In en om Assen





De aanleg van de Stationsweg in Assen


Bronvermelding:
Nieuwe Drentse Volksalmanak, 1970. Een artikel van D. van der Vlerk, adjunct-archivist aan het Rijksarchief te Assen
De gegevens voor dit artikel zijn ontleend aan archivalia en Couranten, berustende in het Archief der gemeente Assen en het Rijksarchief in Drenthe.



Een spoorlijn door het Stadsbosch


In de 'Rotterdamsche Courant' van Donderdag 12 oktober 1870 stond op de frontpagina een bericht, beginnende: 'Assen, in het Landschap Drenthe, den 7 October. Heden hadden de Inwoners dezer Plaats het genoegen om het Nieuwe Kanaal, hetgeen langs een uitgestrektheid van 9 uren, sedert 10 Jaren gegraven is, en voorbij Meppel naar en door de Zwartsluis in de Zuiderzee loopt, ten einde te zien brengen', en eindigende: 'Men vleid zich, dat door de uitvoering van deze Vaderlandsminnende onderneming ook deze Plaats in het byzonder, van tyd tot tyd zeer veel verbetering zal ondergaan, vermits dezelve, tot het bedryven van Binnenlandsche Handel en het oprichten van Fabryken, zich zeer gunstig geplaatst vindt'.

De voltooïing van de Vaart was inderdaad een uitermate belangrijke gebeurtenis: de hoofdplaats van de Landschap Drenthe werd aangesloten aan het toenmalige eigentijdse verkeer, het scheepvaartverkeer. Hoe belangrijk, blijkt ook uit het plaatsen van dit stuk van bijna 30 regels in een krant in de handelsstad Rotterdam. De ligging van Assen was tot dusver zeer geïsoleerd geweest; het regeringscentrum van Drenthe was alleen langs onverharde zandwegen bereikbaar en daar - door was ook het contact met Den Haag, d.w.z. met het regeringscentrum van de Republiek der Verenigde Nederlanden zeer gebrekkig. De eerste opening van Assen vond dus naar het Westen plaats. Dit werd voor lange tijd het 'gezicht' van Assen.

Het plaatsen van de Vaart met haar bebouwing op de lijst van beschermde stadsgezichten krijgt hierdoor een extra dimensie; de meeste huizen immers zijn in een tijdvak van een halve eeuw gebouwd en zijn - op het landgoed 'Overcingel' na - de oudste herenbehuizingen van Assen. Het zou 90 jaar, n.l. tot 1870 duren, alvorens Assen nogmaals een aansluiting zou krijgen aan het eigentijdse verkeer, toen het spoorwegverkeer. De feestelijke opening van de spoorlijn Meppel-Groningen vond op 30 april 1870 plaats met een speciale rit Groningen -Meppel V.V.. Op zondag 1 mei werd de lijn voor het verkeer opengesteld - tegelijk met de inwerkingtreding van de zomerdienstregeling der Staats- spoorwegen.

Sprak een plan uit de veertiger jaren van een spoorlijn door het Stadsbosch en een later plan zelfs van een station aan de Grote Marktstraat, uiteindelijk kwam de lijn ten oosten van de stad te liggen. Niet onmiddellijk langs de bebouwde kom, maar op enige afstand daarvan. Tussen de stad en het spoorwegemplacement lag toen nog onbebouwd terrein; de verbinding met het station liep over het slechts gedeeltelijk, en dan nog onvoldoende, verharde Vredeveldsepad. Derhalve moest de weg van het Centrum van de stad naar het station van een goede bestrating voorzien worden, vooral ook omdat over deze weg een aanzienlijk goederenvervoer met paard en wagen verwacht kon worden.

Aanvankelijk voelde de raad der gemeente Assen er weinig voor om voor een goede stationsweg grote kosten te maken. De zaak kwam ter sprake in de vergadering van 29 september 1868. In behandeling kwam het rapport van de begrotingscommissie voor 1869, waarin o.m. werd gezegd 'dat de belangrijke uitgave voor het verbeteren van den Stationsweg in één jaar te hoog is en gedeeltelijk tot een volgend jaar kan worden uitgesteld, wanneer zij noodig zou worden geacht, en dat bovendien de aanleg van dien weg van het Stationsplein tot aan den Steenenduiker in het Vredeveldsepad behoort te worden gevraagd van het Rijk.

Zij wenscht zich te bepalen tot de demping van de Oostersingelgracht bij het huis van L. Gerritsen met riool, het doen vallen van eenige lindeboomen op den Singel en de verbreeding van den weg van daar naar de Steenen duiker, alsoo de Straat over de brink en de Kloosterstraat, behoudens het gewone onderhoud, in den tegenwoordigen toestand latende. Zij beaamt niet het gevoeleq van Burgemeester en Wethouders, dat de keijen in beide deze straten zoo slecht zouden zijn, dat zij door nieuwe zouden behooren te worden vervangen maar is in tegendeel van meening, dat ter zijner tijd door opbreking dier beide straten een nieuwen aanleg met dezelfde keijen, naar behoren gesorteerd en voor zooveel noodig aangevuld, het voorgestelde doel evengoed zal worden bereikt en dat tot zoolang ook de aanleg van trottoirs in de Kloosterstraat (één trottoir aan de Noordzijde komt de Commissie ook voldoende voor) zal behooren te worden uitgesteld'.

Burgemeester en Wethouders van Assen richtten zich dan ook op 21 oktober 1868 tot de Minister van Binnenlandse zaken met de volgende missive: 'Het emplacement van 't station voor den Spoorweg te Assen is niet zeer gelukkig gekozen met het oogpunt der kosten, die door het gemeentebestuur zullen moeten worden aangewend om den weg, die tot gezegd emplacement leidt, in behoorlijken staat te brengen. Op vrij grooten afstand van de bebouwde kom zal het gemeentebestuur genoodzaakt zijn een gedeelte weg ter lengte van omstreeks tweehonderd ellen, te doen verbreeden en bestraten, hetwelk met aanzienlijke kosten gepaard gaat. Elke duizend gulden die moet worden uitgegeven, drukt in meer dan gewone mate de bewoners onzer kleine gemeente, wier behoeften met aanzienlijk grootere plaatsen, bijna gelijken tred houden.

Het is daarom dat wij gevolg geven aan den uitgedrukte wensch van den gemeenteraad, en Uwe Excellentie verzoeken te willen gelasten, dat de weg van het Stationsplein te Assen, tot aan de waterleiding in het voor - malige Vredeveldsche pad zal worden aangelegd, verbreed en geplaveid voor rekening van het Rijk, evenals ook te Meppel en te Zwolle naar wij meenen, het Stationsplein van Rijkswege met de bestaande kunstwegen is in verbinding gebragt'. De Minister was evenwel niet bereid de gemeente tegemoet te komen en antwoordde op 20 november, dat bij het ontwerp voor het station te Assen de regel gevolgd was voor de aanleg der Staatsspoorwegen, n.l. dat als algemeen geldend moest worden aangenomen dat tot toegang naar het station het buitenplein met den bestaanden weg in verbinding zou worden gebragt, dat wat tot verbetering van in of bij de gemeente gelegen wegen voor het verkeer naar het station mogt noodig zijn aan de zorg der betrokken gemeente moet worden overgelaten'.


Stationsweg (collectie DMA)


Het stationsgebouw zou door middel van gas verlicht worden


De gemeente was dus genoodzaakt de kosten voor eigen rekening te nemen. De Raad kon echter niet tot eenstemmigheid komen over de aanwijzing der middelen tot uitvoering. Op deze grond werd het door Burgemeester en Wethouders gedane voorstel, dat gedeeltelijk al was goedgekeurd, 'van de begrooting geroijeerd'. Zo bleef de situatie ongewijzigd tot einde mei 1869. Toen dienden, nadat de burgemeester - mede door deze mishandeling van zijn begroting - met ontslag gedreigd had, vier raadsleden een voorstel in 'tot aanleg van eenen nieuwen weg vanaf de traverse op de brink, door de Kloosterstraat naar het station der Staatsspoor, benevens het dempen van een gedeelte van de Singelgracht en het leggen van een riool aldaar en voor het wegbreken van het bruggetje in de Vredeveldscheweg en dat te vervangen door eenen steenen duiker in de waterleiding'.

Tevens zou het pijpennet van de gasverlichting uitgebreid moeten worden tot het station; hierop zouden meteen vier lantaarns van de openbare verlichting aangesloten kunnen worden. De bedoeling van de vier heren was de Kloosterstraat met Belgische keijen en de rest met straatklinkers te doen beleggen; dit werk was be- groot op ongeveer f 11,000,-. Het zou op twee mille minder komen, als alles met klinkers en ruim twee mille méér, als alles met Belgische keijen bestraat zou worden. Het geld zou geleend moeten worden en t.z.t. afgelost met gelden, te verkrijgen door verkoop van huisplaatsen in het stadsbos. Kennelijk nog onder de indruk van des Burgemeesters dreigement, besloot de Raad vrij vlot tot het aangaan van een lening van f 14,000,- 'tot bestrijding der kosten van aanleg en verbetering van den stationsweg en uitbreiding van het gazpijpennet'.

Omdat het stationsgebouw door middel van gas verlicht zou worden, had de gemeente, als eigenaresse van de in 1861 opgerichte gasfabriek, voor de gastoevoer te zorgen. In verband met de openbare straatverlichting en 'met het oog op vermoedelijke aanbouw langs den Stationsweg, en mogelijk ook wel langs de parallelweg naar de Rolderstraat', werd besloten er meteen maar 3 -duims pijpen te leggen. In de Provinciale Drentsche en Asser Courant van 22 juli 1869, nr. 93, verscheen nu een advertentie, waarin Burgemeester en Wethouders aankondig - den dat op 28 juli de uitbesteding van de werken, die moesten leiden tot een goede verbinding met het station, zou plaatsvinden. Bepaald gelukkig is men met de aanbesteding niet geweest.

Op genoemde datum werd niet tot gunning overgegaan, maar bepaalden B. & W. 'overwegende dat de inschrijvingen de begroting verre te boven gaan', dat een herbesteding zou plaats vinden. Deze werd gehouden op 3 augustus daarop volgend. Opnieuw schrok het college van de in de inschrijvingsbiljetten gevraagde sommen en besloot het de werken niet te gunnen, maar de herbestrating voor eigen rekening uit te voeren en alleen het maken van de trottoirs en duikers of stenen riolen afzonderlijk uit te besteden. Dit laatste is - en nu eindelijk met succes - geschied op 9 augustus; aannemers werden Jan Lamberts, timmerman te Assen, die bereid was de trottoirs te maken voor f 2784,- en Hendrik de Vries, eveneens timmerman, die de duikers of stenen riolen wilde vervaardigen voor f 1197,-.

Zij zouden op 15 november 1869 alles gereed moeten hebben. Ter verduidelijking diene het volgende. De Oostersingelgracht was nog ongedempt. De weg aan de Oostzijde van deze gracht was bereikbaar over een stenen duiker (een 'boog'), gelegen vóór de Kloosterstraat. Voor het te verwachten verkeer was deze boog te smal. Daarom wilde men de gracht over een lengte van 44 el (= meter) dempen. Maar eerst moest - tot behoud van de doorstroming - in het te dempen gedeelte een gewelfd stenen riool van dezelfde afmetingen als dat in de dam, die in de Noordersingel lag en verbinding gaf tussen de Brinkstraat en de Nieuwe Huizen, n.l. ter hoogte van 110 cm met een bodembreedte van 90 cm gelegd worden.

Eenzelfde duiker moest er komen in het Nijlandsloopje, dat het Vredeveldsepad halverwege kruiste; maar met een lengte van 10 m, een breedte van 1 m en een hoogte van 120 cm. De trottoirs moesten bestraat worden 'met vlakke machinale klinkers op hun kant (zoals nu weer op de Brink is gedaan), behalve vóór het huis van Ten Oever, waar de aanwezige geele steentjes weder kunnen worden gebruikt'. Daar de beschikbare strook grond te smal was voor de aanleg van de ontworpen weg, stelden vijf aangrenzende grondeigenaren hiervan stroken grond beschikbaar. Zij ontvingen voor deze grond, ruim 950 m , gemiddeld nog geen gulden per m 2 2 . Voor de bestrating kocht de gemeente bij een firma in Keulen 103.000 basaltlava-keijen.

Het werk is in een vlot tempo uitgevoerd, want op 30 november zond het Gemeentebestuur de jaarlijkse 'Staat van Belangrijke Werken' aan de Commissaris des Konings. Hierin stond o.a. dat 'de nieuwe straat in de Stationsweg' bijna gereed was. De Provinciale Drentsche en Asser Courant meldde reeds op 29 november (nr. 204): 'Er moeten alleen nog eenige gedeelten trottoir gemaakt worden, die bij gunstig weder in de eerstvolgende week klaar kunnen komen. De weg is geheel bestraat met behakte bazalt lavakeijen en heeft een breedte van 4,50 m. De trottoirs, die aan beide zijden langs de weg lopen, hebben een breedte van ± 2,50 m. Naar deskundigen ons verzekeren, is alles goed afgewerkt.

Wij zijn dus nu in het bezit van een goeden toegangsweg, en - wat zeker met genoegen vernomen zal worden - ook van de gevaar- lijke hoogte die zich in den oprid voor het station bevindt, zal iets afgenomen worden, waardoor deze oprit minder steil zal worden'. Vermoedelijk is er toch nog enige vertraging opgetreden, doordat het in de eerste week van december licht heeft gevroren. Vijf maanden later werd de spoorlijn Meppel -Groningen feestelijk in gebruik genomen. De verwachte aanbouw langs de Stationsweg vond al spoedig plaats en ook werden kort daarna huizen gebouwd op de zgn. Duivenkamp; tegenwoordig heet de toen aangelegde weg Javastraat. Kreeg in 1780 Assen door de aanleg van de Vaart de mogelijkheid haar gesloten bebouwing naar het Westen open te leggen, in 1870 vond door de aanleg van de spoorlijn en haar verbinding met de oude bebouwde kom van Assen ook de opening naar het Oósten plaats.






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl