In en om Assen





De Republik Maluku Selatan


Bronvermelding:
'Molukkers in Nederland'. Auteur; Henk Smeets. Uitgave Moluks Historisch Museum, Utrecht 1992. ISBN 90 74352 03 0


RMS-president Soumokil temidden van zijn querrilla's op Ceram (collectie Moluks Historisch Museum)


De RMS

1950 werd de proclamatie van de Republik Maluku Selatan (RMS) plechtig ondertekend. Manuhutu werd president van de nieuwe republiek, Wairisal premier, Soumokil minister van Buitenlandse Zaken en Manusama minister van Onderwijs. De eerste dagen na de proclamatie verkeerden veel Molukkers op Ambon in een juichstemming: ze hadden hun eigen staat en ze geloofden dat ze op grond van de RTC-accoorden de steun zouden krijgen van Nederland en de Verenigde Naties. Dat Indonesië de proclamatie niet zomaar zou aanvaarden, hadden zij wel verwacht. De centrale regering in Djakarta stuurde al snel een 'broedermissie' van Rl-gezinde Molukkers.

De delegatie stond onder leiding van de Indonesische minister van Volksgezondheid, dr J. Leimena, en moest proberen de 'revolte' langs vreedzame weg ongedaan te maken. De missie haalde echter niets uit: zonder dat onderhandeld was moest Leimena rechtsomkeert maken. Intussen werd duidelijk dat van internationale steun voor de RMS niet veel terecht zou komen. De Verenigde Naties hielden zich op de achtergrond en wilden alleen wat doen als Indonesië daarmee instemde; dat was niet het geval. Bovendien werden de VN al snel door ernstiger zaken in beslag genomen: op 25 juni 1950 brak de oorlog in Korea uit. De Nederlandse regering gaf ook geen steun, ondanks pressie vanuit de samenleving om Ambon te helpen.

Indonesië verweet Nederland de hand te hebben gehad in de RMS, omdat Molukse KNIL-militairen de proclamatie zouden hebben afgedwongen. Vandaar dat vooral getracht werd die indruk weg te nemen. De Nederlandse troepencommandant in Oost-Indonesië. kolonel L. Schotborgh, werd naar Ambon gestuurd om de militairen daar tot de orde te roepen. Dat haalde niets uit. Op 9 mei 1950 overhandigde sergeant-majoor D.J. Samson, de commandant van het nieuwe RMS-leger, voor het front van de troepen een Nederlandse vlag, een pistool en onderscheidingstekenen van het KNIL aan Schotborgh, daarmee afscheid nemend van het Nederlandse leger. Niet lang daarna verliet een groot deel van de Nederlanders Ambon, uit vrees voor een Indonesische aanval.

Die aanval kwam ook. Maar eerst probeerde Indonesië nog met een blokkade van de Molukse eilanden de RMS op de knieën te krijgen. Maar ook dat had niet het beoogde effect. Nadat het Indonesische leger al in mei 1950 een aantal van de zuidelijke eilanden had bezet, voerde het vanaf 13 juli aanvallen uit op de Midden-Molukken. Op 28 september werd het eiland Ambon zelf aangevallen. Er werd hard gevochten en de verliezen waren hoog. Van Molukse kant werd taai verzet geboden, waarbij de 'sukarela's' (jonge vrijwilligers) een belangrijk aandeel hadden. Maar de overmacht was te groot. Toch zou het nog tot begin december 1950 duren, voordat de RMS-regering moest uitwijken naar het eiland Ceram. Ook de overgebleven troepen werden daar geconcentreerd. In de oerwouden van Ceram werd de oorlog voortgezet, een guerillastrijd die nog dertien jaar zou duren.


Een overbodig leger

Toen de RMS werd geproclameerd, en het Indonesische leger vervolgens Ambon heroverde, waren de meeste Molukse KNIL-militairen ver van de Molukken verwijderd. Ze zaten in kazernes (tangsi's) in andere delen van de Indonesische archipel. Voor een goed begrip moeten we eerst even terug in de geschiedenis. Bij de Souvereiniteitsoverdraeht in 1949 was afgesproken dat het KNIL binnen een halfjaar zou worden opgeheven. De Nederlandse KNIL-lers werden gerepatrieerd. De inheemse soldaten konden kiezen: öf gedemobiliseerd worden, of de overstap maken naar de APRIS. het leger van de Verenigde Staten van Indonesië. Voor veel Molukse militairen was dit laatste een moeilijke stap.

De kern van de APRIS werd gevormd door het vroegere leger van de Republik Indonesia, de TNI van Sukarno. Tegen dit leger hadden zij nog zo kort geleden gevochten. Geen wonder dus dat zij aarzelden toen hen de mogelijkheid werd geboden om tot de APRIS toe te treden. Toch werd het idee niet direct afgewezen. Wèl werden een aantal voorwaarden gesteld. Zo wilden ze niet afzonderlijk, maar als eenheden overstappen naar de APRIS, en wel onder hun eigen officieren. . Bovendien wilden zij in Oost- Indonesië gelegerd worden (al eerder wees ik er op, dat óók de Oost-Indonesische politici dit wilden, om zo de deelstaat Oost-Indonesië een sterkere positie te verschaffen).

De onderhandelingen over deze overstap waren nog in volle gang, toen op Ambon de RMS werd uitgeroepen. De meeste Molukse militairen, die toen nog niet naar de APRIS waren overgestapt, kozen de kant van de RMS. Demonstraties (bijvoorbeeld in Djakarta) en gewapende conflicten tussen Molukse KNIL-soldaten en de APRIS (in Makassar) waren het gevolg. De overstap naar het Indonesische leger was nu van de baan. De Molukse militairen. die na de botsingen in Makassar geconcentreerd waren in een aantal kampen op Java, wilden nu gedemobiliseerd worden.


De plaats van keuze

Nu was er al lang voor de oorlog in de KNIL-reglementen bepaald, dat militairen bij hun demobilisatie mochten kiezen waar zij uit het leger ontslagen wilden worden. Wel moest die 'plaats van keuze' liggen binnen de grenzen van Nederlands-Indië. Die bepaling was heel verklaarbaar. Nederlands-Indië. en nu Indonesië, beslaat ongeveer hetzelfde oppervlak als Europa. Als nu een militair op Sumatra of Java dienst had gedaan en hij wilde terug naar de Molukken, dan was zo'n grote reis onmogelijk op eigen houtje èn kosten te maken. Daarom was bepaald dat het ontslag uit het leger pas zou ingaan als men op de plaats van keuze zou zijn aangekomen.

De Molukse militairen die medio 1950 gedemobiliseerd wilden worden, wezen Ambon aan als plaats van keuze. Zij wilden namelijk de RMS gaan steunen. Reden genoeg voor Indonesië, om daar tegen te zijn. Nederland had voor de demobilisatie de toestemming nodig van de Indonesische regering, niet alleen omdat Ambon formeel deel uit maakte van Indonesië, maar ook omdat de Molukse militairen op grond van de RTC-accoorden Indonesisch staatsburger waren. Toen Ambon niet mogelijk bleek, kozen de militairen voor Nederlands Nieuw-Guinea. De omstandigheid dat dit gebied aan de Molukken grensde, speelde daarbij een grote rol. Voor Indonesië opnieuw een reden om tegen te zijn.

Wel was de regering in Djakarta bereid de Molukkers naar Ambon te laten gaan, toen dit eiland op de RMS veroverd was. Heel even leek het er op, dat de Molukse militairen hierop in zouden gaan, op voorwaarde dat zij garanties konden krijgen dat het Indonesische leger hen na hun demobilisatie met rust zou laten. Door tussenkomst van RMS-minister P. Lokollo, die via Australië inmiddels in Nederland terecht was gekomen, verdween ook deze mogelijkheid van tafel. De militairen herhaalden hun verzoek om op Nieuw-Guinea gedemobiliseerd te worden of anders op Ceram, waar het RMS-leger nog vocht. Indonesië èn Nederland weigerden opnieuw. Voor Nederland werd de kwestie langzamerhand pijnlijk.


Sgt.-Majoor F. Aponno (collectie MHM)


Het kort geding van Sgt.-Majoor F. Aponno

Bijna een jaar nadat de souvereiniteit aan Indonesië was overgedragen, was nog steeds een Nederlands leger van 9.000 man op Java aanwezig: zo'n 4.000 Molukse militairen die wachtten op demobilisatie, en 5.000 Nederlandse soldaten die als buffer fungeerden tussen de Molukse militairen en hun gezinnen èn de Indonesische omgeving. Op 24 juli 1950, een half jaar na de Souvereiniteitsoverdracht, was het KNIL zoals afgesproken opgeheven. Om de demobilisatie van de overgebleven militairen toch ordentelijk te laten verlopen, waren zij tijdelijk opgenomen in de Koninklijke Landmacht. Die 'tijdelijke KL-status' zal nog een belangrijke rol spelen in dit verhaal.

Begin december 1950 vond de Nederlandse regering dat niet langer gewacht kon worden met de demobilisatie van de Molukse militairen. Niet alleen was men bevreesd voor buitenlandse kritiek op het trage afwikkelingsproces (de VS!), voor verslechtering van de verhoudingen met Indonesië, maar ook voor een conflict met het Nederlandse parlement omdat nog steeds dienstplichtigen in Indonesië dienstdeden. Het kabinet-Drees/Van Schaik overwoog daarom om de Molukkers op Java te demobiliseren. Dat was tegen de reglementen, maar -zo redeneerde men - hier was sprake van overmacht.


Een delegatie van Molukse militairen, die onder leiding van sergeant-majoor F. Aponno sinds 8 augustus 1950 in Nederland was om de belangen van hun achterban te behartigen, spande een kort geding aan tegen de Staat om deze demobilisatie te voorkomen.

Met steun van advocaat mr K. van Rijckevorsel werd dit proces tot in hoogste instantie gewonnen. De rechter verbood de Nederlandse regering om haar soldaten tegen hun zin achter te laten in het gebied van een hen vijandig gezind land. Daarmee was ook de demobilisatie op Java van de baan. Ten einde raad besloot het kabinet de Molukse militairen en hun gezinnen dan maar tijdelijk naar Nederland te halen. 'De slechtst denkbare oplossing', volgens minister van Oorlog s'Jacob, maar óók de enige oplossing. De delegatie-Aponno en ook de militairen op Java twijfelden lang over de vraag of zij gehoor zouden geven aan het bevel om te kiezen tussen vrijwillige demobilisatie op Java en vertrek naar Nederland.


Naar Nederland

Een deurwaardersexploit, de dreiging met een dienstbevel en de mededeling dat men bij niet-kiezen op staande voet uit het leger zou worden ontslagen, leidden er uiteindelijk toe dat het verzet tegen inscheping werd gestaakt. Beide partijen dachten overigens dat het verblijf in Nederland maar voor korte tijd was. De Nederlandse regering dacht dat de Molukse militairen na een paar maanden wel 'afgekoeld' zouden zijn en terug zouden willen naar Indonesië. De Molukkers verwachtten dat de RMS-strijd op Ceram zou leiden tot de herovering van Ambon, zodat zij op korte termijn terug zouden kunnen naar hun eigen republiek. Tussen maart en juli 1951 werden de Molukse militairen en hun gezinnen met 14 schepen naar Nederland overgebracht; in totaal 12.500 mensen. In Nederland werd alles in het werk gesteld om huisvesting voor hen te vinden.

Als gevolg van de tweede wereldoorlog was er een grote woningnood. Huizen waren dus niet beschikbaar. De overheid wilde de Molukkers bovendien niet in gewone huizen onderbrengen, maar hen zoveel mogelijk bij elkaar houden, weg van de Nederlandse samenleving. Het was namelijk niet de bedoeling dat ze hier zouden integreren, maar dat ze zo snel mogelijk terug zouden gaan naar Indonesië. Daarom werden een groot aantal complexen die in gebruik waren bij ministeries vrijgemaakt om te worden omgebouwd tot Molukse woonoorden: kazernes, opleidingsinstituten, gevangenissen, DUW-kampen (barakkenkampen waarin tot dan toe werklozen waren gehuisvest die ingezet waren bij werkverschaffingsprojecten, en twee kampen uit de Duitse tijd: Kamp Vught (omgedoopt tot woonoord Lunetten) en Kamp Westerbork (woonoord Schattenberg). Ook enkele kloosters en villa's werden gebruikt.


Ontslag

Op 21 maart arriveerde de 'Kota Inten' als eerste schip met Molukkers in de Rotterdamse haven. Bij aankomst kregen de militairen te horen dat zij 'gedemilitairiseerd' waren. Het kabinet had hiertoe al op 19 februari 1951 besloten, maar dit besluit was tot dan toe niet bekend gemaakt. Later werd wel gezegd dat de late bekendmaking het gevolg was van de inmiddels ontstane kabinetscrisis, maar de vrees dat het bericht over het ontslag het vertrek van de Molukkers op Java alsnog negatief zou kunnen beïnvloeden heeft zeker óók een rol gespeeld. Het ontslag uit militaire dienst sloeg in als een bom. De Molukse militairen hadden altijd wel geweten, dat de KL-status hen slechts tijdelijk was toegekend.

Maar zij waren er steeds van uit gegaan dat zij pas op de plaats van hun keuze zouden worden gedemobiliseerd. Nu werden ze werkloos in een vreemde omgeving, aan de andere kant van de wereld, terwijl ze aanvankelijk ook niets anders mochten gaan doen. Ze voelden zich verraden door hun werkgever, voor wie ze - in de oorlog en daarna in de dekolonisatieperiode - hun leven hadden geriskeerd. Waarom was tot dit ontslag besloten? De Nederlandse regering vond het niet juist, dat soldaten die formeel Indonesische staatsburgers waren nog langer in de Koninklijke Landmacht werden gehandhaafd. Daar kwam bij dat Sukarno was beloofd, dat de Molukse militairen na hun vertrek uit Java niet meer voor operationele doelen zouden worden ingezet.

Opvallend was dat de meest bij deze kwestie betrokken ministers (Oorlog en Overzeese Rijksdelen) de Molukkers wèl in dienst hadden willen houden. Zij meenden dat alleen zo orde en tucht gehandhaafd zouden kunnen worden. De meerderheid van het kabinet vond dat geen reden; de politie moest de orde maar handhaven in de woonoorden waar de Molukkers als burgers gehuisvest zouden worden. De Molukse militairen legden zich niet zo maar neer bij het ontslag uit militaire dienst. Ze gingen opnieuw naar de rechter. En in eerste instantie gaf de rechter hen gelijk: het Militair Ambtenarengerecht in Den Haag verklaarde het ontslag nietig. Hoewel de Staat beroep aantekende tegen deze uitspraak, werd algemeen verwacht, dat de Molukkers ook in hoger beroep gelijk zouden krijgen.


Sgt. -Majoor Saptenno vocht het ontslag aan; aanvankelijk met succes (collectie MHM)


De Nederlandse regering noemde het ontslag rechtmatig

Alle voorbereidingen werden getroffen om hen te remilitariseren. Commandanten waren aangewezen, uniformen lagen klaar, bewakingsobjecten waren bijeengezocht, reglementen voor de woonoorden opgesteld, evenals een dagorder van de chef van de Generale Staf waarin hij de Molukse militairen opnieuw welkom heette in de KL. Het mocht niet baten: op 4 maart 1952 verklaarde de Centrale Raad van Beroep dat het Ambtenarengerecht niet bevoegd was om te oordelen inzake het ontslag van de Molukse ex-KNIL-militairen, omdat zij - hoewel ze tijdelijk bij de KL waren ingedeeld - daar geen aanstelling hadden en dus geen ambtenaar waren in de zin van de Militaire Ambtenarenwet 1931.

De afloop van dit proces was erg onbevredigend voor de Molukse militairen: de lagere rechter die de zaak inhoudelijk had bekeken, had hen gelijk gegeven, en de hogere rechter die deze uitspraak ongedaan had gemaakt had zelf geen oordeel gegeven over de rechtmatigheid van het ontslag. Daardoor bleef het ontslag gehandhaafd zonder dat de juistheid ervan nog bij een rechter getoetst kon worden.


Jaren later - in de Molukkersnota van 1978 -noemde de Nederlandse regering het ontslag nog steeds rechtmatig, maar betwijfelde zij wel, "of het sociaal-psychologisch verantwoord was de door de gebeurtenissen in Indonesië toch al gedesoriënteerde Molukse militairen onmiddellijk na aankomst in de voor hen vreemde omgeving hun status te ontnemen'. 'De daardoor geschapen leegte', aldus de regering, 'heeft zich later gewroken'.

Dat klopt. Veel van de botsingen tussen de Nederlandse overheid en de Molukse gemeenschap in latere jaren hadden te maken met het nimmer verwerkte ontslag uit militaire dienst. Na de zo teleurstellende uitspraak door de Centrale Raad is de regering nog herhaaldelijk voorgesteld om de Molukkers - ook zonder rechterlijk bevel - opnieuw in het leger op te nemen. Die voorstellen kwamen niet alleen van Molukse kant (bij monde van advocaat mr Van Rijckevorsel), maar ook van ambtenaren die belast waren met het Molukkersbeleid en in het bijzonder het beheer van de woonoorden. Telkens weer wezen zij op de onmogelijkheid om zonder het militaire tuchtrecht de orde te handhaven.


Molukkers die dienden bij de Koninklijke Marine kregen geen ontslag

In het kabinet bleef echter een - wisselende - meerderheid tegen remilitarisering. Wel bood de regering medio 1952 een deel van de Molukse ex-militairen een bewakingsfunctie aan. Er zou -bij voldoende belangstelling - een burgerbewakingscorps worden opgericht. De grootste Molukse organisaties voelden niets voor dit idee. Ze hadden grote bezwaren tegen het burgerkarakter van het corps. Toen zij ook nog politieke eisen (ten gunste van de RMS) verbonden aan deelname aan dit corps, was ook dit plan van de baan. Molukkers die dienden bij de Koninklijke Marine kregen geen ontslag. De Marine kende niet het onderscheid tussen een Nederlandse en een Nederlands-Indische vloot.

Bij de Souvereiniteitsoverdracht werd de Marine dan ook niet opgeheven, maar slechts teruggetrokken uit Indonesië. Wel werd 'inheemse schepelingen' geadviseerd om over te gaan naar de Indonesische Marine ofte demobiliseren; maar dat hoefde niet. Molukse Marinemensen werden na de Souvereiniteitsoverdracht met hun gezinnen overgeplaatst naar Nederland of naar Nieuw-Guinea. In Nederland werden ze gehuisvest in de omgeving van Marinebases, zoals Den Helder en Doorn. De overige Molukkers werden burgers-tegen-wil-en-dank.


Geschiedenis in een notendop

Bronvermelding:
Documentatie van de heer J.H. Koster


Foto genomen omstreeks 1953 toont vader, moeder en hun zeven kinderen in het kamp van de Carel Coenraadpolder. (Aan de muur links een wandkleed met een Hollands landschap!) Het merendeel van de ruim driehonderd mensen die in de C.C.polder werden gehuisvest, waren afkomstig uit het kamp Schattenberg in Westerbork.


De KNIL-Molukkers, (een klein deel was Abonnees).

- Oprichting KNIL in 1830
- Werving Molukkers vanaf 1873 om verliezen van Atjeh oorlog te compenseren
- Beeld ontstond van Loyale Ambonese KNIL militairen Loyaal aan Ned.vlag en Koningshuis.
- Deel bleef loyaal tijdens de Japanse bezetting en werd geïnterneerd tussen 1942-1945.
- Waren gelegerd in kazernes (tangsi’s) over de gehele Archipel.
- Gehuwden in lange loodsen met afgeschoten hokjes, waarin behalve de slaaptafels waar pa en ma sliepen en waaronder de kinderen een plaatsje vonden, weinig ruimte was voor meubilair. Geen privacy iedereen kon alles van elkaar horen en bijna alles zien. Koken en andere huishoudelijke taken gebeurde centraal en gezamenlijk door de vrouwen.

- 1949, 65.000 KNIL militairen. Op 26 juli 1950 de dag van de officiële opheffing KNIL nog 16.750.
- Op 20 Juli 1950 bij Kon.B. collectief ontslag en tijdelijk in dienst gesteld bij de Kon.Landmacht.
- Ze waren nog steeds gelegerd en bewapend in kazernes in onafhankelijk Indonesie.
- De Controle en Leiding lag bij het Nederlandse leger dat terug moest naar Nederland.
- Op grond van voorschriften uit 1935 hadden KNIL milt. recht op terugkeer naar plaats van Keuze.
- Nederland had de Molukkers een mate van zelfstandigheid beloofd binnen de V.S van Indonesie.

- Nov. 1950 tot dec. 1950 verovering van de Ambon door troepen van Soekarno.
- Soekarno dulde geen Molukse onafhankelijkheid ,dus ook geen bewapende Molukse eenheden.
- Nederland had dus een probleem met het Moluksedeel van de troepenmacht.
- Regering (Drees) kon niet anders dan ze “tijdelijk” naar Nederland halen.
- Regering moest in amper 3 maanden onderdak regelen, vandaar de keuze voor de kampen.
- Gedeeltelijke via Dienstbevel op straffe van ontslag aan boord van transportschepen.

- Deels pas ontwapend bij het betreden of op de transportschepen.
- Vervoer naar Nederland van 20-02-1951 t/m 25-05-1951 naar Nederland.
- Totaal 3.423 Molukse KNIL militairen kregen bij aankomst in Amersfoort ontslag uit milit.dienst.
- Totaal met vrouwen en kinderen 12.067 personen.
- Deze werden verdeeld over 90 kampen, kazernes,kloosters enzv. over Nederland.
- De groep is nu uitgegroeid tot ± 42.000 Molukse Nederlanders.


Info op nos.nl d.d. 22 november 2011


De Indonesische oud-minister van Buitenlandse Zaken Hasan Wirajuda (2007). Foto EPA


Eisen RMS in hoger beroep afgewezen


Een eis van de Zuid-Molukse regering in ballingschap (RMS) om de Indonesische president Yudhoyono te arresteren als hij in Nederland is, is door het gerechtshof in Den Haag afgewezen

Een eis van de Zuid-Molukse regering in ballingschap (RMS) om de Indonesische president Yudhoyono te arresteren als hij in Nederland is, is door het gerechtshof in Den Haag afgewezen. Yudhoyono zou vorig jaar oktober een staatsbezoek brengen aan Nederland. De RMS eiste in een kort geding tegen de Nederlandse staat zijn arrestatie, omdat de president schuldig zou zijn aan het schenden van mensenrechten van een aantal Zuid-Molukkers.

Bestaansrecht

Yudhoyono zegde daarop zijn bezoek aan Nederland af, hoewel de staat hem had verzekerd dat hij niet zou worden gearresteerd. Korte tijd later eiste de RMS in een kort geding ook de arrestatie van de oud-minister van Buitenlandse Zaken van Indonesië, Hasan Wirajuda, die op dat moment in Nederland was. Ook die eis is verworpen. Tijdens het hoger beroep van vandaag heeft de staat in zijn verweer opgevoerd dat de republiek der Zuid-Molukken niet door Nederland wordt erkend en in juridisch opzicht niet bestaat. Het hof heeft geen uitspraak willen doen over het juridische bestaansrecht van de RMS, omdat dit voor de beslissing van het geschil niet relevant is.

Strijd

De zaak ligt gevoelig onder Molukkers in Nederland. De Republiek der Zuid-Molukken (RMS) werd in 1950 uitgeroepen als onafhankelijke staat, maar wordt wereldwijd niet erkend, op het land Benin na. Op Ambon ontstond een guerrillastrijd tegen de Indonesische overheersing. Veel Molukkers weken uit naar Nederland, waaronder ook veel KNIL-militairen die op dienstbevel naar Nederland kwamen. In 1966 werd de in Nederland wonende Johan Manusama president in ballingschap van de RMS.

De RMS in Nederland radicaliseerde, wat onder meer leidde tot brandstichting in de Indonesische ambassade in Den Haag in 1966 en de treinkaping in 1977. Het laatste gewelddadige incident was in 1978, bij een gijzeling in het provinciehuis in Assen.

Sindsdien is de RMS via rechtszaken een strijd blijven voeren voor onafhankelijkheid.


'Maak excuses aan de Molukkers'


Info op volkskrant.nl d.d. 25 april 2012

Opinie van Sylvia Pessireron (schrijver), Victor Molkenboer ( politicus ), Emile Roemer ( politicus), Kees Luesink (politicus) , Jolande Sap (politica) , Esther Ouwehand (politica) , Arie Slob (politicus) en Nico Koffeman (politicus).


Molukkers kwamen op dienst-bevel naar Nederland. Maar ze konden beter niet integreren; hun verblijf was immers tijdelijk. 'Het is tijd dat de minister-president zijn excuses aanbiedt aan de Molukse ex-KNIL-soldaten, hun vrouwen en kinderen', dat schrijven verschillende politici.

Molukkers zijn geen vluchtelingen of arbeidsmigranten zoals tegenwoordig veelal wordt gedacht, maar kwamen op dienstbevel naar Nederland. Bij aankomst in 1951 werden de KNIL-militairen en hun gezinnen aan hun lot overgelaten. Integreren in de Nederlandse samenleving was niet de bedoeling. Na meer dan zestig jaar dient de premier van Nederland zijn excuses aan te bieden voor de kille ontvangst van destijds.

Het verhaal van de Molukkers in Nederland is nauw verweven met onze vaderlandse geschiedenis. Uit hún land betrok de VOC de kruidnagelen en andere specerijen die de basis zouden vormen voor de bloeiende handel die de Nederlandse Gouden Eeuw inluidde. Het waren 'Ambonezen' die, vermaard vanwege hun inzet en trouw, door het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) werden geronseld. En het waren deze Molukse militairen die tijdens de Japanse bezetting van Nederlands-Indië Nederlandse geïnterneerden beschermden, en die direct na de capitulatie opnieuw de kant van Nederland kozen tijdens de bloedige onafhankelijkheidsstrijd.

Maar toen Nederlands-Indië werd verloren, werden de KNIL-soldaten van Molukse afkomst een blok aan het been. Omdat de Nederlandse regering hun wens om op Ambon af te zwaaien niet wilde inwilligen, werden zij op dienstbevel naar Nederland overgebracht. Voor een half jaar, zo luidde de belofte. Direct na aankomst kregen de soldaten echter ontslag en werden zij gehuisvest in zogenaamde 'woonoorden', voorlopers van de Molukse wijken. Ze kregen te horen dat het niet de bedoeling was in de Nederlandse samenleving te integreren; hun aanwezigheid was tijdelijk.

De soldaten moesten hun gezinnen onderhouden met door de staat gefourneerd zakgeld (drie gulden per week per volwassene, en een gulden per kind) en werden van de arbeidsmarkt geweerd. Het ontslag en de wijze waarop zij door hun voormalig werkgever werden weggezet, was een klap in het gezicht van de soldaten. Hun verbittering en ontgoocheling werd de erfenis van hun kinderen.


Oproep

Achtereenvolgende regeringen hebben gezwegen over de vernederende behandeling van de eerste generatie Molukkers. Dat zwijgen werd, na zestig jaar, doorbroken door Victor Molkenboer, burgemeester van Leerdam. Aan het begin van dit jaar riep hij de overheid op excuses aan te bieden voor de kille manier waarop de Molukkers destijds zijn ontvangen. Zijn oproep verdient steun. In een samenleving die bestaat uit een waaier van bevolkingsgroepen dient de overheid voor binding te zorgen. Daarvoor is het ten opzichte van de Molukse bevolkingsgroep noodzakelijk fouten uit het verleden te erkennen.

In 1986 werd daartoe een poging gedaan met de uitreiking van de Rietkerkpenning met het opschrift 'Dank voor uw inzet'. De meeste ervan werden nooit opgehaald. De oud-KNIL-soldaten zaten niet op een herdenkingspenning te wachten. Hun inzet in de oorlog en tijdens de Bersiap (de gewelddadige periode na de Japanse capitulatie, red.) hoorde bij hun werk als militair, bij de eed van trouw. Terwijl zij zich aan hun belofte hadden gehouden, liet Nederland hen en hun land van herkomst in de steek.

Wij vragen de minister-president excuses aan te bieden aan de Molukse ex-KNIL-soldaten, hun vrouwen en kinderen die vanaf 1951 onvrijwillig in deze samenleving hun weg moesten vinden.





© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl