In en om Assen




Suiker in de tank, de saboteurs van Assen



Harm Brinksma simuleert een verhanging in de Tweede Kamer (collectie Klaas Koops)


Een teken des tijds

In elke stad gebeuren opvallende zaken die achteraf als teken des tijds zijn te duiden. Zo vond er in Assen op 12 oktober 1970 een sabotage plaats in de Johan Willem Friso kazerne, die landelijk de aandacht trok. De actie werd in Drenthe één van de bekendste uitingen van wat de bruisende protestbeweging in de jaren zestig in jongelui had losgemaakt. De schrijver van dit artikel was op dat moment dienstplichtig militair en raakte bij het voorval betrokken. Daarover schreef hij een boek, dat in mei 2002 in een Drentse vertaling verscheen. Hieronder volgt een samenvatting van het boek 'suker in de tank'


Hak 't in de pan

Op 12 oktober opende de Drentse en Asser Courant met ‘Saboteurs hebben vanmorgen om half zes toegeslagen op het terrein van de Johan Willem Frisokazerne in Assen. Ze hebben suiker en zand in de tanks van 21 legervoertuigen gegooid’. De sabotage was tegen elf uur ontdekt. Achter de sabotage bleek een toen nog anonieme actiegroep te zitten met de naam “Army en Navy”. Bij de actie was in een wachthuisje een spandoek met de tekst: “Hak’t in de pan” achtergelaten.

Ook lieten de daders een briefje achter met de volgende tekst:

"Heil Heer Kommandant, vrede met U.
Wij zijn tegen het leger. Wij zijn tegen sabotage, maar wanneer iemand denkt daarmee een positieve daad te verrichten staan wij dat toe en kunnen dat zelfs voorstaan en uitoefenen.

Onze sabotagedaad dient een positief doel, namelijk: druk uitoefenen op het leger, in de hoop het leger duidelijk te maken dat het zich opheffen moet omdat wij niet gesteld zijn op het leger, de maatschappij onder druk te zetten met de bedoeling, dat de koning gauw een wet uitvaardigt, die het leger moet helpen aan zijn irreëel, ridicuul en noodlottig bestaan een einde maken.
Wij hopen door onze daad de publieke opinie te mobiliseren, de openbare mentaliteit wakker te schokken, te prikkelen"

De koning die in de brief werd genoemd was de toen tweejarige kroonprins Willem-Alexander. ‘Die zin geeft aan dat we over realiteitszin beschikten, want we hadden toen ook wel in de gaten dat het nog wel even zou duren voor het leger zou zijn afgeschaft’, zo verklaart hoofddader Harm Brinksma ruim dertig jaar later. De saboteurs waren over de afrastering op het kazerneterrein aan de Witterstraat geklommen. Daar ontbrak op een hoek het bovenste prikkeldraad.


Ter beveiliging werd er drie kilometer prikkeldraad gelegd

Op de Asser kazerne werd direct na de ontdekking een rijverbod afgekondigd. Tevens werd de wacht uitgebreid en versterkt en verloven werden ingetrokken. Ter beveiliging werd drie kilometer prikkeldraad om de kazerne gelegd. De dag daarop liet divisiecommandant Kranenburg weten, dat de gevolgen van de sabotage bij het verplaatsen van de voertuigen catastrofaal hadden kunnen zijn. In werkelijkheid bleken de schade en de kosten van de sabotage nogal mee te vallen. De daders hadden bij hun daad alle nummers van de gesaboteerde voertuigen genoteerd. Ze zaten bij een brief, die ze naar de Drentse en Asser Courant hadden gestuurd. Op die manier wilden ze bereiken dat niet kon worden ontkend wat er was voorgevallen


Vijanden van de staat

Die dinsdag kwam het kabinet in spoedzitting bijeen. Reden zou de sabotage in Assen zijn geweest, maar volgens ingewijden sprak men slechts kort over de actie. De volgende dag evenwel trok PVDA-fractievoorzetter Joop den Uyl bij de Algemene Beschouwingen fel van leer over de kwestie. Hij vroeg zich af of het een politiek gerichte sabotage was geweest of een daad van onvrede over de dienst of over een komende oefening. “Kan er provocatie in het spel zijn?“. Samen met collega Hans van Mierlo van D’66 wilde hij dat de sabotagekwestie tot de bodem zou worden uitgezocht en noemde de daad ‘even onzinnig als verwerpelijk’.

Ook andere partijen drongen aan op een voortvarende aanpak. De groep Harmsen sprak zelfs over ‘vijanden van de staat'. Premier de Jong en defensieminister Udink lieten echter weten dat sabotagedaden in het leger toenamen, maar dat zij daarin niet al te veel kwaad zagen.Den Uyl reageerde hierop met: “aan een losjes wegwuivende minister-president hebben we nu geen enkele behoefte!”. Hij hekelde het zigzagbeleid van het kabinet en wilde een nota zien over sabotagedaden in het leger. Kort ervoor had KVP-minister Klompé de VPRO een berisping gegeven voor een geruchtmakende radioreportage over sabotagedaden in het leger. Deze uitzending van 25 september 1970 vormde mede de context van het debat.


Henk praatte zijn mond voorbij

Koffiebar De Ring aan de Markt in Assen speelde bij de sabotage een belangrijke rol. De Ring was in die tijd het centrum voor alternatieve jongeren, jongeren waarvan een deel softdrugs gebruikte. De tweede dader, Henk Veenstra, werkte er en ook de bij de sabotage gebruikte suiker was afkomstig uit De Ring. De aanleiding tot de sabotage vormde een droom van Henk, waarin hij samen met zijn vriend een sabotage had gepleegd. Drie dagen voor de actie besprak hij deze droom met Harm. Omdat Harm was afgekeurd en daardoor niet meer kon dienstweigeren wilde hij Henk helpen die droom uit te voeren. Tegen de afspraken in praatte Henk in de Ring zijn mond voorbij, zodat ook eigenaar Jan Bartlema van hun daad op de hoogte kwam. Ook Bartlema sprak echter zijn mond voorbij en daardoor kwam de buitenwereld op de hoogte van de daders.

De schrijver van dit artikel was op dat moment dienstplichtig militair. Toen hij het verhaal hoorde, besloot hij daarvan aangifte te doen bij de marechaussee. De bal kwam pas echt aan het rollen, doordat hij op weg naar de kazerne aan zijn medepassagiers in de trein vertelde wat hij had meegemaakt. Hij wist namelijk niet dat onder zijn publiek iemand zat met contacten bij de Drense en Asser Courant. Toen Harm Brinksma daar lucht van kreeg, stelde hij zich in verbinding met redacteur Sjoerd Punter. Hij meldde zich met: “ik ben de saboteur. Ik wil mij aangeven”. Punter belde daarna met de marechaussee. En zo waren er twee aangiften.

Na dat langdurige nachtelijke gesprek met redacteuren Punter en (Henk) Markx meldde Harm zich bij de marechaussee. Hij veinsde de sabotage in zijn eentje te hebben gepleegd, maar het zat hem niet mee. De marechaussee had namelijk twee stel voetafdrukken gevonden. Henk Veenstra werd de dag daarop in alle vroegte van zijn bed gelicht.


Vernietiging van onze gezagsstructuren

De Drentse en Asser Courant sprak van ‘een trieste zaak’. Harm werd neergezet als een labiele jongeman (hij werd ook verdacht van drugsgebruik en van diefstal van een broodzaag en een langspeelplaat). Gelukkig had hun gedrag geen ernstige gevolgen gehad.
De beide jongens waren volgens de krant het slachtoffer geworden van ‘krachten die in onze samenleving aan het werk zijn en die gericht zijn op de vernietiging van onze gezagsstructuren. Voorvechters van een zaak die ze onmogelijk kunnen overzien’. Redacteur Markx vond de sabotage echter maar een niemendalletje, dat zijns inziens veel te veel aandacht kreeg. Dat werd door sommigen heel anders gezien.

Henk Veenstra ontving zelfs dreigbrieven, waarin de daders werden uitgemaakt voor ‘Gore verraders, evenals de NSB ons in 1940 wilde verkopen, zo staan jullie klaar en hebben ons al verraden aan de Russen’. Vijf dagen na de actie schreef Harm een opmerkelijke brief aan de VPRO, de legerleiding, staatssecretaris Haex en een aantal kamerleden. Hij bood daarin zijn excuses aan.
Aan ‘de al of niet dienstplichtige chauffeurs van de door mij onklaar gemaakte legervoertuigen en aan de Johan Willem Frisokazerne voor de verloren tijd, de schrik en de opschudding’. Hij ontkende daarbij dat er een verband was met de uitzending van de VPRO.
Maar wat had de jongens werkelijk bewogen?


Het sabotagepeloton van de Kabouterpartijen

‘We hadden zeker niet de intentie om de grootste sabotagedaad in de geschiedenis van de Nederlandse krijgsmacht te plegen’.
Maar hun daad ‘was wel degelijk een protest tegen het leger in zijn huidige vorm’, zo verklaarde Henk na afloop. Veenstra vond dat de handhaving van het leger niet in verhouding stond tot het offer dat het van andersdenkenden vroeg. Hij wou op grond daarvan onder de diensplicht uit, maar wist dat daarvoor in de procedure voor gewetensbezwaren geen ruimte was. Dus had hij naar een ander middel gegrepen.

De geruchtmakende VPRO-uitzending had daarop geen invloed gehad. ‘Ik heb de uitzending helemaal niet gehoord.’ Ook vond hij het erg dat hij de positie van de VPRO in diskrediet had gebracht. Harm Brinksma had op het moment dat hij de sabotage pleegde al een lange loopbaan als activist achter de rug. Hij had onder meer activiteiten in het sabotagepeloton van de Kabouterpartijen uitgevoerd. Hoe idealistisch we toen waren kan blijken uit het verhaal over de bietsuiker’, verklaart hij dertig jaar later. ‘Rietsuiker was toen goed en geraffineerde suiker niet. We hadden in 1970 zelfs al een pril milieubewustzijn’


In een opmerkelijke creatie verscheen Harm Brinksma bij de Asser rechtbank (collectie Klaas Koops)


Barbertje moet hangen

Bij de strafvervolging werd Harm geadviseerd door een aantal Provo-vrienden uit Amsterdam. Ze zeiden tegen hem dat hij bij de uitspraak beter verstek kon laten gaan. Als protest besloot Harm op de dag van de zitting – 12 februari 1971 – tot een opmerkelijke daad. Tijdens een debat over het Koninklijk Huis ‘verhing’ hij zich aan een touw in de Tweede kamer. Daarmee joeg hij de leden van de Kamer de stuipen op het lijf. Daarbij schreeuwde hij luid: “Niet de manschappen, maar de kolonels en de generaals zijn de saboteurs’. En strooide pamfletten in het rond.

Het ging om een brief aan de Minister van Algemene Zaken, ondertekend met ‘Barbertje moet hangen’. Voorzitter Freule Wittewaal van Stoetwegen schorste daarop onmiddellijk de vergadering. De Kamerleden waren erg onder de indruk van de gebeurtenis. Ze noemden het voorval het meest ernstige incident dat zich ooit in de Kamer had voorgedaan. Veertien dagen na zijn actie in de Tweede Kamer was de uitspraak. Harm verscheen in een opmerkelijke creatie voor de Asser rechtbank.


Tegen Harm was acht weken cel geëist

Kort na de sabotage had De Volkskrant geschreven dat op het misdrijf in het ergste geval drie jaar en vier maanden zou staan. De beide daders werd erfvredebreuk en poging tot opzettelijk en wederrechtelijk onbruikbaar maken van goederen van een ander ten laste gelegd. Eerder was er onvoorwaardelijk acht weken cel tegen Harm geëist en vier weken tegen Henk. Beide met een proeftijd van drie jaar. Ze kwamen echter op vrije voeten en kregen een voorwaardelijke straf. Hun raadsman, mr. Van Wijk, achtte bewezen dat hoge militairen gemakkelijk in paniek raken. Volgens hem werd er van alles bijgehaald.

“Elke dronken militair die een band doorsnijdt is tegenwoordig al een saboteur”. Hij onderstreepte dat met de daad geen enkel mensenleven in gevaar was gebracht. ‘Dat doet het leger wel, maar suiker niet’. ‘Als ze een flinke gevangenisstraf voor deze relatief ondeugdelijke poging zouden krijgen, zouden ze tot martelaar worden. En dat is wat ik hen in hun eigen belang niet gun’, aldus officier mr. Schenkenburg van Mierop. Hij nam de sabotage niet zo ernstig, kon er wel om lachen. “Een echte saboteur zou zich voor het optreden van deze beunhazen schamen’.


Na afloop

Harm Brinksma besloot, ondanks het feit dat hij was afgekeurd voor diens, dat hij vrijwillig vervangende diensplicht wilde doen. Na de sabotage meldde hij zich als ziekenbroeder bij Mariëncamp in Rolde. Henk Veenstra had op 17 november 1970 in militaire dienst gemoeten, maar kreeg uitstel. Na de uitspraak in 1971 zei hij dat hij zich de twijfels van de legerleiding over zijn indiensttreding wel kon voorstellen. ‘Ze krijgen of een saboteur in dienst of ze belonen sabotage’, zo stelde hij. Hij dacht door de affaire gemakkelijker dienst te kunnen weigeren. Het viel hem dan ook erg tegen dat hij alsnog een oproep kreeg. De marechaussee spoorde hem in Denemarken op en bracht hem naar Nieuwersluis. Omdat hij niet uit eigen beweging was komen opdagen stond hij als deserteur te boek.


Bronvermelding:

Asser Historisch Tijdschrift; juni 2002. Een artikel van Klaas Koops


Henk Veenstra (21 jaar)voor de ingang van het gerechtsgebouw in de Brinkstraat (collectie Klaas Koops)


In memoriam: Henk Veenstra

'Hendrik Veenstra. Plotsklaps weg.' Ik las het nog ies. 'Hendrik Veenstra. Plotsklaps weg.' Mien oog was vallen op een rouwadvertentie in de kraant van 8 september. Het was niet waor! Het gung um Henk. Ik kun het niet geleuven. En maor twee maond jonger as mij. Hij was van 12 december 1949. Henk was deur 'een ongeluk in Appelscha' um 't leven kommen. Was e dan in Nederlaand? En wat dee e hier? Vortdaolijk dacht ik an Harm. Zul e dit verlies in zien umstandigheden verwarken kunnen? Zien dood gaf me een vrömd gevuul. Argens vuulde ik een leegte, maor kun het niet duden. Hij was wied vort, en toch zo kortbij. We hadden mekaor in 35 jaor niet zien, maor zien brief lag veur me op taofel.

Ik kun niet geleuven, dat dit verhaol over een dienstplichtige, een ofgekeurde en een dienstweigeraor zo oflopen zul. Nao het ongeluk sprak ik Harm over het hengaon van Henk. Hij en Henk hadden een ofspraok maokt um in de contreinen van Appelschao te gaon fietsen. Harm gung met de bus, en Henk nam de beide fietsen met. Henk haar langs de weg staon wachten. Maor hij was deur de fietsen kommen te vallen, en overreden deur een trekker. Harm haar in de bus zien dat er een ongeluk gebeurd was. Naodat e informeerd haar wat er gangs was, was e derop angaon. Toen e bij hum kwam was Henk net hengaon. 'Ik heb opgeschreven hoe hij was', zee Harm. Hij drummelde wat in de rondte. Keek me an en staomelde: 'k Weet niet of ik het zal doen.' En zweeg.

Met Harm gung het staodigan de goeie kaant op. Hij begun weer te tieken. Gung op fietse de netuur in. Toew weer iens contact hadden haar e een tieken van een holtwal in de contreinen van mien huus bij hum. We kwamen uut het theehuus in de Asserbos. Zien dochters waren met een ezeltien en een zwien in de weer. Het is 22 december 1999. Saomen hadden we zien eerste tentoonstelling bezocht. Bescheiden maor toch. Under de kowie was der bijpraot. Op de achtergrond speulde de radio. De hiele week stun in het tieken van 'Top 2000.' Plompverleuren zee e: 'My generation van de Who vind ik nog steeds een van de beste platen van de eeuw.' Ik kun me der goed in vinden.

Even laoter kuierden we weerum hen de auto. Het regende zachies. Underwegens verhaolde Harm over zien aolde band. De Brinkels Boogie Band. Hij was zanger en mondörgelspeuler. Regelmaotig haar e optredens met bekende artiesten as Kaz Lux en Eelco Gelling. 11 Maor hij was doende met een neie band. Ontstaon uut de saomenwarking met drie mezikaole kameraoden. Hoe heet die band, Harm? 'Blues Encore.'


Bronvermelding:

'Suker in de tank, een reconstructie'; Klaas Koops, Schipborg. Stichting Het Drentse Boek, Zuidwolde, 2002. ISBN 90 6509 152 1


Harm Brinksma


Harm Brinksma, Assen 1950

Volgde na de HBS-B vanaf 1969 een opleiding aan Academie Minerva te Groningen. In 1965 schafte hij een mondharmonica aan. Met een klasgenoot op gitaar trad hij voor het eerst op in 1968. In 1971 probeerde hij met Robert Imker (Tokkel) vergeefs een band op te richten. In 1975 volgde een tweede poging met Imker een band op te richten met Klaas Stuhlen (bas), Jan Groenink (drums) en Henk Bemboom (piano). Daarna volgde een reeks groepen waaraan Brinksma zijn bijdrage leverde. In 1985 ontstond de Brinkles Boogie Band. In de volgende jaren veranderde de groep regelmatig van samenstelling.

De band toerde in Polen en speelde vijf maal tijdens TT-nachten in Assen. Toen deze groep in 1995 stopte, ging Brinksma in 1996 verder als Little Harm. In 1998 trad hij toe tot de groep Le Blues Encore en in 1999 startte hij daarnaast weer een eigen band. In 2000 volgde deelname in de Harry G. Band. In de tussenliggende jaren was hij actief in Popas en als voorzitter van de werkgroep Popmuziek van Het Drents Genootschap. Ook was hij presentator bij Kunstbende 1991 en 1992, 5 mei Bevrijdingspop Assen 1995 en Take Root Festival 1998.






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl