In en om Assen





De relatie tussen de Molukken en Nederland


Veertien boten brachten 12.500 Molukkers naar Nederland. De 'Kota Inten' verzorgde het eerste en het laatste transport (collectie Otto Tatipakalawan)


Inleiding

De 'Kota Inten' was één van de vele stoomschepen die na de Tweede Wereldoorlog de verbinding onderhielden tussen Nederland en Indonesië. Op 21 maart 1951 deed dit schip weer eens de Rotterdamse haven aan. Aan boord was dit keer een bijzondere groep passagiers: een contingent Molukse militairen met hun gezinnen. Zij werden - zo dacht men toen - tijdelijk naar Nederland overgebracht, in afwachting van een spoedige repatriëring naar de Molukken. In de daarop volgende maanden arriveerden in totaal 12.500 Molukkers in Nederland. Wie waren deze Molukkers? En waarom kwamen ze naar Nederland?


Kruidnagelen

De relatie tussen de Molukken en Nederland is al bijna vier eeuwen oud. De Molukken waren van oudsher de leverancier van kruidnagelen en nootmuskaat voor de wereldmarkt. Al in de Middeleeuwen waren de 'Specerijeilanden' in Europa bekend, zonder dat men wist waar ze lagen. Chinese en Arabische kooplieden zorgden lange tijd voor de distributie van de Molukse 'smaakmakers'. Tot men in Europa op de gedachte kwam, dat het winstgevender zou zijn om die handel zelf' in handen te krijgen. Ontdekkingsreizigers gingen op zoek naar Indië en ontdekten op hun zoektochten allerlei landen en werelddelen (Amerika!). De Portugezen bereikten als eersten de Molukken, en wel in 1512. Zij sloten bondgenootschappen met machthebbers in dat gebied en verzekerden zich zo van de levering van specerijen.

De Spanjaarden, die wat later op het toneel verschenen, slaagden er niet in de Portugezen uit het gebied te verdrijven. Dat lukte uiteindelijk wel de Hollanders. In het begin van de zeventiende eeuw verdrong de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) de Portugezen uit de Molukken, en verwierf' deze Nederlandse handelsonderneming het monopolie op de export van kruidnagelen. Dat ging niet zonder slag of stoot, want herhaaldelijk probeerden Molukkers het monopolie te ontduiken. De VOC reageerde daar fel op met vernietiging van de aanplant, deportaties en executies. In de loop van de zeventiende eeuw liepen die conflicten soms uit op regelrechte oorlogen.

De VOC kwam daar als overwinnaar uit tevoorschijn. In de daarop volgende eeuwen bracht de VOC een groot deel van de Indonesische archipel onder haar gezag, al zou het tot het begin van de 20ste eeuw duren voordat het gehele eilandenrijk 'gepacificeerd' was. Zo lang bleef'de VOC overigens niet bestaan: in 1798 ging de 'kompenie' failliet en nam de staat de VOC-bezittingen over.


In dienst van Nederland

Niet alleen met de VOC ging het bergafwaarts; óók de Molukken kregen het in de loop van de achttiende en negentiende eeuw economisch zwaar te verduren. Toen het kruidnagelmonopolie doorbroken was, stortte de markt in en moesten alternatieven gezocht worden. Al lang daarvóór waren Molukkers in dienst getreden van de VOC (en later van het koloniale bestuur). Ze werkten als lagere ambtenaren, leerkrachten en soldaten. Het ging toen overigens maar om kleine aantallen. Dat werd anders vanaf het einde van de negentiende eeuw: toen namen nogal wat Molukse mannen dienst in het Koninklijk Nederlands-Indische Leger (KNIL).

Het waren voor het merendeel christen-Molukkers, afkomstig van Ambon en de omringende eilanden. Ze werden de ruggegraat van het KNIL en speelden een belangrijke rol bij het onder Nederlands gezag brengen van de Indonesische archipel. Een veel kleinere groep Molukkers ging dienst doen bij de Koninklijke Marine. Het KNIL was eerder een politioneel dan een miltair apparaat. Dat wil zeggen, dat het meer berekend was op het handhaven van orde en rust in het land, dan op de verdediging ervan tegen een buitenlandse aggressor. Dat bleek heel duidelijk, toen in 1942 Japan Nederlands-Indië aanviel. Het KNIL was tegen die vijand niet opgewassen.


Midden- en Zuid-Molukken (gebied dat behoort tot de Republik Maluka Selatan)


Japanse bezetting

Op 7 december 1941 vernietigde Japan bij een verrassingsaanval op Pearl Harboureen groot deel van de Amerikaanse Pacific-vloot: het begin van de Tweede Wereldoorlog in Zuid-Oost-Azië. Een dag later verklaarde Nederland Japan de oorlog, in navolging van de Verenigde Staten. In de daarop volgende weken gebeurde er echter nog niet veel. Japan had het aanvankelijk nog te druk met de verovering van andere gebieden. Maar van het begin aan was duidelijk dat óók Nederlands-Indië aangevallen zou worden: de Japanse oorlogsmachine had grote behoefte aan de natuurlijke rijkdommen van dat land (denk bijvoorbeeld maar aan de olie!). Op 10 januari 1942 was het zover: Japanse leger- en vlooteenheden zetten een massale aanval in op Nederlands-Indië.

De strijd zou bijna twee maanden duren, maar was van het begin af aan hopeloos. De overmacht was te sterk. Het Japanse leger was beter getraind en beter toegerust dan het KNIL. Ook de Koninklijke Marine en de jonge luchtmachtafdeling van het KNIL waren niet opgewassen tegen de vijand. Schout bij Nacht Karei Doorman ging strijdend ten onder in de Slag op de Javazee. Op 8 maart 1942 capituleerde het KNIL en werd Nederlands-Indië door Japan bezet. Onder het motto 'Azië voor de Aziaten' probeerden de Japanse bezettingsautorieiten de bevolking van Indië voor zich te winnen. Nederlanders werden grotendeels uit het openbare leven verwijderd. Ze kwamen terecht in interneringskampen, waarbij de mannen gescheiden werden van vrouwen en kinderen.

De inheemse nationalistische elite, onder leiding van ir. Sukarno, kreeg de gelegenheid om de rol van de Nederlanders in het bestuursapparaat over te nemen. De uiteindelijke macht bleef echter in handen van de Japanners. Japanse bezetting: perscensuur, onderdrukking en dwangarbeid (OTI. Behalve de Nederlanders hadden ook veel Molukkers het moeilijk tijdens de Japanse bezetting. Zij waren in de ogen van de Japanners een gevaar voor hun nieuwe orde, vanwege hun trouw aan het Nederlandse gezag. Een aantal Molukse militairen kwam dan ook in interneringskampen terecht. Er waren ook Molukkers die een actieve rol speelden in het verzet. Velen van hen vielen in handen van de Kenpeitai, de Japanse geheime politie, en werden gemarteld of gedood.

De Indonesische archipel was tijdens de oorlog verdeeld tussen het Japanse leger en de Japanse marine. Het gebied dat onder het leger viel, waaronder Java en Sumatra, kreeg een beperkte vorm van zelfbestuur in het vooruitzicht gesteld. Met dat vooruitzicht voor ogen steunden Sukarno en andere nationalistische leiders Japan. Dat belette het Japanse leger overigens niet om duizenden door Sukarno opgeroepen vrijwilligers (romusja's) als dwangarbeiders te behandelen, met als gevolg dat velen van hen omkwamen. Het gebied dat door de marine werd bestuurd, was voorbestemd een wingewest voor het Japanse rijk te blijven. De Molukse eilanden hoorden daartoe.


KNIL - colonne


Dekolonisatie

In de loop van 1944 werd duidelijk dat Japan de oorlog zou verliezen. Indonesische nationalisten kregen haast. Ze wilden onafhankelijk zijn vóórdat Nederland de kans zou krijgen om het koloniale systeem te herstellen. Met Japanse steun werd een commissie ingesteld om de onafhankelijkheid voor te bereiden. Toch dreigde het einde van de oorlog de nationalistische leiders nog te verrassen. De atoombommen op Hiroshima en Nagasaki brachten het Japanse keizerrijk toch nog onverwacht snel op de knieën: op 15 augustus 1945 capituleerden de Japanners. Even waren de nationalisten in verwarring. Maar toen besloten ze - geprest door hun jonge aanhang - de onafhankelijke Republik Indonesia (RI) uit te roepen: op 17 augustus, twee dagen na de Japanse overgave, ondertekenden Sukarno en Hatta de onafhankelijkheidsverklaring.

Het was een eigenaardige bevrijding in Indonesië: natuurlijk was iedereen blij dat de Japanse bezetting voorbij was, maar tegelijkertijd begon weer een nieuwe oorlog: de strijd tussen Nederland en de Republik Indonesia. Het was een chaotische tijd. Het centrale gezag viel grotendeels weg en allerlei gewapende groepen trokken door het land. Nederlanders, Molukkers en Chinezen moesten het vaak ontgelden. Mensen in interneringskampen maakten mee dat ze door hun voormalige Japanse kampbewakers moesten worden beschermd tegen jongeren (pemuda's) die in naam van de nieuwe republiek de kampen aanvielen. Ook Molukse militairen, die 'zelf nog maar net uit Japanse gevangenschap waren bevrijd, maakten zich verdienstelijk door spontaan de verdediging van vrouwenkampen op zich te nemen.

Nederland probeerde in 1945 zo snel mogelijk weer vaste voet te krijgen in Indonesië. In het oosten lukte dat redelijk, maar er waren ook gebieden waar de Republik Indonesia de baas bleef. Het Engelse leger, dat die gebieden bevrijdde, vond dat de RI een macht vormde waar rekening mee diende te worden gehouden. Ook betwijfelde de Engelse legerleiding of haar troepen, die voor een belangrijk deel uit Brits-Indië afkomstig waren, wel bereid zouden zijn in een koloniale oorlog tegen de Republik op te treden. Na verloop van tijd losten Nederlandse troepen (van het KNIL en uit Nederland) het geallieerde leger af. Die slaagden er in het land weer grotendeels onder controle te krijgen.

Toch besefte de Nederlandse regering al snel, dat het idee van een onafhankelijk Indonesië geaccepteerd moest worden. In de juist opgerichte Verenigde Naties bestond weinig sympathie voor herstel van koloniale verhoudingen. Niet alleen veel nieuwe staten in de Derde Wereld, maar ook landen als Australië en de Verenigde Staten, vonden dat in de naoorlogse wereldorde het ene volk het andere niet diende te overheersen. Nederland verweerde zich door te wijzen op de chaotische situatie in Indonesië: orde en rust dienden hersteld te worden; daarna kon gepraat worden over onafhankelijkheid.

Militair optreden tegen de RI werd dan ook versluierend 'politionele actie' genoemd. De wereldopinie accepteerde echter deze rechtvaardiging van het Nederlandse optreden niet: met name de Verenigde Staten oefenden sterke druk uit op Nederland om met de Indonesische leiders te onderhandelen. Het dreigement dat de Marshallhulp voor de wederopbouw van Nederland zou worden ingetrokken gaf uiteindelijk de doorslag. Na een Ronde-Tafelconferentie (RTC) werd op 29 december 1949 de souvereiniteit overgedragen aan de Verenigde Staten van Indonesië (VSI).


Sietse Kooistra sr.; Hokkien Photo Studio, No. 193, Carnarvon Street, Penang 1946 (collectie Sietse Kooistra)


Federalisme of eenheidsstaat

De vorming van deze 'Verenigde Staten' was het compromis waardoor de souvereiniteitsoverdracht tot stand kon komen. De Republik Indonesia had eigenlijk zelf de macht over willen nemen. Maar Nederland voelde daar weinig voor. Eigenlijk had Nederland helemaal niet met Sukarno c.s., die beschouwd werden als collaborateurs en extremisten, willen onderhandelen. Toen dat door buitenlandse druk toch moest, trachtte de Nederlandse regering de macht van de RI in te perken. In gebieden die zij onder controle had werden deelstaten opgericht die vervolgens bij de onderhandelingen werden betrokken. De RI werd daardoor één van de deelstaten die samen de Verenigde Staten van Indonesië gingen vormen.

Toen de souvereiniteit op 27 december 1949 aan de VS1 was overgedragen, met Sukarno als eerste president, bleek al snel dat de federatie van deelstaten geen lang leven zou zijn beschoren. Eén voor één besloten de deelstaatparlementen zichzelf op te heffen en aansluiting te zoeken bij de Republik Indonesia. Alleen de deelstaat Oost-Indonesië (Negara Indonesia Timur - NIT) leek het langer uit te kunnen houden. Deze deelstaat was politiek en economisch krachtig genoeg om zich staande te houden. Toch was ook hier een politieke stroming onder leiding van de Molukse politicus Pupella die streefde naar opheffing van de NIT en de totstandkoming van de eenheidsstaat.

Andere politici (waaronder de Molukkers Soumokil, Manusama en Metekohy) vreesden voor overheersing van Oost-Indonesië (en dus ook de Molukken) door het centrale gezag in Djakarta. Daarom wilden zij de deelstaat in stand houden en ook de beschikking houden over eigen, dat wil zeggen KNIL-troepen. De centrale regering voelde niets voor dit laatste, en stuurde eenheden van de APRIS (Angkatan Perang Republik Indonesia Serikat), het federale leger, naar Oost-Indonesië. Deze troepen bestonden voor een belangrijk deel uit eenheden -die voorheen tot de TNI (Tentara Nasional Indonesia), het leger van de RI, hadden behoord. Nadat KNIL-troepen onder leiding van kapitein Andi Abdul Aziz begin april 1950 nog tevergeefs hadden geprobeerd de APRIS-eenheden tegen te houden, was het lot van de NIT beslist.

Het zou nog tot 15 augustus 1950 duren, voordat de eenheidsstaat formeel een feit was, maar de kaarten waren geschud. Dat vonden ook een aantal Molukse leiders, die tot dan toe een rol hadden gespeeld in het bestuur van Oost-Indonesië. Onder leiding van ir J.A. Manusama en mr dr Chr. Soumokil werd op Ambon overlegd, wat nu te doen stond. Ook op Ambon aanwezige Molukse KNIL-militairen speelden een rol bij die besprekingen. De leiding van de Daerah Maluku Selatan (J.H. Manuhutu en A. Wairisal) werd onder druk gezet om de Zuid-Molukken onafhankelijk te verklaren, uit protest tegen de opheffing van de federale structuur, die een schending van de RTC-accoorden betekende.

Manuhutu en Wairisal hadden de nodige aarzelingen. Maar uiteindelijk besloten zij na zwaar aandringen van op Ambon aanwezige Molukse leiders de onafhankelijkheid uit te roepen. Op 25 april 1950 werd de proclamatie van de Republik Maluku Selatan (RMS) plechtig ondertekend. Manuhutu werd president van de nieuwe republiek, Wairisal premier, Soumokil minister van Buitenlandse Zaken en Manusama minister van Onderwijs.


Bronvermelding:

'Molukkers in Nederland'. Auteur; Henk Smeets. Uitgave Moluks Historisch Museum, Utrecht 1992. ISBN 90 74352 03 0






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl