In en om Assen




Tjerk Vermaning



Info op wikipedia.nl


Tjerk Vermaning (Staphorst, 1929 – Assen, 1987)) was een Nederlandse amateurarcheoloog en voornamelijk actief in de provincie Drenthe, verwierf bekendheid door zijn vondsten die vervalsingen bleken te zijn. Vermaning, de zoon van een schipper, voorzag in zijn levensonderhoud met de reparatie van landbouwmachines en het slijpen van messen van maaimachines waartoe hij rondtrok door Drenthe en Friesland. Later leefde hij enige tijd van een subsidie van de provincie Drenthe en van de opbrengst van de door hem gevonden fossielen en artefacten.


Vondsten van vuurstenen werktuigen

Geïnspireerd door een vondst uit de jaren 40, de vuistbijl van Wijnjeterp, raakte Tjerk Vermaning op ongeveer dertigjarige leeftijd geïnteresseerd in de archeologie en zocht hij in Drenthe op akkers met succes naar vuurstenen werktuigen. Voor het op naam brengen van zijn vondsten nam hij contact op met beroepsarcheologen en kwam daarvoor veel bij het Drents Museum.

Tussen 1965 en 1972 ontdekte hij in Drenthe drie veronderstelde vondstcomplexen uit het Midden Paleolithicum: Hoogersmilde, Hijken en Eemster (Lheebroek). Omdat deze vondsten zouden betekenen dat de bewoningsgeschiedenis van Drenthe met dertig à vijftigduizend jaar verlengd werd, kregen zij veel aandacht in de media. Om zijn archeologische activiteiten te ondersteunen ontving Vermaning een jaarlijkse financiële vergoeding van het museum dat later ook een deel van zijn collectie aankocht.

In 1966 werd aan hem voor zijn bijdrage aan de kennis van het prehistorisch erfgoed van de provincie de 'Culturele prijs van Drenthe' uitgereikt.


De affaire Vermaning

Tjerk Vermaning is echter vooral bekend geworden door de media-aandacht rond de rechtszaak die in 1975 werd aangespannen door één van de eigenaren van de collecties in het Drents Museum, Gedeputeerde Staten van Drenthe. De rechtszaak werd aangespannen omdat in wetenschappelijk onderzoek door de archeologen Harm Tjalling Waterbolk en Dick Stapert van het Biologisch Archeologisch Instituur (B.A.I.) van de Rijksuniversiteit Groningen twijfels waren gerezen omtrent de echtheid van de artefacten.

Die twijfels waren gebaseerd op de staat van de artefacten, de samenstelling, het materiaal waarvan de artefacten gemaakt waren, het geringe vakmanschap waarmee ze gemaakt waren, etc. In feite waren volgens Waterbolk en Stapert het materiaal, de vondstomstandigheden en de vindplaatsen alle verdacht. De rechtszaak, media-aandacht en de vervolgschermutselingen tussen 'voor'- en 'tegenstanders' zijn bekend geworden als de Affaire Vermaning.

Vermaning werd op 18 maart 1975 gearresteerd op beschuldiging van oplichting. Tijdens de rechtszaak werden de conclusies van het B.A.I. ondersteund door diverse getuige-deskundigen (onder anderen de Duitse archeoloog Gerhard Bosinski) en door een onafhankelijk rapport van het Gerechtelijk Laboratorium. Een aantal amateurarcheologen rond Ad Wouters (later verenigd in de A.P.A.N.) was overtuigd van de echtheid van de artefacten en ijverden voor vrijspraak.

Vermaning werd in eerste instantie schuldig bevonden aan oplichting en werd in 1977 veroordeeld tot een maand cel. Hij ging in hoger beroep en werd daarop in 1978 vrijgesproken omdat, naar de mening van de rechter, niet kon worden bewezen dat Vermaning zelf de bewuste artefacten had vervalst.


Na de affaire

Vermaning voelde zich door de rechtszaak aangetast in zijn goede naam. Hij was voor de rest van zijn leven verbitterd en bleef vijandig ten opzichte van de professionele archeologie. Over wat er werkelijk gebeurd is, zijn verschillende theorieën in omloop, die veelal niet uitsluiten dat Vermaning gebruikt is en zelf te goeder trouw was.

In 1991 werd aan de hand van C14-datering vastgesteld dat een schedel, waarvan Vermaning claimde dat hij van een Neanderthaler was, hooguit uit de late middeleeuwen stamt. In 2004 werd het vondstcomplex Eemster door een niet bij de voorgaande perikelen betrokken groep wetenschappers opnieuw onderzocht. Tevens werden de oudere vondsten en gegevens uit de A.P.A.N.-collecties in het onderzoek betrokken. De eindconclusie kon niet anders luiden dan dat het vondstcomplex Eemster uit recent vervaardigde artefacten bestaat en dat er dus geen sprake is van een archeologische vindplaats.

In 2008 werd voor het eerst een echt Neanderthaler-kampement voor Drenthe aangetoond, naast verschillende midden-paleolitische vondstcomplexen die al uit omliggende provincies bekend waren.
De affaire heeft drie belangrijke gevolgen voor de Nederlandse archeologie van het Paleolithicum gehad. De verhoudingen tussen (delen van) de amateurs- en beroepswereld in de Nederlandse archeologie zijn jarenlang negatief beïnvloed. Dit is pas minder geworden met de inactiviteit (door pensionering en/of overlijden) van enkele hoofdrolspelers.

Een tweede negatief gevolg is dat van een aantal belangrijk geachte vondsten niet meer vaststaat wat er van gedacht moet worden. Vaak zijn vondstomstandigheden en herkomst vaag of zelfs vervalst en soms is het object zelf duidelijk vervalst. Een positief effect is geweest dat de aandacht van de Nederlandse beroepsarcheologen voor de archeologie van de Oude Steentijd in eigen land enorm is toegenomen. Dit heeft onder andere geleid tot grote opgravingacties in de groeve Belvédère bij Maastricht.


Tjerk aan bord van zijn museumschip 'Palaeo Historia"


Info op uk.rug.nl

Vermaning de bijgoochem; artikel van Harry Perton

Diefstal, verboden wapenbezit, een oud-nazi en een opzet om de zaak te flessen. Op het Biologisch Archeologisch Instituut (BAI) leek er wel een krimi aan de gang, midden jaren zestig. Oud-directeur Waterbolk schreef er in zijn memoires over.

Januari 1965. Uit Brabant krijgt het Biologisch Archeologisch Instituut van de RUG de tip, dat een technisch assistent van het instituut archeologica verkoopt, die van het BAI afkomstig moeten zijn. Inderdaad blijken er in de studiecollecties nogal wat voorwerpen te missen. Weldra bekent de man. Hij had geld nodig voor drank en een bijvrouw.

Maar er is meer aan de hand. Een wetenschapper, Assien Bohmers, biecht tegen de BAI-directeur op dat hij een revolver van de man kocht. De directeur stelt de politie op de hoogte en die vindt het wapen in Bohmers’ bureau op het BAI. In zijn boot, liggend voor zijn huis te Bedum, treft de politie zelfs diverse automatische vuurwapens aan. Bohmers wordt geschorst en krijgt uiteindelijk, na een veroordeling wegens verboden wapenbezit, op eigen verzoek eervol ontslag.

Deze opmerkelijke episode komt voor in de vrijdag verschenen memoires van Harm Tjalling Waterbolk, emeritus hoogleraar archeologie en toentertijd directeur van het BAI. Memoires die in het teken staan van een nog veel ingrijpender affaire in Waterbolks leven, namelijk die van de amateurarcheoloog Tjerk Vermaning. Volgens Waterbolk stonden beide affaires los van elkaar, al veronderstelt hij wel dat Bohmers en Vermaning iets met elkaar te maken hadden.

De nu bijna vergeten Tjerk Vermaning was een graafmachineslijper van zeer eenvoudige komaf, die medio jaren zestig met zijn woonscheepje te Smilde lag. Hoewel hij slechts een paar jaar lager onderwijs genoot, ontwikkelde hij een passie voor archeologie, vooral die van de oudste steentijd. Zijn droom was, om te bewijzen dat er voor de laatste ijstijd Neanderthalers in Noord-Nederland rond hadden gelopen. Begin 1965 leek die droom uit te komen, toen hij ‘middenpaleolitische artefacten’ op een diepgeploegde akker in Hoogersmilde vond.

Het Drents Museum kocht de schat voor 10.000 gulden. Vermaning kreeg de Culturele Prijs van de provincie Drenthe en een jaargeld van 12.000 gulden, dat via het BAI voor eenderde uit het Groninger Universiteitsfonds kwam. Ook mocht Vermaning een eigen museumschip inrichten. Een en ander leek zich uit te betalen ook, want in 1967 en 1973 vond hij in Hijken en Eemster opnieuw ‘middenpaleolithen’.
Vermaning gold als de underdog, die de geleerde wereld voor schut zette.

Als zodanig was hij de lieveling van de pers, die in de geest van de tijd sowieso weinig met autoriteiten ophad. Bij Vermaning wekte alle aandacht bravoure op en steeds was hij goed voor sappige quotes. Je kon hem alles laten zeggen. Dat hij een eredoctoraat verdiende bijvoorbeeld. Of dat hij “de Messias op het gebied van de oudheidkunde” was. Of dat hij ze allemaal dood zou schieten, die wetenschappers.

De eerste vondst van Vermaning viel toevallig samen met de ontdekking van vuurwapens bij Assien Bohmers, de enige oude steentijdonderzoeker in de universitaire wereld. Na Bohmers’ ontslag schreef BAI-directeur Waterbolk weliswaar een artikel met voorlopig positieve bevindingen over Vermanings vondst, maar hij achtte zichzelf toch niet de bij uitstek deskundige. Hij probeerde een student op Vermanings materiaal te zetten. Pas in 1970 lukte dat. Als promovendus kreeg deze Dick Stapert vervolgens twijfels. Vermanings vuurstenen waren raar afgerond, beslist dikker dan eerder gevonden artefacten en het glanspatina was niet door de natuur aangebracht. Sterker nog, de werktuigen vertoonden recente slijpsporen.

In 1975 meldden Stapert en Waterbolk dit aan de provincie Drenthe, die aangifte wegens oplichting deed. Bij het proces in Assen riep Vermanings verdediging een erkend specialist, professor Bosinski uit Keulen, op als getuige-deskundige. Tot haar verbijstering verklaarde hij de artefacten voor vals. Onderzoek van het Gerechtelijk Laboratorium wees uit, dat er inderdaad een kunstmatige glans op zat. In 1977 veroordeelde de rechter Vermaning tot een voorwaardelijke gevangenisstraf, omdat hij zelf de werktuigen gefabriceerd zou hebben. Maar precies dát achtte het Leeuwarder Hof in hoger beroep niet bewezen. En over de echtheid van de artefacten wilde het niet oordelen. Daarom sprak het Vermaning vrij.

Na deze uitspraak brak de hel pas goed los voor het BAI. De media namen nauwelijks kennis van de toch vrij duidelijke technische rapporten en zoomden in op de miskende amateur, die bijna beentje gelicht was door afgunstige academici. Anonieme schotschriften betichtten Stapert en Waterbolk van list en bedrog. Ze kregen aanklachten wegens meineed en laster in het vooruitzicht gesteld. Om over de doodsbedreigingen maar te zwijgen.

De emoties konden hoog oplopen, als het over Vermaning ging. Intussen is na diens dood, in 1987, het tij gekeerd en groeit er langzamerhand een consensus dat zijn vondsten wel degelijk vals waren. Maar Waterbolk heeft er moeite mee om wijlen Vermaning zelf als de vervalser te zien. En daar kan ik inkomen, want de man was vooral naïef, zoals me eens bleek bij een ziekenbezoek op zijn schip (1973).

Vermaning, zo betoogt Waterbolk waarschijnlijk terecht, beschikte niet over de kennis voor het vinden en verwerken van de juiste ruwe vuursteenknollen. Ook had hij niet de juiste slijpapparatuur. Mogelijk vervalste hij vindplaatsen en stak hij bij een opgraving stukken in ongeroerde grond. Maar dat maakt hem hoogstens een uitvoerder.

Een bijgoochem dus. Maar wat voor elementen zaten er dan achter? Bij wijze van “werkhypothese” komt Waterbolk met een plausibel complot. Inderdaad zijn er sterke aanwijzingen dat het handwerk van wijlen Ad Wouters kwam, een Brabantse amateur-archeoloog. Maar naar Waterbolk vermoedt, fungeerde wijlen Assien Bohmers als kwade genius en verbindingsman achter de schermen, althans in het begin. Tijdens de Hoogersmildevondst was Bohmers nog in dienst van het BAI en hij was de aangewezen man om Vermanings materiaal op langdurige studiereizen te vergelijken met materiaal in buitenlandse collecties. Al ging dat feest niet door, vanwege die onverwachte wapenvondst.

Bohmers en Vermaning kenden elkaar wellicht van de Friese boerenhoutsnijdersvereniging ‘de Ikelbeam’. Als zelfbenoemd Fries was de “kluge, zielstrebige und ehrgeizige” Bohmers in 1937 bij de SS-wetenschapsorganisatie ‘Das Ahnenerbe’ in dienst getreden. Tussen 1939 en 1943 deed hij opgravingen in bezet Tsjechië en tegelijkertijd droomde hij ervan leider te worden van de Friese gouw in het Groot-Germaanse rijk. In 1941 parachuteerden de Duitsers hem op het BAI. Na de oorlog zat hij wel vast, maar omdat de bewijzen voor zijn vergaande collaboratie ontbraken, liet men hem gaan. Vanwege zijn uitstekende wetenschappelijke reputatie kreeg Bohmers in 1952 weer een vaste baan bij het BAI.

Een verdere carrière was natuurlijk uitgesloten. Collega’s bejegenden hem argwanend en afstandelijk. Publiceren deed hij zo min mogelijk, wellicht uit angst om alsnog tegen de lamp te lopen. Het liefst wilde hij het land uit, met zijn boot, als hij genoeg geld bij elkaar had gesprokkeld met zijn handeltjes. En na zijn ontslag gedroeg hij zich uiterst rancuneus. Binnenskamers koesterde hij reserves tegen de vondsten van Vermaning, maar in ingezonden brieven viel hij het BAI publiekelijk af.

Ik las Waterbolks boek in één ruk uit en naar ik vernam was ik de enige niet. Aan zijn terugblik ontbreekt een apologetische toon, slechts één keer liet hij zich even gaan. Waterbolk maakt aannemelijk dat hij niet anders gehandeld kon hebben, gegeven de omstandigheden. Dat hij na zoveel jaar eindelijk zijn stilzwijgen verbreekt, valt te prijzen, ook al gebeurt dat pas na de dood van zijn ergste vijanden.


Bronvermelding:

H.T. Waterbolk, ‘Scherpe stenen op mijn pad’. Heveskes Uitgevers, Groningen; 264 pagina’s, ISBN 90-806727-5-0


Een collectie houtsnijwerk van Tjerk Vermaning: drie liggende leeuwen, een Neanderthaler, links op de voorgrond een woudolifant (primigenius antiquus) en rechts op de voorgrond een styracosaurus brancai


Info op vkgeschiedenis.nl


Tjerk vermaning en de Steen des Aanstoots; artikel van Sietse van der Hoek; 2009

Er was eens een scharensliep in Drenthe die Tjerk Vermaning heette. Grasmaaimachines waren zijn specialiteit, en oude stenen. Dat wil zeggen, stenen die tienduizenden jaren geleden bewerkt waren om bijvoorbeeld een mammoet te slachten en die door Vermaning werden gevonden in spectaculaire hoeveelheden.

Zijn ouders waren binnenvaartschippers en deden regelmatig Gorredijk aan. Daar, in de Oudheidkamer, is de kleine Tjerk bezeten geraakt van die oude stenen. Daar heeft hij niet te tellen keren zo vaak staan kijken naar de vuistbijl van Wijnjeterp, die tot dan toe het enige bewijs was dat in de Midden-Steentijd mensachtigen zo noordelijk in Europa leefden.

Wie weet heeft de kleine Tjerk bij die vitrine zijn eerste visioen gehad van Neanderthalers die met een stenen bijl in de vuist jacht maakten op wolharige neushoorns, mammoeten en wisenten. En die, zoals hem later geregeld zou overkomen in visioenen, zich omdraaiden en hem, Tjerk Vermaning, aankeken en wezen naar een plek in landschap dat hij herkende, namelijk Drents landschap.
En als hij dan de volgende dag op de plek uit het visioen ging graven, vond hij er tientallen, soms wel honderden schrabbers, afslagen, klingen, spitsen en vuistbijlen.

En allemaal van een ouderdom die nog ongekend was in Nederland. Zodat de kranten schreven: 'Vaderlandse geschiedenis met 400 eeuwen verlengd.' Want ook de wetenschap, in de persoon van professor H. T. Waterbolk, directeur van het Biologisch-Archeologisch Instituut in Groningen, erkende de echtheid en de betekenis van de vondsten van amateurarcheoloog Tjerk Vermaning.
Tjalling Waterbolk, geboren in 1924 in Havelte, waar zijn vader gemeentesecretaris was, deed zijn eerste prehistorische ervaringen op in de twee hunebedden bij zijn geboortedorp.

Ter voorbereiding op het toelatingsexamen tot het gymnasium ging hij een paar jaar in Meppel naar school, naar School C, waar in de wintertijd ook vrijgevochten schipperskinderen enig onderwijs kregen toegediend, onder wie de vijf jaar jongere Tjerk Vermaning.
Meppel was een belangrijk kruispunt van waterwegen in Noord-Nederland. Het schip van de Vermanings lag er vaak. Tjerk ging er drie winters naar school. Het was al het onderwijs dat hij genoot.

Door zelfstudie en met de hulp van de conservator van het Drents Museum Diderik van der Waals, bij wie Vermaning zich met zijn eerste prehistorische vondsten vervoegde, leerde Tjerk Vermaning het nodige over de Steentijd. En vooral over de Oude Steentijd, de periode van tienduizend jaar voor Christus en daarvoor, want die interesseerde hem het meest en daarvan wist men toen in Nederland het minst.

Een van de weinige specialisten, de enige in Noord-Nederland, was Assien Bohmers, die eigenlijk Johan Christiaan heette maar zich in 1937, toen hij in dienst trad van de aan de SS gelieerde organisatie Ahnenerbe, met de meer Germaanse voornaam Assien had getooid. Ahnenerbe probeerde op alle mogelijke manieren nazi-Duitsland aan een oer-Germaans verleden te helpen.
Door Ahnenerbe werd Bohmers in 1941 bij de Rijksuniversiteit Groningen als archeoloog aangesteld.

Omdat hij in een verzetsgroep gezeten zou hebben en vanaf een gegeven moment voor de Britse geheime dienst had gewerkt, aldus zijn eigen verklaring, mocht hij na de oorlog na een kortstondige internering weer als expert Oude Steentijd aan het werk op de universiteit in Groningen, waar in 1954 Tjalling Waterbolk hoogleraar werd en directeur van het archeologisch instituut.
Maar het bleef een vreemde kerel, die Bohmers, over wie veel vreemde verhalen de ronde deden.

Hij legde een grote belangstelling aan de dag voor Friese volkskunst en oud-Fries verleden. Hij was voorzitter en inspirator van een club van houtsnijders, de Ikelbeam, waarvan hij de op oud-Germaans verleden teruggrijpende scheppingen tot ver in Europa verkocht tijdens tochten in een tot kampeerwagen omgebouwd Volkswagenbusje.

Hij bezat een zeewaardige woonboot. En Bohmers was ook degene die de contacten onderhield met amateurarcheologen, 'de ogen en oren van de archeologische wetenschappers' – die de contacten monopoliseerde, zou men later vaststellen. En bij hem vond de politie in zijn bureaulade op het instituut en op zijn schip in het Boterdiep een revolver en enkele automatische vuurwapens. In 1965 was dat.

Toevallig op dezelfde dag waarop de politie huiszoeking bij hem deed, zat Assien Bohmers in de roef van het scheepje van Tjerk Vermaning in de Smildervaart te kijken naar de oude stenen die Vermaning gevonden had op het diepgeploegde land van boer Vos bij Hoogersmilde. 'Verrek', had Bohmers op zeker moment geroepen, 'dat is een vuistbijl!'

De wapens had hij gekocht van zijn assistent, verklaarde Bohmers tegenover de politie, om zich beter beschermd te weten op zijn buitenlandse archeologische reizen. Diezelfde assistent had, zo kwam ook aan het licht, stelselmatig een groot aantal stenen en bronzen voorwerpen uit de collectie van het archeologisch instituut ontvreemd en verkocht om zijn drankzucht te bekostigen benevens de maîtresse die hij er in Eindhoven op nahield.

In deze tijd ook begonnen geruchten de kop op te steken over een Duits onderzoek naar de geschiedenis van de organisatie Ahnenerbe, waaruit een veel 'bruiner' oorlogsverleden van Assien Bohmers opdoemde. Het kostte het universiteitsbestuur dan ook niet al te veel moeite Bohmers te bewegen tot eervol ontslag op eigen verzoek.

Het gevolg van de affaire was dat bij gebrek aan een andere specialist professor Waterbolk zelf de sensationele vondst van Tjerk Vermaning moest onderzoeken op echtheid en waarde. Waterbolk verbond ook zijn naam aan de wetenschappelijke publicatie die daaruit voortvloeide, waarna Tjerk Vermaning een beroemde Nederlander werd, lieveling van de media. Met grote graagte berichtten die over hoe een 'eenvoudige ambachtsman bestaande wetenschappelijke opvattingen omver had geworpen'.

Vermaning verkocht de stenen schat aan de provincie Drenthe, die hem in 1966 eerde met de Culturele Prijs van Drenthe en hij kocht van dat geld een nieuw schip, dat hij tot museumboot inrichtte.
Een jaar later deed Vermaning weer een geweldige ontdekking, dit keer op een akker bij Hijken, waar hij ruim vierhonderd vuurstenen werktuigen en afslagen uit de grond haalde. En in 1973 begon de kwestie-Eemster, die meer dan twintig jaar op gezette tijden de gemoederen van archeologisch Nederland zou verhitten.

Het draaide opnieuw om een grote hoeveelheid stenen werktuigen uit de Oude Steentijd, opgeraapt door zijn vrouw Grada op aanwijzing van Vermaning, die herstelde van een lichte hartaanval maar wel een visioen had gehad. Meer dan dat het in de buurt van Eemster was, wilde Vermaning niet kwijt over de vindplaats.
Want inmiddels waren de verhoudingen tussen Tjerk Vermaning en 'de gevestigde wetenschap van Waterbolk en kornuiten' behoorlijk verziekt. Vermaning vond dat hem veel meer eer toekwam dan hij van 'de geleerden' kreeg. Een eredoctoraat was wel het minste, vond hij. En verdiende hij ook niet een baan of deel van een baan bij een museum?

Er werd ook wel iets voor hem geregeld door de provincie, maar dan raakte de stemming weer bedorven doordat 'de gevestigde wetenschap' zijn bewering in twijfel trok dat de oude schedel die Vermaning gevonden had van een Neanderthaler afkomstig moest zijn.
Zo was er telkens wat en van elke ruzie maakte Vermaning gewag op radio, tv en in de krant, en daar raakten Waterbolk en de zijnen dan weer van in een stuip. Waarna Vermaning dreigde zijn collectie in Oost-Duitsland, de DDR toen nog, te gaan verkopen en zelf naar Denemarken te emigreren, waar de academische archeologie hem wel naar waarde schatte.

Inmiddels ook was professor Waterbolk in Groningen er eindelijk in geslaagd een opvolger te vinden voor zijn 'verdwenen' Oude Steentijd-expert Assien Bohmers. Dat werd Dick Stapert, die voor zijn promotie-onderzoek onder meer heel nauwkeurig naar vondsten van Vermaning had gekeken en daaraan van alles ontdekte wat niet deugde. Vervalsingen waren het, namaak, op eigentijdse machines geslepen om ze op honderddertigduizend jaar oude werktuigen van Neanderthalers te doen lijken.

In eerste instantie werd Vermaning in 1977 door de rechtbank in Assen veroordeeld voor vervalsing en oplichting; en een jaar later in hoger beroep vrijgesproken: gebrek aan bewijs, concludeerde het gerechtshof in Leeuwarden. Wetenschappelijk mocht vaststaan dat de prehistorische werktuigen vervalst waren, juridisch niet dat Vermaning dan ook de vervalser was.
De stemming in het land was het best getypeerd met deze krantenkop boven een Vermaning-reportage: 'Geleerden ”pakken” amateur'.

Zeker driekwart van de amateur-archeologen koos, al of niet in georganiseerd verband, partij voor de scharensliep uit Drenthe en tegen het geleerde establishment van Waterbolk c. s. En tot op de dag van vandaag zijn er die zich nog druk maken over Tjerk Vermaning en zoeken naar bewijs voor de echtheid van zijn oude stenen, in elk geval bewijs voor de voosheid van de geleerde beschuldiging tegen de Drentse 'praktijkarcheoloog'.

De stenen van Vermaning doen er voor de archeologische wetenschap niet meer toe. Op andere plekken vonden wetenschappers later ook stenen werktuigen van vóór de laatste ijstijd. Dus konden de Vermaning-aanhangers stellen dat hij het in elk geval (in zijn visioenen) goed gezien had dat in deze contreien Neanderthalers op mammoeten hebben gejaagd.
Tjerk Vermaning is al dood.

Tjalling Waterbolk is geen hoogleraar meer maar leeft nog wel en heeft een boek geschreven over de affaire die een groot deel van zijn wetenschappelijk leven vergalde en hem onder professoren voorwerp maakte van gesmiespel en besmuikt leedvermaak. Scherpe stenen op mijn pad, heet het.
Het is niet alleen een van-zichafschrijven geworden, maar ook een Krimi. Want Waterbolk is ervan overtuigd geraakt dat de oude stenen niet vervalst zijn door Vermaning. Het schoolgenootje uit Meppel was net als hij slachtoffer in de affaire.

Maar wie heeft hem, de wetenschap, Vermaning, de Nederlandse geschiedenis, de publieke opinie van die jaren dan wel die loer gedraaid?
Het moet Bohmers zijn geweest, de ex-nazi. Waarschijnlijk in samenwerking met zijn maatje Ad Wouters, een vanwege de erotische liefde uitgetreden kloosterling en bekend amateur-archeoloog uit het zuiden des lands. Zij hebben èn de stenen vervalst èn ze vervolgens in Drentse akkers verborgen om ze daar door Tjerk Vermaning te laten ontdekken!

Als Inspector Morse in zijn beste dagen onderzocht Waterbolk de motieven en belangen, de tijdstippen, locaties en coïncidenties, en hij weet zijn complottheorie met feiten te staven en aannemelijk te maken op den duur. Maar een bekentenis zal hij niet meer te horen krijgen. Behalve Tjerk Vermaning zijn ook Assien Bohmers, die eigenlijk Johan Christiaan heette, en Ad Wouters dood



Info op drenthe.sp.nl d.d. 30 december 2009


Vondsten Tjerk Vermaning verdienen een betere bestemming dan een doos in een archiefkast.

Het is al enige tijd geleden dat de Drentse amateur archeoloog Tjerk Vermaning geschiedenis schreef. Vermaning deed spectaculaire vondsten van vuurstenen werktuigen uit de prehistorie in de drentse bodem. Aanvankelijk kreeg hij daar brede erkenning voor. Totdat wetenschappers aan de Groningse Universiteit begonnen te twijfelen aan de echtheid van diverse vondsten.

Vermaning werd op 18 maart 1975 gearresteerd voor het vervalsen van zijn stenen. Gedeputeerde Staten van Drenthe, die eerder een groot deel van de vondsten van Vermaning opgekocht hadden, deden aangifte. Uiteindelijk werd Vermaning door het Hof in Leeuwarden vrijgesproken.
De vrijspraak leek wellicht mooi voor Vermaning, maar de strafzaak bleef een schaduw zowel over de persoon Vermaning als over zijn werk.

Binnen de archeologische gemeenschap is de affaire Vermaning lange tijd een splijtzwam gebleven. De hoofdpersonen in deze kwestie zijn inmiddels overleden of gepensioneerd. De collectie van Vermaning is diep weggeborgen, begraven in de archieven van de provincie. De vraag is echter of dat zo moet blijven.

Drenthe is bij uitstek de provincie waar de prehistorie aan de dag treedt. De hunebedden spreken voor zich. Maar ook uit langer vervlogen tijden komen in Drenthe steeds nieuwe vondsten aan het licht. In 2008 werd een Neanderthaler-kampement voor Drenthe aangetoond. In deze ontwikkeling neemt Vermaning een duidelijke plaats in.

Wat de SP betreft is het tijd om de betekenis van Vermaning voor de archeologie in de provincie opnieuw te bezien. Mogelijk is de tijd rijp voor het inrichten van een tentoonstelling in het Drents Museum over de vondsten van Vermaning. Het Drents museum met directeur Michiel van Maarseveen, staat immers boven elke discussie en is in staat de bezoeker een eerlijk beeld te geven van wat er destijds gebeurd is, voor zover bekend.

De Tentoonstelling zou moeten leiden tot een nieuwe samenwerking van APAN (Amateur archeologen) en de wetenschappers anno 2000NU. ,,Het historisch erfgoed in Drenthe is uniek’’, vindt Renee Westerhof, SP Statenlid. ,,Het is belangrijk om de schatten uit het verleden een positieve plek te geven in het heden. Met horten en stoten is die kennis over het verleden tot stand gekomen. Dat is prima. Vermaning speelde daar in het recente verleden een belangrijke rol in. Ook dat is een deel van de geschiedenis. Niks om te verdonkeremanen. Het verhaal van Vermaning is het waard om verteld te worden’’.


Info op de volkskrant.nl


Herman Brand maakt stuk over Tjerk Vermaning Schrijver in de ban van een nukkige archeoloog. Artikel van Patrick van den Hanenbert; 2009

De theatermaker Herman Brand heeft een stuk geschreven over de omstreden Drentse amateur-archeoloog Tjerk Vermaning. Tijdens het schrijven van Beroerde Gronden, dat deze week in première gaat, kreeg Brand steeds meer sympathie voor Vermaning. Gedeukte personages spelen vaker een hoofdrol in zijn werk.

De Tilburgse theatermaker Herman Brand (45) heeft een stuk geschreven over een 'licht dementerende, incontinente kleptomaan', een 'gastronomisch geperverteerde dandy', een 'stuurse marketentster' en een 'bovenzintuiglijk wetenschapper.'
Die laatste is Tjerk Vermaning, de Drentse amateurarcheoloog die dertig jaar geleden een opmerkelijke verzameling vuurstenen en vuistbijlen uit de Noordnederlandse keileem opviste, waardoor de geschiedenis van Nederland met tienduizenden jaren werd verlengd.

'Vals', oordeelden de wetenschappers van het Biologisch Archeologisch Instituut in Groningen. 'Wat weten jullie daar van, onbenullige kamergeleerden', beet de man terug, die zich met weinig gevoel voor bescheidenheid De Messias van de Steentijd noemde. Of, fraai allitererend, De Dreyfus van Drenthe, naar de ten onrechte van hoogverraad beschuldigde joodse officier in het negentiende-eeuwse Frankrijk.'Er valt niet te bewijzen dat de vondsten vals zijn, maar ook niet dat ze zuiver zijn', hield de rechter zich in 1978 weifelend op de vlakte.

En daarmee was een patstelling bereikt die voor alle kijvers onbevredigend was. De wetenschap was er niet in geslaagd om deze beunhaas definitief aan het kruis te spijkeren, en Vermaning besefte dat hij niet meer los zou komen van de associatie met Han van Meegeren, de geniale Vermeer-vervalser.
Alleen toneelschrijver Herman Brand wreef zich in de handen toen iemand hem vorig jaar bij toeval op de zaak Vermaning wees, die op 18 maart een zeker jubileum kent. Dan is het twintig jaar geleden dat de grasmaaimachineslijper werd gearresteerd.
Brand bespeurde in dit Hollandse sociodrama louter beschadigde personen.

En in alle stukken die hij voor het Tilburgse theaterbedrijf De Grootste Luxe na de KleurenTeevee heeft geschreven of bewerkt, spelen gedeukten en bekrasten de hoofdrol. Zoals de man die als blokhoofd van de Burgerbescherming zijn hele leven paraat heeft gestaan met emmer, schop en handspuit, maar die telkens wordt gepasseerd door politie, brandweer en GG en GD als er werkelijk iets aan de hand is. Of de exhibitionist uit Jagen op Zondagmorgen, of de travestiet uit Trafo. Voor Brand is elk onderwerp geschikt, als er maar drama en passie in gestopt kan worden. 'Ik schrijf net zo makkelijk over kut als over kanarie.'

In Beroerde Gronden zijn Tjerk, zijn vrouw Grada, de professor en zijn assistent tot elkaars gezelschap veroordeeld op 'de oneindige keileem van de na-tijd.' Er wordt gebakkeleid, vindingrijk en geestig gescholden, rekeningen worden vereffend, maar echte communicatie is er niet. Vermaning zet zich pathetisch af tegen de ongrijpbare instellingen en instituten. Hij heeft zich opgewerkt van straatarme analfabeet tot praktijkdeskundige en ziet zijn wereld instorten: 'Die maalstroom van boekenstront en jaloezie, die verkalkende gewoonte neer te kijken op de gewone man, heeft me overboord gezet. Mij. Verdwenen. Alles is weg. Kom je in 't vaarwater van kerken, justitie, wetenschap? Geen anker houdt je op de rede.'

Net als destijds in de rechtzaal en in de media praten de vier gevangenen van hun eigen fixaties volkomen langs elkaar heen. Voor Brand is dit een waarheidsgetrouwe weergave van de manier waarop de meeste mensen met elkaar omgaan. Ze lijken op elkaar te reageren, maar in feite houdt iedereen monologen. 'Als iemand op een verjaardagsfeestje over behangen begint, is dat voor de volgende aanleiding om breed uit te meten over postzegels plakken. Zo halen mensen bij elkaar het motief weg om zich te uiten. Treurig en komisch tegelijk.'

Tijdens het schrijven heeft Brand steeds meer sympathie gekregen voor de nukkige Vermaning. Hij raakte zelfs zo in de ban van het onderwerp dat hij tijdens een wandeling door de Drunense Duinen visoenen kreeg van allerlei oudheidkundige vondsten onder zijn voeten. Toch beschouwt hij het stuk niet als een rehabilitatie. Daarvoor is de fictie te ver verwijderd van de werkelijkheid. Hij heeft tijdens zijn research met opzet geen contact gezocht met de erven Vermaning. Die zijn pas tevreden als er in Assen een Vermaning-standbeeld is opgericht aan de Tjerkweg.

Voor de financiering van het project klopte De Grootste Luxe met succes aan bij het Fonds voor de Podiumkunsten. Van de vele tientallen aanvragen werden er vorig jaar vijf gehonoreerd. Brand beseft dat niet alleen de goede naam van het gezelschap in het kleine zalencircuit en het aardige idee het Fonds tot gulheid hebben bewogen, maar ook de kritiek op het Fonds dat men zich in het verleden te veel heeft gericht op de theateractiviteiten in de grote steden in het Westen des lands.

Ondanks het dringende advies van Jules Deelder, met wie Brand een tijdlang in het circuit van de wilde performing poets verkeerde, om naar de Randstad te komen, heeft Brand geen enkele behoefte om uit Brabant weg te trekken.
'Ik ben straatveger geweest in Den Haag en zanger in een vaudeville-band. Ik ken de steden van Europa en ben in Tilburg blijven hangen nadat ik hier mijn opleiding tot docent tekenen en handvaardigheid heb gevolgd.

Als duffe ambtenaren en arrogante kunstenaars, die met veel geld allerlei bullshit neerzetten, neerkijken op de provincie, dan is dat hun probleem. Laat mij nou maar lekker in Tilburg zitten en spraakmakende kleinschalige produkties maken. Beroemd hoef ik echt niet te worden. Succes roept alleen maar akelige tegenkrachten op. Zo houd ik in ieder geval mijn beide benen aan mijn lijf.'


Tjerk kapt een megalosaurus uit lindehout.Zijn dochtertje kijkt toe


'Stenen zoeken in het Post-Vermaning tijdperk'


‘Stenen zoeken in het post-Vermaning tijdperk’ is een documentaire uit 2003 van RTV-Drenthe.

Hij werd gemaakt na de publicatie van het Waterbolkboek ‘Scherpe stenen op mijn pad’ en vlak voordat Eemster hernieuwd werd vals verklaard. De film duurt 22 minuten.

De documentairemaker Hielke Meijer volgt een gedreven Henk Geertsma met de camera op diens zoektochten langs groeves en in het veld. In de groeve ‘Een’ doet Henk een leuke vondst op de overgang keizand/keileem. Hij vindt er een forse typische midden paleolithische steelschrabber op afslag. Deze ‘verse’ vondst speelt een aardige rol in het vervolg van de film.
Meijer heeft in zijn film oude opnamen van wijlen Vermaning en zijn vrouw Grada verwerkt, maar ook van wijlen dr. A. Bohmers. Hun uitspraken worden geplaatst naast die van prof. dr. Waterbolk en prof. dr. W. Roebroeks.

In deze ingetogen documentaire laat Hylke Meijer zien dat hij redelijk op de hoogte is van de affaire Vermaning en dat hij niet langs platgetreden paden de zaak benadert, maar dat hij met lef de wetenschap confronteert met hun standpunten en die van de amateurs. Dat de beide profs dit niet altijd even leuk vinden blijkt uit hun lichaamstaal. Prof. Roebroeks is wat dat betreft een open boek, vooral wanneer Meijer hem de steelschrabber van de groeve ‘Een’ wil laten zien.

Het merkwaardigste wat daarmee te maken heeft is dat prof. Roebroeks de noordelijke amateurs oproept om vooral bij groeves te gaan zoeken, gelijk hij deed in Limburg en wat hem de concentratie de Belfédère opleverde. Zou hij echt niet weten dat de noordelijke amateurs dit al decennia lang doen en dat dat geresulteerd heeft in de officiële ROB opgraving in december 1988 aan de rand van de groeve Schuilenburg? Zou hij ook niet weten dat daar het begrip ‘incerto facto’ geïntroduceerd werd?

In de film maakt prof. dr. Roebroeks duidelijk dat onderzoek naar de Oude Steentijd van ons land hem niet interesseert, want hij stelt dat het niet in zijn programma past en dat hij leukere (!) dingen te doen heeft. (K.G.)

Met dank aan RTV-Drenthe en Hielke Meijer voor het verlenen van het gebruiksrecht van de documentaire 'Stenen zoeken in het post-Vermaning tijdperk', aan de APAN. ©2003 RTV-Drenthe


Bekijk hier de documentaire ‘Stenen zoeken in het post-Vermaning tijdperk’


Voor meer info over archeologie in Noord Nederland klik hier voor de webstee apanarcheo.nl





© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl