In en om Assen





Bob den Uyl proeft de sfeer van de TT


Bronvermelding:
Een verhaal uit de boeiende bundel 'Als een God in Drenthe'. Samenstelling Loek Polders, 2004 A.W. Bruna Uitgevers B.V. ISBN 90 229 8881 3
Auteur Bob den Uyl


"...Op de afgezette grasstrook bivakkeren duizenden mensen die er bij zitten of ze daar al jaren wonen..." (collectie Spaarnestad Fotoarchief)


Het centrum van Assen is een plaats waar je heel voorzichtig moet lopen


Nu was ik dus sportverslaggever. De hoofdredacteur van een dagblad was op het idee gekomen dat het aardig zou zijn als ik voor zijn krant sportverslagen zou gaan schrijven. Ik zou dat wel kunnen, meende hij. Omdat hij me tegelijkertijd 500 gulden plus onkosten voor een verslag bood, zag ik ervan af hem tegen te spreken. Mijn eerste missie was het verslaan der TT-races in Assen, waarbij ik ook de sfeer aldaar moest proeven. In de trein controleerde ik enige malen of ik wel pen en blocnote bij me had gestoken, want er zouden aantekeningen gemaakt moeten worden, dat was me wel duidelijk. Al vele malen heb ik verslaggevers aantekeningen zien neerkrabbelen in blocnotes; ze schreven dan neer wat ze zagen en dachten.

Dit zou ik natuurlijk ook moeten doen. Het centrum van Assen is een plaats waar je heel voorzichtig moet lopen: één verkeerde stap en je bent er weer uit, en zelfs als je erin bent knaagt voortdurend de twijfel of dat nu echt wel zo is. Daarbij is het stratenplan zo simpel dat je er steeds in verdwaalt; de geest, gewend aan listen en lagen, wil er gewoon niet aan. In het TT-kantoor haal ik een programma op, daarna krijg ik op het vw-kantoor de enige kamer toegewezen die nog vrij is in Assen, een speciale tegemoetkoming omdat ik niet in bezit ben van een vervoermiddel en daarom een uitzondering vorm op het motorenvolk, dat naar plaatsen op twintig en dertig kilometer afstand wordt gezonden. Er is zelfs een padvinder beschikbaar om mij naar het wat afgelegen adres te begeleiden.

Onder vrolijk gekout brengt deze wakkere knaap mij naar de buitenwijk, zijn enthousiasme vermindert zelfs niet als ik onderweg een slijterij binnenga om een halfje jonge klare te kopen, een drank die ik denk nodig te hebben bij het vervullen van mijn opdracht. Als beloning voor zijn diensten geef ik hem een gulden en zeg daarbij vermanend: 'Voor de clubkas', want ik vind het niet nodig dat die jonge knapen met zoveel geld op zak lopen. Hij beantwoordt mijn opmerking met een listige grijns en ik begrijp: deze gulden zal de clubkas nooit bereiken. De padvinders zijn ook al niet meer wat ze geweest zijn. Deze aanhoudende afkalving der fundamentele waarden van onze samenleving deed me vroeger vaak verontwaardigd opspringen, maar tegenwoordig draag ik het met berusting.

Zelf houd ik het vaandel der ethiek hoog, ik scharrel en schipper niet, maar wat de rest doet, daar zal ik mij niet druk meer om maken. De stand van zaken houd ik natuurlijk wel bij. Zo heb ik op het station van Zwolle, waar moest worden overgestapt, de zogenaamde krokettenproef weer eens genomen. Het was weer helemaal raak; voor drie kwartjes - inderdaad, drie kwartjes - trok ik uit een automaat een kroket en nam voorzichtig een hap. En ja hoor, weer ouderwets. Een dik, vet, kartonachtig, taai omhulsel dat gevuld was met een ziekelijke, sterk naar maggi smakende brij. Tevreden spuugde ik de hap uit en gooide de rest in de afva-mand. Wantoestanden zijn toestanden die voort moeten duren, anders zouden het geen wantoestanden wezen.

Om me helemaal op mijn gemak te voelen gooide ik op het toilet van hetzelfde station een kwartje in de automaat voor zeep en handdoekje, en ik moest vaststellen dat het muntstuk weliswaar soepel naar binnen gleed, maar dat er verder niets gebeurde: hoe ik ook rukte en duwde, er kwam geen zeep en handdoek te voorschijn. En toch de ondernemers, van klein tot groot, maar klagen dat het economische klimaat in Nederland zo verslechtert, terwijl ze in wezen toch verkeren in een paradijs, bewoond door goedaardige sullen die ze straffeloos van kartonafval vervaardigde kroketten, of zelfs helemaal niets, kunnen leveren om in korte tijd schatrijk te worden.

Nadat ik me in mijn kamer (de slaapkamer van het zoontje die waarschijnlijk naar de schuur heeft moeten uitwijken) heb geïnstalleerd, en ontbrekende zaken zoals een glas en een asbak bij het gastvrijheid verlenende echtpaar heb losgewurmd - stug en toch hartelijk, of andersom, die mensen uit het noorden, ik begrijp niet hoe ze het klaarspelen - en de handen aan de wastafel heb bevrijd van reisvuil, giet ik het waterglas vol jenever en zet me aan het lezen van het programma, de pen in de aanslag om direct als dat nodig mocht blijken een aantekening te maken. Al bij het voorwoord van de burgemeester stuit ik op een mogelijke aanwijzing dat het morele verval ook in de kringen der hoogste notabelen is doorgedrongen.

Hij schrijft namelijk dat de verkeersmoeilijkheden dit jaar nog weer groter zijn dan de voorgaande jaren, omdat er een groot aantal nieuwe wegen in en om Assen gereed is gekomen. Een uitspraak om eens rustig voor te gaan zitten. Wel blijkt bij het doorlezen dat hier gedoeld wordt op het verloren gaan van een aantal parkeerplaatsen dat werd opgeofferd aan de wegenbouw, maar al met al blijft het toch een doordenkertje. Wat moet je doen, wegen bouwen of parkeerplaatsen? Het een kan niet zonder het ander; het juiste evenwicht tussen deze twee zaken zal gevonden moeten worden, maar of de burgemeester van Assen hiervoor de aangewezen man is komt uit het stukje niet naar voren.


"...De 'Nacht van Assen' heeft de naam een wilde boel te zijn, maar niets is minder waar; het is precies wat ik me er altijd van heb voorgesteld: een melige bedoening..." (collectie Spaarnestad Fotoarchief)


Niemand zal voortaan in mijn nabijheid het woord motorfiets mogen gebruiken.


Nu zal ik toch de stad in moeten. Ik ben niet naar Assen gekomen om op een jongenskamertje jenever te zitten drinken. Maar hoe leger de fles wordt, hoe gemakkelijker ik om dit feit heen kan. Heel vrolijk maak ik me nu om mijn opdracht, die ik eerst toch zo ernstig had opgenomen. Glimlachend berg ik pen en papier zover mogelijk weg. Dan schiet mij ineens te binnen dat ik alle kosten kan declareren, en omdat ik eigenlijk best trek heb in een flinke maaltijd, stommel ik de trap af en vraag de man of hij een taxi voor me wil bellen. Ze kijken even vreemd op van mijn zichtbaar toegenomen stemming, maar even zo goed wordt er een taxi gebeld. Ze kijken me staande voor het raam na als ik joviaal wuivend in de wagen verdwijn. Hun waardering voor sportverslaggevers heeft een flinke deuk gekregen, hun houding laat daarover geen twijfel bestaan.

De 'Nacht van Assen' heeft de naam een wilde boel te zijn, maar niets is minder waar; het is precies wat ik me er altijd van heb voorgesteld: een melige bedoening. Niets bijzonders gebeurt er. De straten zijn op beschaafde wijze versierd met lampjes en guirlandes, het horecabestand is uitgebreid met een aantal eet- en drinktentjes, overal hangen luidsprekers die de feestgangers op de hoogte houden van de aanvangstijden der verschillende attracties, waaronder zich Anton Geesink blijkt te bevinden, terwijl ook de muziek getuigenis aflegt van een goede smaak; The entertainer is daarbij een van de wildste nummers. De motorliefhebbers uit vele landen, die in hun opvallende kledij op lederen basis door het centrum van Assen kruisen, zijn kalme, vriendelijke mensen, die ongetwijfeld klaar zullen staan om elkaar een moersleutel te lenen.

Ik ga eten in wat me de duurste zaak toelijkt, en bezoek daarna een aantal gelegenheden. Hier en daar probeer ik in contact te komen met de gasten en de bevolking, om uit hun mond een paar treffende uitspraken te noteren die het goed zullen doen in mijn artikel, maar al gauw blijkt dat het mij moeilijk valt de juiste sfeer te kweken. Wil ik verslaggever blijven, zo houd ik mij voor, dan zal ik er toch voor moeten zorgen een aantal vlotte praatjes bij de hand te hebben om het ijs te breken. Maar alle begin is moeilijk, troost ik me zelf, en laat het glas nog eens vullen. Als ik dit opdrink, proef ik onmiddellijk dat de waterkraan niet vreemd is geweest aan deze drank; wat dat betreft heb ik weinig te leren. In plaats van mijn bevinding voor me te houden, geef ik op luide toon uiting aan mijn ongenoegen en mijn weerzin in het algemeen om belazerd te worden.

Door bepaalde handelingen en uitspraken wordt mij nu verder vertoeven onmogelijk gemaakt; op straat krijg ik nog wat ongenoegen met wat piepjonge agentjes, die nu in groten getale door de straten zwermen, en loop daarna vol walging naar huis. Met de mij verstrekte sleutel open ik de deur en ik vind in het donker instinctief mijn bed. De volgende ochtend bonst de eigenaar van het huis om half acht net zo lang op mijn deur tot ik wakker ben, hoewel ik hem uitdrukkelijk had gezegd dat ik wel 'uit me zelf' zou opstaan. Iedereen stond daar om half acht op, dus ik ook, en verder geen malle fratsen. En als je eenmaal wakker bent valt het moeilijk de ware slaap weer te vatten, dus dommel ik tot negen uur zo'n beetje door en zit om half tien aan mijn ontbijt, in de huiskamer, man en vrouw toekijkend.

De reclame-vliegtuigen snorren al door de lucht, de radio geeft het laatste nieuws over het aantal toeschouwers, en in de verte is motorgeronk te horen. Ook blijken al drie renners met diverse verwondingen in het ziekenhuis te liggen. Ik ben nog niet mijn oude, opgewekte zelf, reken af en verdwijn zo gauw mogelijk in een taxi naar het circuit. Bij een parkeerterrein daar ga ik eerst eens een uurtje in het gras liggen. Als ik ten slotte het circuit betreed is de eerste race, die der lichte motoren, al aan de gang. De weg naar de perstribune, waar mij een besproken plaatsje wacht, is lang en warm maar bijzonder belangwekkend. Een bont, surrealistisch schouwspel strekt zich voor mijn ogen uit.


"...Een bont, surrealistisch schouwspel strekt zich voor mijn ogen uit..." (collectie Drents-Groninger Pers)


De weg naar de tribune bestaat uit een afgezette grasstrook van zo'n twintig meter breedte; hier zijn geen op taluds gebouwde tribunes die de rest van het circuit omzomen. Op deze strook bivakkeren duizenden mensen die er bijzitten of ze daar al jaren wonen. Kinderen spelen en huilen, mensen slapen hun roes uit of zitten een nieuwe te kweken, thermosflessen en picknickmanden worden druk gehanteerd, vele kratten pils staan binnen handbereik, foto's worden genomen, stoei- en vrijpartijen vinden plaats, vele conversaties worden op luide toon gevoerd. Er tussendoor zoeken weer andere duizenden mensen zich een weg, terwijl regelmatig op de baan motoren voorbijgieren met een geluid dat via je mond in je darmen schijnt terecht te komen.

Merkwaardig is dat een groot deel van de massa niet geïnteresseerd lijkt in de race; soms wordt er eens achteloos gekeken, maar het hoofddoel schijnt toch voor de meesten louter te bestaan uit het verblijf zelf. Af en toe wordt het me te veel en moet ik op een schaduwrijk plekje enige ademhalingsoefeningen verrichten. Nog een paar van zulke uitstapjes en ik ben een geestelijk wrak. Een carrière als sportverslaggever zit er voor mij niet in, stel ik verheugd vast. Op de perstribune is mijn plaats gelegen in het midden der eerste rij, mooier kon het niet; lekker in het zonnetje heb ik een pracht uitzicht op 140.000 Europeanen die dicht opeengepakt naar de wedstrijden kijken. Als die motoren niet zoveel lawaai maakten en ik me niet steeds had afgevraagd wat ik op mijn blocnote zou moeten noteren, had ik daar werkelijk voor mijn plezier gezeten.

Omringd als ik ben door vaklieden die voortdurend aantekeningen maken en onder elkaar deskundig commentaar leveren, voel ik mij verplicht ook een soort professionele houding aan te nemen. Ik leg mijn programma opengeslagen voor me neer en bestudeer dit af en toe; ook kijk ik soms scherp naar uiterst links of rechts, alsof daar iets van belang te zien is dat alle anderen gemist hebben. Toch val ik door de mand bij de start van de zwaardere motoren. Als die dertig grote kanonnen alle tegelijk brullend en loeiend vertrekken en daarbij een geluidsschok veroorzaken die als een muur op me afkomt, sla ik spontaan de handen aan de oren. Vele geringschattende blikken moet ik incasseren, maar mijn trommelvliezen zijn tenminste nog heel.

Verdere troost vind ik als de Italiaanse verslaggever naast me een bekertje chocolademelk over zijn smetteloos witte trui morst. Italianen kunnen daar erg slecht tegen, en mijn brede grijns doet de man geen goed. Het verbaasde me niet dat Italië nog geen week later de import van Nederlands vlees stopzette. Als ik een uurtje zit en wat aan het geronk gewend ben, doe ik de ontdekking dat het ontbreken van motorgebrul een onprettige leegte doet ontstaan, een soort suizende afgrond die weer wordt gevuld als een motor voorbijkomt. Het lijkt me niet onmogelijk dat hier een sleutel ligt tot de aantrekkingskracht van de sport; bij verdere gewenning zou er best wel eens een lichamelijke behoefte aan oorverdovend geluid kunnen ontstaan.

Verblijd noteer ik deze ontdekking op mijn blocnote. Zo, daar staat tenminste wat op. Verheugend is ook de simpelheid van zo'n wedstrijd. Allemaal tegelijk vertrekken en wie dan na een van tevoren afgesproken aantal ronden als eerste over de streep komt is winnaar. Veel Italianen schijnen zich daarbij te bevinden, want steeds weer klinkt hun volkslied. Een fraaie compositie maar wel erg lang. Ook moet ik nog een onrechtvaardigheid constateren: de rijder die bij de training de snelste rondetijd heeft gemaakt mag zich bij de start vooraan opstellen. Dat klopt natuurlijk niet. De snelste moet juist een handicap krijgen door in de achterste rij te worden geplaatst.

De hier gevolgde procedure lijkt een beetje op een systeem waarin de rijke een beetje minder belasting hoeft te betalen dan de arme. Dan ben ik het ineens geweldig zat. Als een bezetene maak ik dat ik wegkom, het circuit af, de bus in naar het station. Niemand zal voortaan in mijn nabijheid het woord motorfiets mogen gebruiken.






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl