In en om Assen




Frekie uit het Asser Blauwe Dorp


Voor dat Assen was aangesloten op het watercloset kwam de gemeentelijke reinigingsdienst met paard en wagen langs om de tonnetjes te legen. Het was zwaar en onaangenaam werk. De '4711' was al van grote afstand te ruiken (collectie Gemeente Archief)


Er zijn weinig plekken bewaard gebleven

Oud – Assenaren zeggen nog vaak ‘over het spoor’, daarmee doelend op het Rode, het Blauwe en het Witte Dorp, de drie dorpen die vanaf 1916 ten oosten van de spoorlijn verrezen. Voor wie er niet is geboren of opgegroeid heeft ‘over het spoor’ een zekere bijklank. Zo niet voor Wander Bebingh die in 1928 aan de Tuinstraat, aan de rand van het Blauwe Dorp, ter wereld kwam.

Samen met zeven zussen en twee broers groeide hij er op, ging er naar school, haalde er kattenkwaad uit en werd er volwassen. Zijn Blauwe Dorp, waar je elkaar kende en de saamhorigheid groot was. Al in zijn jeugd leerde Wander wat armoede was, want net als in veel gezinnen aan de Tuinstraat had de familie Bergbingh het niet breed. Allerlei werk werd aangepakt om maar rond te komen. Zo lukte het steeds de eindjes aan elkaar te knopen.

Frekie uit het Asser Blauwe Dorp is het verhaal van een jongen die, ondanks een armoedige jeugd, met succes de maatschappelijke ladder beklimt. Voor Wander Bergingh zijn er in Assen – Oost nog maar weinig plekken uit zijn jeugd op te zoeken. Steeds vaker is er alleen de herinnering. Dankzij de belevenissen van Frekie blijven ze bewaard.


In de Tuinstraat en omgeving woonden de armere mensen

Frekie werd op 14 juni 1928 in Assen aan de Tuinstraat geboren. De Tuinstraat, vroeger de Melkweg, behoorde tot het deel van Assen waar armere mensen woonden. Frekie’s vader was de zoon van een kleine boer uit Zeijen, een dorp ten noordwesten van Assen in de gemeente Vries. Als losarbeider deed hij allerhande werkzaamheden. Vader Zandstra wist wel van aanpakken, zoals het lossen van schepen. Ook werkte hij een paar jaar bij de inkoopvereniging ‘Ons Belang’.

Met paard en ‘pongelwagen’ bezorgde hij veevoer en kunstmest bij de boeren. Het was zwaar werk. Hij was ook een vakkundig klompenmaker. De werkloosheid, die in die jaren heerste, ging ook aan de bewoners van de Tuinstraat en omgeving niet voorbij. Werkloze mannen, die zich gedwongen voor de werkverschaffing melden, moesten bijvoorbeeld met de schop een heideveld ontginnen. Het was zwaar werk dat slecht werd beloond. Als ze goed hun best deden verdienden ze per week tien tot twaalf gulden.


Langs het pad liep een open afvoer

Het geboortehuis van Frekie was niet groter dan een woonkamer met een kinderbedstee en één voor de ouders, een voorportaal (gedeeltelijk met de buren) en een achterhuis. Dat was een schuur met een stenen vloer. Hier was een trap naar de zolder, die met een luik was afgesloten. Van het achterhuis was een pad naar een halfsteens schuurtje, waarin de wc (een tonnetje) was.
Langs dat pad liep een open afvoer voor het afvalwater.

Die eindigde in een rioolput die maandelijks door gemeenteambtenaar Jan Kooi werd leeg geschept. Hij reed de inhoud met een kruiwagen naar het land van Tebberman, tegenover de rode woningen verderop aan de Tuinstraat. Om de drie huizen was er buiten tussen de schuurtjes een gezamenlijke pomp. De pomp was in de winter vaak bevroren. Dan moesten de bewoners zich maar zien te redden en de pomp ontdooien. Als de winter lang duurde en er een dikke laag ijs op het aflopende straatje lag, had dat veel valpartijen tot gevolg.


De tonnetjes werden door de Bruine Rijders geleegd

Het tonnetje in de schuur werd wekelijks door de Bruine Rijders – mannen van de gemeentereiniging – geleegd. Bij een klein deurtje aan de buitenmuur werd het tonnetje door twee mannen naar buiten getrokken. De inhoud kwam in een grotere ton en die droegen ze naar een paard en wagen – de 4711 – die voor het huis stond te wachten. In die tijd was 4711 een bekend merk eau de cologne. De ton werd geleegd en men ging naar het volgende adres.

Omdat de meeste bewoners ook een groententuin hadden en een mesthoop voor de tuin heel gebruikelijk was, werd de inhoud van de ton vaak als tuinmest gebruikt. Zoals buurman Colly, die met een krijtje op de deur van zijn ‘huussie’ schreef: “Hedenmorgen geen stront!”. Dan werd hij overgeslagen.


Gasmunt van de gemeente Assen en een halve stuiver. Wanneer er geen geld voor gasmunten was, vijlde Frekie voor zijn moeder een inkeping in het muntstuk en was er toch gas. De tweeënhalve cent werd later met de meteropnemer verrekend


Hartlief kocht de eikels op

In 1934 ging Frekie voor het eerst naar de lagere school. Met het verkleuren van de bladeren aan het eind van de zomer deed de herfst zijn intrede. Het was het jaargetijde waar Frekie, ondanks zijn jeugdige leeftijd, volop van kon genieten.
En deze herfst bracht zelfs een financieel voordeeltje mee, want dit jaar droegen de bomen erg veel eikels. Die waren wat waard, want er waren handelaren die ze opkochten. Zo’n handelaar was Hartlief. Hij woonde in een wit huisje aan de rand van het Pelinckbos (nu Amelterbos). Dat betekende als er maar even tijd was, met emmers en jute zakken op pad naar de plekken waar eikenbomen stonden, waar duizenden eikels voor het opraken lagen.


Moeder kon voor fl. 1,50 zeker 30 broodjes kopen

Het was een activiteit waar vele gezinnen zich mee bezig hielden. Met zijn broer en zussen verzamelde Frekie zo zakken vol eikels. Hij was helemaal in zijn element als hij met een bongel, een tak van ongeveer 50 cm., mocht gooien. Als de meeste eikels waren opgeraapt, probeerde ze nog takken te raken waar nog eikels hingen. Het regende dan eikels, maar het was niet zonder gevaar.

Want behalve het passerend verkeer moest je ook opletten waar de bongel viel. De eikels werden in een oude kinderwagen vervoerd. De fl. 1,50 die Hartlief voor een volle kinderwagen betaalde, was voor moeder Zandstra een welkome aanvulling. Ze kon er wel 30 broodjes voor kopen. Brood was toen half zo groot als tegenwoordig.


Een munt met een sleufje

Toch was het niet alleen zonneschijn wat de herfst bracht. Het levensonderhoud deze tijd van het jaar werd duurder. Het verbruik van brandstof voor de kachel nam toe en het licht brandde langer, wat extra gasverbruik betekende. Gas kwam van de gasfabriek en daarvoor moest een munt met een uitsparing (sleufje) in de gasmeter worden gedaan. Voor zo’n munt van elf cent kreeg je een kubieke meter gas en was je te laat met een nieuwe munt in de meter dan stopte de gastoevoer en ging de vlam uit.

Met een grote pot met eten raakte het gas nogal een op en vaak was er geen geld voor een nieuwe munt. In zo’n geval moest Frekie van een halve stuiver een gasmunt maken door er een sleufje in te vijlen. Daarmee was moeder dan weer een tijdje gered. Op gezette tijden kwam de gemeente – ambtenaar Meijer langs om de munten uit de meters te halen. Door de munten te tellen rekende hij uit hoeveel gas er was gebruikt. Meijer kon dat met een onnavolgbare snelheid. De halve stuivers die hij er tussen vond moesten ter plekke worden verrekend.


Sprokkelhout uit de Sluisdennen

De kamer werd verwarmd met een zogenaamde huishoudkachel, die met eierkolen of cokes werd gestookt. Eierkolen of cokes was goedkope kolen, een restproduct van de gasfabriek. Niettegenstaande moest de kolenboer, die het ook niet breed had, nogal eens op zijn geld wachten omdat dat er simpelweg vaak niet was. Toch wilde de man eerst geld zien al vorens te leveren. Het was een veel voorkomend euvel in de arme buurt. Zijn redenering was dan ook: “Zodra je geld hebt, breng je het maar.

Dan krijg je brandstof mee terug”. Als er geen geld was, werden Frekie en zijn broer er op uit gestuurd om sprokkelhout in de Sluisdennen te zoeken. Het was voor moeder de manier om de periode dat er geen geld voor brandstof was te overbruggen. Kon het er wel af, dan stuurde ze de jongens met een rijksdaalder op een damesfiets naar kolenboer Bolhuis. Dolgelukkig keerden ze dan met een zak cokes op het frame terug. Het kwam meermalen voor dat zo het ene gat met het andere moest worden gedicht.


Het winkeltje van Biene

De vrouw van Jan van Genkel, Bine, had aan de Tuinstraat een winkeltje in een van de rijtjeshuizen. Bine was Groningse van geboorte. Samen met haar zoon Luut verkocht ze van alles en nog wat, waaronder fruit, groenten, zelfgemaakt ijs en turf. Biene was in wezen een heel goed mens, maar als ze zag dat iemand uit de buurt naar een ander winkeltje ging en bijvoorbeeld met een bloemkool voor haar huis langs liep, kon ze dat niet hebben. Kwam je later bij haar om iets te kopen dan zei ze: “Most maor naar Bolhuis gaon, daor gaist aans ok hen”.


De Rozenstraat in de jaren zeventig. (foto Sietse Kooistra)


‘Ware Jakobs’ kopen bij Bolhuis

Op zondagmorgen ging Frekie vaak een ‘blokje rond’ met zijn neefje Joppie. Ze liepen dan het blokje Tuinstraat, Violenstraat, Resedastraat, Dahliastraat. Joppie was het zoontje van een zus van Frekie’s moeder en hield eigenlijk niet zoveel van kattenkwaad als zijn neefje en vriendje Frekie. Joppie’s opoe van vaders kant, dus geen grootmoeder van Frekie, was nogal bijziend en al bejaard.
Ze woonde in de Dahliastraat en ging op zondagmorgen vaak bij Joppie’s moeder op de koffie.

Op hun blokje rond kwamen de jongens opoe vaak tegen. Dan zei Joppie: “Dag opoe” en gaf haar een zoen op de wangen. Steevast vroeg ze dan: “Wel bist doe?” “Ik ben het, Joppie”, zei hij dan. “Dan kriegst van mie een stuver”, zei oma. Joppie kreeg dan een stuiver (5 centen). Frekie en Joppie gingen dan meteen naar Bolhuis, die achter hun huis een houten winkeltje had en die verkochten van alles wat je je maar bedenken kon. Zo ook ‘Ware Jakobs’, dat waren toffees van twee centimeter in het vierkant en kosten 1 cent per stuk.

Frekie kreeg ook eentje van Joppie en nam zelf vier. Frekie vond het eigenlijk maar raar dat hij er wel bij was maar nooit wat van die opoe kreeg. Dat liet hem de komende week niet los. En toen hij een keer in de Ericastraat liep kwam hij opoe tegen. Hij zei: “Dag opoe”, en gaf haar, hoewel hij het wel griezelig vond, een kus op haar rimpelige gezicht.

“Wel bist doe”, zei ze nu ook weer. “Ik ben Joppie” loog Frekie. “Dan kregst doe een stuver van mi”, zei ze en deed de hand onder haar schort (daar had ze een geldzak onder), en Frekie kreeg ook een stuiver. Dat was de moeite waard, maar goed voelde Frekie zich er niet mee.


Bonen punten voor de Wilco

Het was weer de tijd dat de sperziebonen bij de conservenfabriek Wilco aan de Londerstraat werden aangevoerd. Zoals ieder jaar om deze tijd bracht de Wilco ook nu sperziebonen bij de mensen. Het waren in hoofdzaak grote gezinnen die bonen voor de Wilco punten.
Het punten werd per kilo betaald. Meestal werden ze gebracht met paard en wagen, wat door de Wilco werd geregeld door de heer Post, in onze beleving al een bejaarde man. Maar ook gebeurde het dat de bonen rechtstreeks van de vrachtwagen bij de mensen werden gebracht.

Toen de bonenwagen langs kwam vroeg Post aan Frekie: “Hoeveel moet er zijn voor jullie gezin jongen?” “Mijn mam zei twintig zakken meneer”, antwoordde Frekie. “Dat is goed”, zei Post, “maar twintig zakken is wel 400 kilo”. “Die kunnen we best klaar krijgen”. “s Avonds zat het hele gezin in een kring in het achterhuis met een bak vol bonen op schoot. In het midden stond een tobbe waar de gepunte bonen in werden gegooid. Zelfs moeder en ook vader, die toch ook vermoeid was van het zware werd in de Werkverschaffing, deden mee.

Hoewel hiermee voor Frekie een deel van zijn jeugd mee heenging, dacht hij later met enige weemoed aan die tijd terug. Het was ook een soort spanning om op tijd al die bonen gereed te krijgen. De volgende dag moesten ze gereed zijn, want dan werden de bonen weer opgehaald. Ook zo kreeg moeder weer een beetje financiële ruimte.


“Malle Appie” kwam geregeld achter de huizen

Hoewel in het Blauwe Dorp meest arme mensen woonden, kwamen er relatief veel handelaren en straatmuzikanten langs de huizen.
Vooral lompenkooplieden kwamen rond de kerst vaak aan de deur en riepen dan: “Wie heeft er hazen- of konijnenvellen? Wij geven de hoogste prijs”. Een man die alleen maar varkensharten verkocht riep bij de deur: “Moeten hier nog hartjes zijn?”. Ook een scharenslijper kwam geregeld langs of een visboer met zoute haring of opgeschoten jongens met een handkar met fruit.

Een ander die geregeld achter de huizen kwam was ‘Malle Appie, die zeer vals op zijn mondharmonica speelde. Een ander bekend trio was dat van Jan en Johan Rosée met zijn vrouw Dien. Jan speelde accordeon, Johan zong en Dien liep met het centenbakje. Er was altijd wat te beleven. Regelmatig kwamen er boeren met een koe aan een touw langs. Die gingen naar boer Jansen aan het einde van de Tuinstraat. Dan riepen de kinderen: “Kom jongens, er gaat een koe bij de bol” en zag je een schare kinderen achter de koe aanlopen.


Paasbult op het veentje

Nu het veentje gedempt was kon de jeugd mooi deze ruimte gebruiken om daar hun paasbult te bouwen. Bijna alle kinderen uit de omgeving waren bezig met het slepen van brandbaar materiaal. Van boer Jansen mochten ze een platte boeren kar lenen, waar een grote groep kinderen mee naar het bos Sluisdennen ging. Daar lag nogal wat zwerfhout en takken en het ruimde ook mooi op. Met zoveel kinderen was het geen moeite om de kar vol te krijgen en daarna met zijn allen de kart weer naar het gedempte veentie te drukken was avondtuurlijk.

Het gedempte veentie was aan de toenmalige Ericastraat (nu Pelikaanstraat) juist tegenover buurthuis De Poort. De paasbult werd gestaag hoger en de gewenste hoogte was bijna bereikt. Toen ze met een van de laatste karrenvrachten vol takken langs boer Jansen kwamen, kwam die naar buiten en riep: “Ik heb nog twee autobanden voor jullie. Die kun je mooi boven op de bult leggen. Neem ze gelijk maar mee”.


De speeltuin op het gedempte veentje met aan de Ericastraat (later Pelikaanstraat) buurthuis 'De Poort'. (collectie Wander Bebingh)


Wie niet hielp mocht ook niet kijken

Het was een ongeschreven wet dat degene die niet met het slepen had geholpen ook niet bij het paasvuur mocht komen. En daar werd goed op gelet. Zo was een zekere Harrie van tevoren verstaan gegeven dat hij niet bij het paasvuur mocht staan. Die jongen liep al enige dagen voor het grote gebeuren gefrustreerd rond. Op een gegeven moment kon hij er niet meer tegen. Hij dacht: “Als ik er niet bij mag zijn, dan jullie ook niet”.

Stiekem stak hij de bult aan en maakte dat hij weg kwam. Gelukkig werd het op tijd ontdekt en kon het vuur nog gedoofd worden. De boerenkar werd schoongemaakt en weer naar boer Jansen gebracht, want volgend jaar wilden ze hem graag weer gebruiken. Op de grote dag werd tegen het schemerdonker onder grote belangstelling de bult aangestoken. In een grote kring stonden honderden mensen naar het grote vuur te kijken. Op dat moment gingen een groep jongeren kijken wie er wel stonden, maar niet hadden meegeholpen. Die werden dan door twee jongens te pakken genomen.

De een ging stiekem op de hurken achter de persoon zitten en de ander gaf de ‘luiaard’ een zetje, zodat die naar achteren over de gehurkte heen duikelde. Zo kreeg iedere ‘luiaard’ zijn of haar straf. Dit straffen werd niemand kwalijk genomen, het hoorde er bij. Het was iets waar jong en oud ieder jaar naar uitkeek


Bronvermelding:

Enkele verhalen uit het boek “Frekie uit het Asser Blauwe Dorp”; geschreven en uitgegeven door Wander Bebingh in 2008.


Ter afsluiting van het boek schrijft hij het volgende:


Tot slot

Met veel genoegen heb ik de belevenissen van Frekie aan het papier toevertrouwd. Het verhaal, dat zich afspeelt tussen 1928 en 1988, is op werkelijke gebeurtenissen en belevenissen gebaseerd. We zien hoe Frekie opgroeit en volwassen wordt in het Blauwe Dorp. Na de kwajongensjaren volgen de volwassenheid en het stichten van een gezin. Als geen ander ervaart Frekie wat armoede is. Om die reden was ik bij het schrijven wisselend gestemd. Soms bekroop mij een verdrietig gevoel vanwege alle leed, maar ook waren er momenten van trots. Trots omdat het is gelukt dat alles het hoofd te bieden en trots op de wijze waarop mijn generatie er in slaagde een plaatsje hoger op de maatschappelijke ladder te komen.

De belevenissen van Frekie heb ik geschreven om de geschiedenis van dit stukje Assen in al zijn facetten levendig te houden. Hoewel bijna alle namen van de personen zijn bedacht, is de overeenkomst met de werkelijkheid groot. Zij die er ooit woonden kunnen er over meepraten.

Voor de medewerking en de ondersteuning bij het tot stand komen van dit boek wil ik met name de broers Joop en Gerard Jokshorst van het gemeentearchief bedanken. Van hen kreeg ik vanaf het begin alle medewerking bij het zoeken naar geschikte foto's. Ook bedank ik Martin Hiemink voor zijn adviezen en hulp bij de totstandkoming van 'Frekie'. En verder iedereen die mij informatie heeft verstrekt.

Ik wens u veel plezier met de belevenissen van Frekie uit het Asser Blauwe Dorp.

Wander Bebingh Assen, voorjaar 2008





© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl