarna als vrije kunstenaar in deze stad te vestigen. Veel heeft Dozy gehad aan Roessingh, die hem in contact bracht met andere kunstenaars, met hem spitte in de wereld der filosofen, en met hem optrok in Drenthe tijdens hun zomervakanties.

In 1911 laat ook hij een onderkomen bouwen in het Drentse Elp, tegenover het huis van Roessingh, als een soort zomerresidentie. Ook hij is lid van De Ploeg geweest, maar langer dan Roessingh. In 1923 scheidden zich toch de wegen van Dozy en de andere leden van De Ploeg.

Een belangrijke bron van inkomsten in de jaren tussen de eerste en de tweede wereldoorlog was het illustreren van boeken. Voor Noordhoff in Groningen en Malmberg in Den Bosch illustreerde hij leerboeken voor het lager en middelbaar onderwijs. Invloed van de 19e eeuwse Vlaamse landschapsschilderkunst vinden we terug in zijn Drents oeuvre, waarin hij een beeld gaf van het dorpsleven, de gebruiken en de feesten van dorpelingen. In 1939 vestigde hij zich voorgoed in Elp.

Dozy weigerde destijds het lidmaatschap van de Kulturkammer, hij was actief in het verzet en bood onderduikers onderdak. Hij werd gearresteerd en kwam hij via het Asser Huis van Bewaring terecht in het concentratiekamp Vught. Deze tijd heeft zijn gezondheid een zware knak gegeven. In 1946 richtte hij met een aantal schilders die in Drenthe woonden, de vereniging De Drentse Schilders op. Onder hen bevonden zich een aantal ex-Ploegleden, E. B. von Dülmen Krumpelmann en Anton Heijboer.


Info op 101 markante Drenten

Reinhart Dozy reidse in 1899 af naar de Academie van Antwerpen. Zijn tekenleraar van de RHBS te Assen, de kleurrijke ir. J.G.H.W. Krans, schreef verheugd aan Reinharts vader: "Wat Reinhart aan betreft doet mij genoegen dat u hem voor de Kunst niet verloren laat gaan; hij zal eruit werken wat ik steeds in hem meen ontdekt te hebben"

Met vallen en opstaan heeft Dozy het vak van tekenen, schilderen en houtsneden onder de knie gekregen. Als hij in 1947 sterft heeft hij het schoolvoorbeeld van een kunsternaar in de eerste helft van de 20e eeuw geleefd: een gedreven idealist, een moeizame opleiding aan diverse opleidingsinstituten, aanvankelijk mondjesmaat werk, maar niet aflatend in zichzelf te geloven, blijven tekenen en schilderen en hoewel gehinderd door beide grote oorlogen toch in staat geweest om een belangrijk ouvre na te laten.

Toen het aan de Academie van Antwerpen niet zo goed wilde lukken, heeft Dozy in 1903 zijn heil gezocht in Parijs. Hij liet zich inschrijven in het atelier van monsieur F. Humbert, voorheen het 'Atelier Cormon' aan de Boulevard de Clichy 104, waar eerder de Nederlandse kunstenaars George Breitner en Vincent van Gogh nog les hadden gehad van Fernand Cormon, een geheel vergeten, maar tijdens zijn leven befaamd schilder.

In zijn Parijse tijd heeft Dozy een bijzondere vriendschap gesloten met de later beroemde George Braque, die vanaf 1907 met Picasso het kubisme vorm zou geven. Braque was een bescheiden jongen uit Le Havre, die zich ook had aangemeld bij Humbert
Zo'n opleiding in een particuliere werkplaats was bedoeld om de sprong naar de pretentieuze Ecole de Beaux Arts te maken.

Dozy heeft Parijs al gauw weer verruild voor Antwerpen, waar hij de opleiding vervolgde. Hij bleef corresponderen met Braque, die hem spannende brieven uit Bretagne schreef over opiumrokerijtjes, etc., totdat dit contact verwaterde. Hij heeft nog een aardige tekening van een gitaarspelende Braque gemaakt. Dozy was een gedreven man, die even heeft mogen proeven van het Mekka van de grote kunsten: Parijs.

Na de 2e wereldoorlog, waarin Dozy voor hulp aan joodse onderduikers een tijdje in kamp Vught had gezeten, heeft hij hoe geestelijk en lichamelijk verzwakt ook in juni 1946 de vereninging 'De Drentse Schilders' opgericht tezamen met de in Drenthe wonende kunstenaars Hans Heyting, L.A. Kortenhorst, Jan Kagie, Anton Heyboer, E.B. von Dülmen Krumpelmann, Arent Ronda en Hein Kray.

Het doel was samen te exposeren en werken te verkopen. Dozy werd voorzitter. De vereniging ging in 1953 ter ziele om ruim een jaar later als de vogel Phoenix uit haar as te herrijzen als 'Het Drents Schilders Genootschap'. Reinhart Dozy was toen al overleden.


Reinhart Dozy legde in 1917 in prachtige olieverftinten vast hoe de naobervrouwen een jonge moeder met haar kleintje kwamen gelukwensen.


Info in Trouw; 2009

Reinhart Dozy, het vredige landschap

De Drentse schilder Reinhart Dozy eindigde verrassend bij de toptien van het mooiste schilderij, georganiseerd door Trouw. Bij het grote publiek is hij minder bekend. De toptienlijst van de mooiste schilderijen van Nederlandse makelij liet vorige week één grote verrassing zien: een stemmig gekleurd landschap van de Drentse schilder Reinhart Dozy (1880-1947). Voor de meeste geïnteresseerden in de Nederlandse kunst zal Dozy’s naam geen weerklank hebben.

En dat in tegenstelling tot de trouwe schare liefhebbers die onder aanvoering van Victor Dozy, zoon van de schilder, poogt om het oeuvre een bredere acceptatie te bezorgen. Dozy’s kunst hangt in het Drents Museum in Assen, ook het schilderij ’Oranjekanaal’ uit 1933, dat in de toptienlijst de (gedeelde) negende plaats heeft gekregen. Maar ook in het Asser museum leidt deze olieverf op doek een onopvallend bestaan, al werd deze in 1989 wel als onderdeel van een overzichtstentoonstelling als een van de beste werken van de maker gepresenteerd. Sindsdien bleef het rustig rond Dozy.

Zijn leven speelde zich tot de Tweede Wereldoorlog zonder al te veel hoogte- en dieptepunten af. Dozy, die in 1880 in Nijmegen werd geboren maar zijn jeugdjaren in Assen doorbracht, beschikte aan het einde van de 19de eeuw over een te beperkt talent om in Amsterdam op de Rijksacademie te worden aangenomen. Hij trok daarop naar Antwerpen waar de kunstacademie een goede faam had. Ook daar zag de directie weinig kwaliteit in zijn tekeningen.

Het weerhield de jonge Reinhart er niet van de tekenklassen te volgen. Tot er een nieuwe directeur werd geïnstalleerd, die zijn taak als leidinggevende in een streng beleid vertaalde. Dozy, die in die tijd weliswaar veel had getekend, maar weinig of niets had leren schilderen, week daarop uit naar Parijs waar het onderwijs naar zijn smaak minder strak was georganiseerd.

Hij moet daar in de Franse hoofdstad een interessante tijd hebben doorgemaakt: Parijs stond aan de vooravond van allerlei revolutionaire ontwikkelingen die een grote aantrekkingskracht op jonge kunstenaars van overal uit Europa hadden. Van Dozy is bekend dat hij goede contacten met Georges Braque moet hebben gehad, zonder dat dat evenwel invloed op zijn schilderkunst heeft gehad.

Dozy heeft zich nooit met de vroeg-moderne kunst uit de jaren twintig en dertig ingelaten. Hij was in zoverre een kind van zijn tijd dat hij trouw bleef aan zijn zelf bedachte realisme dat naar de kleur beschouwd symbolistische trekken had. In 1925 verscheen een kernachtige beschrijving van zijn werk in het Antwerpse Handelsblad : ,,R. Dozy is geen warm kolorist, maar het lijkt alsof hij juist door zijn stil kleurengamma, het zalig gevoel van rust te weeg wil brengen, dat men bij het zien zijner doeken ondergaat.

Zijn factuur is afwisselend. Nu eens zal hij door kleine penseeltoetsen, dan weer door met vast hand neergestreken kleurenstrepen of vlakken, de beoogde stemming nastreven. Zijn tekeningen, al vertonen zij meestal een decoratief karakter, wekken steeds dien indruk van vrede, waarnaar de kunstenaar met heel zijn wezen schijnt te trachten.”

Vreedzaam, gekoppeld aan een weemoed en melancholie, is het kenmerk van de talloze landschappen die Dozy in Drenthe heeft geschilderd. Al voor de Tweede Wereldoorlog had de schilder zich in de omgeving van het ouderlijk huis gevestigd, na vele jaren in Antwerpen te hebben doorgebracht. Het contrast in de werken die hij op deze twee plekken heeft gemaakt, kan niet groter zijn. Antwerpen, rond de eeuwwisseling een en al drukte, zorgde voor ’schilderachtige’ taferelen die veel meer tijdgebonden zijn dan de Drentse landschappen.

Het is opmerkelijk dat Dozy, die veel meer op het boerenleven gesteld bleek te zijn dan aan zijn vroege werk kan worden afgelezen, juist in dit type kunst tot een behoorlijk niveau wist te reiken. Met zijn tekeningen was het een ander verhaal. De omschrijving ’decoratief’, zoals de onbekende Belgische kunstcriticus ten beste gaf, verhult het feit dat Dozy gek was op een kinderlijk soort anekdotiek. Hij maakte veel illustraties voor uitgevers van geschiedenisboeken die nu wel heel naïef ogen.

Dozy’s rustige schildersbestaan kreeg een (zelfverkozen) dramatische wending toen hij in de Tweede Wereldoorlog bij het verzet in Drenthe betrokken raakte. De transporten vanaf Kamp Westerbork hebben zeker een rol gespeeld bij zijn overwegingen om zich teweer te stellen tegen de Duitse bezetters. De onderduikers in zijn huis werden verraden, waarop de schilder op transport naar kamp Vught werd gestuurd.

Dozy heeft het kamp weten te overleven, maar met een kwakkelende gezondheid. Direct na de oorlog had hij nog genoeg veerkracht om een groep van Drentse schilders om zich heen te verzamelen, maar de club had te weinig cohesie om lang te weten voortbestaan. Dozy stierf kort daarop, in 1947, na plotseling onwel te zijn geworden. Zijn werk moet al snel in vergetelheid zijn geraakt. Omdat hij zelf weinig of nooit exposeerde – van huis uit had hij de nodige financiële middelen mee gekregen – had hij ook nauwelijks een eigen publiek opgebouwd. Ook dat maakt zijn verkiezing in het lijstje van de tien mooiste schilderijen tot een op zijn minst gedenkwaardig moment.


Herinneringen van Reinhart Dozy


Bronvermelding:
R. Dozy, 'Over Drenthe, boomen, schilders en over een zodenbank', Erica (Maandblad voor de ontwikkeling van het culturele leven in Noord- en Oostelijk Nederland), jaargang 2, nummer 6, maart 1947, p. 136-138.


Reinhart Dozy, 1893


Het schilderachtige Drenthe

'Als jongen van veertien jaar kwam ik in Assen. Let wel, dat is nu al meer dan een halve eeuw geleden. Toen liep er nog maar sporadisch hier en daar een harde weg door de grootendeels nog woest liggende streken, en hoe smalle, slecht onderhouden wegjes waren het nog, waar 't gras tusschen de klinkers groeide. En 't uitzicht was op heideveld en nog eens heideveld, in de verte omzoomd door 't lage eikenhout dat de groenlanden, de weidegronden, omringde. Door die heide slingerden de wagensporen die men volgen moest om de verspreid liggende gehuchtjes te bereiken en slingerden ook de groene wegen, waarlangs 's zomers des morgens en des avonds de zwartbonte koeien statig voortschreden van en naar de stal - een prachtig gezicht opleverend, vooral als de heide in bloei was.

De eikenboom, dat was de boom van Drenthe. Verwaaide exemplaren in het veld, langs de weinige groote wegen en vooral dicht aaneen op de wallen die 't schrale grasland omsloten en forsch, flink uitgegroeide boomen in menigte in de dorpen, waarboven dan de spits van den kerktoren uitpiepte. In die dagen verbleef geregeld ieder najaar de Zwitsersche schilder Stengelin, woonachtig in Lyon, in Hooghalen. Typisch is de manier, waarop hij daar heengekomen is. Op de Salon des Beaux Arts trof hem een doek, in Hooghalen geschilderd en onmiddellijk maakte hij zich op om in dat plaatsje te gaan werken. Volgens 't verhaal nam hij aan de Gare du Nord een kaartje direct van Parijs naar Halen !

Stengelin wist wat hij deed, want zeldzaam mooi was dat eikengewas hier, zeldzaam mooi lagen de boerenhoeven er tussen verscholen, hoeven en schuren, de laatsten allemaal van hout opgetrokken en alles bedekt met daken van riet en stroo en heide. Zeldzaam mooi was toen het Drentsche landschap, 't Drentsche land, absoluut gaaf nog, één geheel vormend met menschen, vee, gereedschap en niet 't minst denkwijze. Men constateerde, dat hier zonder horten en stooten geleidelijk aan ontwikkeling gekomen was, alles daardoor zijn eigen aard gekregen had die paste in het geheel. Een oude Drenth heeft 't leven van toen prachtig te boek gesteld, dat was Harm Tiesing van Borger. Zoo mooi, zoo echt als hij dat deed, kunnen de uit de stad gekomen knappe schrijvers van nu het niet meer doen, omdat dat wereldje nu weggevaagd is door het moderne leven met zijn moderne eischen.

Om op Stengelin terug te komen - ik zie nog voor mij die waardige figuur met zijn groote baard, personificeerend den Franschen kunstenaar uit het midden der vorige eeuw, bewust van zijn beteeke-nis als schilder en als mensch. Zijn vak was alles voor hem. In 't gesprek met hem was 't al dadelijk 'parions peinture'. Zijn kosthuis te Hooghalen was bij Geert Kuiper, waar hij ieder najaar met zijn familie intrek nam, terwijl een schuur aan den overkant van den weg, waar 's winters ook jong vee gestald werd, voor hem was ingericht als werkplaats door het aanbrengen van een groot glasraam. Hij kon zich al heel behoorlijk in het Nederlandsch verstaanbaar maken en onderhield zich graag vol belangstelling met den gaanden en koomenden man in de groote ouderwetsche jachtweide, met open vuur en beddewand tegenover de glazen. Alles was stijlvol in die omgeving, stijlvol en echt. Men had Kuiper en zijne vrouw maar aan te zien, hunne kleeding zegde het duidelijk genoeg. Stengelin sprak ook steeds met de grootste waardeering over zijn hospes en hospita.


Academieklas met mannelijk model, circa 1902, Dozy: middenrij, derde van links


De hier te lande geweldig opgevoerde belastingen

Van Kuiper sprekend brengt mij dat te binnen, hoe hij mij eens vertelde, dat ze als kleine jongens blootsvoets naar school gingen naar Beilen. Als het kouder werd in 't najaar, waren zij hoogst dankbaar als koeien, die langs de weg kwamen, wat lieten vallen, want dat gingen ze dadelijk met de voetjes in staan, 't was lekker warm. Typeert zoo iets niet een tijd die achter ons ligt? Zooals gezegd, Stengelin had een cultus gewijd aan onze eikenboomen, gaf ze weer mét blad en bladerloos, wanneer 't zoo zonderling ver¬wrongen takkenspel volledig tot zijn recht komt. In 't Rijksmuseum hangen nog eenige groote doeken van hem met dit gegeven. Om dan in de koude buiten te kunnen werken, had hij een schilderhuis laten maken, een hok langs alle kanten twee meter metend met een groot glasraam aan eene zijde, en dat dan per boeren wagen ter bestemder plaatse werd gebracht.

Praktisch was hij ook wat zijn kleeding betreft, want op zeer ongewone plaatsen verlangde hij zakken ter opberging van schetsboeken. De Beiier kleermaker wist geheel deze verlangens te bevredigen, zeer tot zijn voldoening. Graag had hij zich in Nederland voorgoed gevestigd, want dit land stond hem zeer aan - 's zomers ging hij veelal naar de Kager plassen schilderen - edoch de hier te lande geweldig opgevoerde belastingen weerhielden hem dit te doen. Verschillende schilders, behoorende tot de Haagsche School, hebben toen en kort er voor, in Drenthe stof voor hun werk gevonden. Zoo Bosboom de kerkenschilder, die bekoord werd door de boerendeelen in en om Zuidlaren.

Maar deze onderwerpen sloegen niet in bij zijn publiek. Een ander was Van de Sande Bakhuysen, die veel werkte te Exloo en ook te Rolde. Een groot doek, daar door hem gemaakt, heeft hij nog tentoongesteld in de kerk van 't dorp, opdat al de dorpelingen gelegenheid zouden hebben het eens goed te zien. In die dagen was Roessingh, zoon van den president van de rechtbank, een aankomende jonge man. Hij, nu de oudste der Drentsche schilders, was misschien wel de allereerste volbloed Drenth die zich aan het kunstschilderen wijdde. Ook hij toog al vroeg naar Hooghalen en leerde daar veel van Stengelin, in wien nog de tradities leefden van de school van Barbizon, school beroemd over de geheele wereld en die indirect weer de traditie voortzette van de natuuraanschouwing, zooals 39 onze Nederlandsche meesters Hobbema en Ruysdael die ontdekt hadden.

Roessingh was leerling 1 van de Antwerpse kunstacademie. In België bloeide toen eene machtige landschapschilder- t kunst, die zich niet ophield met 'gevalletjes' als waarin de Haagsche en Larensche scholen vastliepen, maar waar men een breede, monumentaal aandoende blik had op de werkelijkheid. Van de vele namen van kunstenaars van daarginds citeer ik slechts die van Courtens, omdat deze ook enigen tijd in Beilen verbleef. Roessingh werd vooral de man van de zandverstuivingen met hare berkenboompjes, al heeft hij zich ook op dorpsgezichten en tooneelen uit het volksleven toegelegd. In later jaren verbleef hij meestal 's zomers te Elp, alwaar hij eene woning liet bouwen. Zijn hoofdverblijf bleef echter te Antwerpen.

Elp, 't vormde een dorpje dermate vredig afgelegen, schilderachtig en zichzelf, dat 't er wel naar uitzag dat dit zoo ten eeuwigen dage zou blijven. Doch de oorlog heeft dit alles te niet gedaan, de oorlog en de eischen van de tegenwoordigen tijd.
Weg is de zoo eng samenhangende dorpsgemeenschap, die met verouderde dingen ook zoo veel goeds inhield.
Weg zijn de groote heidevlakten met de erover varende schaapskudden.
Weg is het grootste deel der oude boomen.
Weg is de oude klederdracht, zoozeer passend bij de dragers, omdat 't hun kleeding was, en de snit niet van elders ingevoerd.
Weg, of grotendeels weg, is 't oude paardenras, die zwarte paarden, die eenmaal een lust voor de oogen waren.


Hein Kray, Dozy op zijn sterfbed, januari 1946, potlood en crayon, 14,5 x 23,5 cm.


Eenmaal deed Drenthe aan als eene oasis van rust en gemoedelijkheid

Weg zijn de oude zeden en gebruiken, waarin zich zooveel goede traditie voortzette. Tradities, reed opgebouwd in veel vroeger tijden. Tradities, die de menschen vastheid gaven in de harde strijd om het bestaan, tradities van levensernst, van geloof, van menschenliefde. Niet voor niets had een Thomas a Kempis niet ver van hier geleefd - al was zijn naam vergeten, zijn geest waarde hier nog rond. Maar dat teedere en fijngevoelige schijnt niet meer te passen in de tegenwoordige samenleving die geen oog meer heeft voor de fijne schakeringen, die alles ziet in brute tegenstellingen, oppervlakkig zooals iemand alles vluchtig opmerkt die in een auto voortsnelt. De rust is weg, toch zoo nodig voor een bezonken oordeel.

Eenmaal deed Drenthe aan als eene oasis van rust en gemoedelijkheid, als men kwam uit de jachtende omgeving der steden. Hier was 't oord waar men zichzelf kon terugvinden, heel veel ook door het contact met de menschen, wier horizon misschien wel beperkt was, maar wat daar binnen zich voordeed begrepen en gevoelden zij door en door. En voor een kunstenaar was het uitstekend zoo de werkelijkheid te doorvoelen. Materieel gesproken is Drenthe er niet op achteruitgegaan. De dorpen worden niet meer onveilig gemaakt door bijtgrage honden. De volksgezondheid is veel verbeterd, nu meer afwisseling en betere voeding en tevens betere behuizing is gekomen.

Zoo weet ik nog huizen waar de slaapplaatsen gevormd werden door zodenbanken waarop stroo en daarop 't bed gedekt, waarvoor dan een planken beddewand aangebracht was - en dit was zoo niet in veenwerkershutten, maar in behoorlijk uitziende boerenhuizen. We zien nu mooi vee met mooie stallingen. In plaats van 't open plaggenvuur brandt steenkool in een kachel, in plaats van heideveld golven 's zomers uitgestrekte roggeakkers, zware vrachtauto's zoemen langs brede betonwegen, 't geld circuleert in plaats van dat men elkaar helpt zooals vroeger. 't Oude Drenthe, dat zooveel schilders machtig aantrok, 't verdwijnt snel, jammer genoeg, met het geestelijk leven dat er aan verbonden was.

Drenthe had een ziel, een fijnbesnaard iets. Als de artisten die nog maar kunnen begrijpen en vasthouden, bewaren als een boodschap voor komende geslachten. Vastleggen in gedicht en geschrift, met teekenstift en schilderkwast, voordat zelfs de herinnering eraan verdwenen is. Want er straalde uit al dit voorbijgegane blijmoedigheid, in groote tegenstelling met de nu overal opkomende ontevredenheid. En is toch niet een blij gemoed de grootste levenswijsheid ?'


Expositie de kunstkring "De Drentsche Schilders"


Collectie mevr. Werkman-Niks







© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl