In en om Assen





De Torenlaan; statige bedrijvigheid


Bronvermelding:
Tijdschrift van de Asser Historisch Tijdschrift; Een artikel van Bernd Otter


De Torenlaan omstreeks 1918


Je was er als bewoner omringd door bedrijven

Een statige woonstraat, maar toch vol bedrijvigheid. Dat was de Torenlaan in de jaren '50 en '60. In ben er in 1953 geboren en heb er mijn 'halve leven met plezier gewoond. Het zag er dertig uit, maar daar viel wel wat op af te dingen. Aan de Torenlaan woonde je op stand, want het was toch die 'grande allee': in 1810 aangelegd om de Brink in mooie rechte lijn met het Asser bos te verbinden, maar pas een kleine eeuw later bebouwd. Met zijn parallelwegen en zijn zware kastanjebomen, die om en om paars en wit bloeiden had de straat allure. Toch was je er als bewoner omringd door bedrijven.

Dat begon met de drukkerij. De Provinciale Drentsche en Asser Courant werd er gemaakt en dat gaf een hoop leven in de brouwerij. Zelfs op zondag, want dan lagen de voetbaluitslagen in de etalage waar anders de nieuwste krant te lezen was. Soms kwam het er tot felle discussies. Vrachtwagens met enorme rollen papier kwamen regelmatig voorrijden en dan stond de jeugd er met de neus bovenop om te zien hoe die gevaarten in de kelder van de drukkerij verdwenen. De mensen van de drukkerij ondertussen doodsbenauwd dat zo'n rol aan de rol zou gaan

En in de zomer was het een drukte van belang aan de andere kant van de straat: nu stadspark, maar toen Jeugdverkeerspark De Gouverneurstuin. In de tijd van de schoolreisjes stond de straat vol bussen en moest 'politie Brink' extra hard van de verkeerstoren schreeuwen dat 'nummero elf toch vooral zijn hand moest uitsteken'. Slechts een haag met wat prikkeldraad scheidde onze tuin (nummer 5) van de aanlokkelijke trapautootjes. En die knetterende blauwe politiewagen. En niet te vergeten de scootertjes die op echte benzine reden, maar waar ik nog te jong voor was.


Het 'snoepwinkeltje' van de gezusters Veenstra

Die haag had uiteraard een gat waar we met gemak door konden. Dat het politiebureau op een paar meter afstand zat, maakte het extra spannend als we weer eens illegaal het verkeerspark binnen kropen. En was je daar uitgekeken dan ging je naar de distilleerderij van E.A. Smidt. Wij zeiden Hooghoudt, want zo heette de eigenaar. Hooghoudt had een slijterij in een kelder aan het begin van de straat (officieel was dat al Brink). Daar verkocht hij vieux, jenever en brandewijn, die een paar huizen verderop werd gestookt. Nu kun je er eten, maar toen hing er een heel andere lucht. Als het een beetje mooi weer was stonden de dubbele deuren open. Dat was voor de jeugd van de straat het sein om die vreemde alcohollucht eens van naderbij te onderzoeken. Erg welkom waren we er overigens niet.

En dan had je de expeditieingang van warenhuis Thomas, de winkel aan de Marktstraat. De gebroeders Thomas woonden met hun gezinnen naast elkaar aan de Torenlaan. De inrit bij hun huis was tegelijk de expeditie voor het warenhuis en daar werd heel wat verkocht, getuige de vele vrachtwagens die kwamen lossen. Verderop aan de Torenlaan, nog voorbij de drukkerij, had je De Moriaan, een café, maar je kon er ook slapen. Voor de jeugd in de straat was het zo ongeveer het middelpunt van de wereld, want daar kwam altijd wel volk over de vloer. Het was de vaste stek van de rijschoolhouders, want daar deed je theorieexamen. En het was clubcafé voor heel wat Asser verenigingen.

Vlak voor de TT kwam er een groot bord op de gevel te hangen: TT-bureau. Dat betekende dat de motorcoureurs hun wagens vol reclame in de straat parkeerden om zich in te schrijven voor de races. Op de hoek van Torenlaan en Kerkplein stond ook een belangrijk instituut: het postkantoor: een wat donker en statig pand met een mooie deur. Intrigerend waren de 'strepen' tussen de bakstenen en de geglazuurde tegeltjes. Maar liever liep de jeugd uit de straat nog even verder naar het 'snoepwinkeltje' van de gezusters Veenstra op de hoek van Kerkplein en Zuidersingel. Je kon er vast veel meer kopen, maar dat was voor ons als minderjarigen niet van belang.


De reclasseringsambtenaar verstopte zich in het 'pishok'.

Je kunt je nu nauwelijks meer voorstellen dat naast het postkantoor nog twee pandjes stonden voor je bij de Zuidersingel kwam. Tussen het winkeltje en het postkantoor deed kapper Kuil zijn werk. Bij het snoepwinkeltje was steevast de vraag of je wat uit de doos van een stuiver of die van een dubbeltje wilde. Die doos werd dan gepresenteerd als een ware schatkist. Je voelde je de koning te rijk als je kon zeggen 'graag de doos van een dubbeltje, mevrouw ' Op de andere hoek - met de Kerkstraat -verkocht Strabbing sigaretten, maar daar kregen we pas later belangstelling voor.

Zelf heb ik nooit goed begrepen hoe mijn vader het had geregeld dat wij in zo'n mooi herenhuis (anno 1904) mochten wonen. Met stucplafonds van meer dan vier meter hoog en een souterrain, waar je de dienstboden bij wijze van spreken nog zo aan het werk kon verwachten. Met een etenslift in de kast en een 'spreektoeter' voor de onderlinge communicatie. De enorme kamer-en-suite, de fraaie schuifdeuren en de betegelde hal vergoedden ruimschoots het gemis van een douche en een fatsoenlijke keuken. Op stand, zo voelde dat toch wel. We woonden per slot van rekening tussen warenhuisdirecteuren, tandartsen (Zwaag en Rodermond), een notaris (Klaucke), een dokter (Bosselaar), een dominee (Germs) en de directeur van een trappenfabriek (Gjaltema).

En als het zo uitkwam hoorde de Brink ook bij 'onze buurt' met de directeur van een palletfabriek (Faber) en de directeur van een aardappelgroothandel (Groenhof). Toch was het een heel gemêleerd gezelschap dat in die tijd de Torenlaan bewoonde. Zo was er op nummer 3 boven ons een pension met allerhande gasten. De meest opvallende was meneer Demmers, reclasseringsambtenaar, maar meestal 's nachts actief. We waren een beetje bang van hem, want hij verstopte zich nog wel eens in het 'pishok' tussen het verkeerspark en het postkantoor. Het stonk daar altijd vreselijk. Op weg naar school deden we altijd onze neus dicht, maar als je je moest verstoppen was het een ideale plek.



Het theehuis van het verkeerspark werd het jongerencentrum; Rask

Van mijn moeder kreeg ik het dringende advies daar uit de buurt te blijven, want 'daar gebeurden rare dingen'. Wat ik me daar bij voor moest stellen vertelde ze er niet bij, zódat je het net zo spannend kon maken als je zelf wilde. In werkelijkheid viel het nogal mee, al heb ik meneer Demmers heel lang valselijk verdacht van vreemde neigingen. Hij kwam nog wel eens met open gulp uit het pishok en dat vond ik vreemd. Hij woonde immers boven ons, dus kon hij ook best naar zijn eigen WC. Later bleek het gewoon een heel aardige man, die slecht in slaap kwam. Maar dat wisten we toen nog niet. Dominee Germs was net Sinterklaas met zijn lange witte baard. Op weg naar school ging regelmatig zijn raam op de bovenverdieping open om wat snoepjes naar beneden te gooien.

Het was een soort investering, want we waren daardoor extra actief bij het verzamelen van zilverpapier. Waarvoor hij dat nodig had wisten we toen niet, maar we leverden het braaf bij hem af. Germs was in die tijd predikant van Veenhuizen, zo hoorden we later en het zilverpapier was voor de missie. Aan tandarts Zwaag - zijn praktijk was waar nu het naar het vroegere hotel genoemde restaurant De Moriaan zit - hadden de kinderen van de Torenlaan grondig de pest. Wat had die man een grote handen.... Een stuk straatmeubilair dat de tand des tijds heeft doorstaan is de reclamezuil voor het oude postkantoor. In mijn herinnering kondigde die bijna elke maand wel een ander circus aan, maar dat zal wel niet.

Toen het verkeerspark was verhuisd werd het weinig rustiger. Het theehuis van het verkeerspark was blijven staan en deed - geheel geblindeerd - dienst als jongerencentrum: Rask. De tijd van hasj en marihuana was ook voor Assen aangebroken. Notaris Klaucke kon slecht tegen zijn nieuwe achterburen met die harde muziek. Hij schafte zich een gong aan als tegenwicht. Het verkeerspark zelf veranderde snel in een wildernis, die door zijn centrale ligging en weelderige plantengroei even snel werd uitverkoren als ontmoetingsplek voor de Asser homo's. Er werd danig schande van gesproken, al had niemand er echt last van.


Met kettingzagen werd in een mum van tijd een einde gemaakt aan de trots van de Torenlaan.

De buurtjeugd had er een pracht van een speelplek aan met een vijver om op te schaatsen en een overgebleven stuk asfalt van het verkeerspark om te rolschaatsen. En natuurlijk het nephunebed als plek voor stiekeme afspraakjes. Dankzij een actiecomité is de oude tuin een park geworden in plaats van een parkeerplaats of de plek voor een nieuw provinciehuis. Maar de verontwaardiging komt nog steeds naar boven als ik terugdenk aan die ochtend dat de zware kastanjebomen werden geveld. Met kettingzagen werd in een mum van tijd een einde gemaakt aan de trots van de Torenlaan. Ik was te jong voor een actiecomité, maar nog bekruipt me de woede. De bomen waren ziek zeiden ze.

Maar het waren wel de bomen die de straat tot de mooiste van Assen maakte en ook de bomen die elk jaar zorgden voor een deken van pluisjes, waar we als straatjeugd dagen mee konden spelen. Sindsdien leidt elke boom die er gepoot wordt een kwijnend bestaan en zijn de meeste woonhuizen kantoren geworden. De pogingen om de Torenlaan in oude luister te herstellen geven wat hoop, maar zolang die kastanjes niet terug zijn hou ik het liever bij mijn herinneringen.


De Torenlaan anno 2010 (foto Sietse Kooistra)


Straatnamen in Assen

Op 23 juni 1948 startte de Provinciale Drentsche en Asser Courant met het rubriekje ‘straatnamen in Assen’. Hier een beschrijving van de naamgeving van de Torenlaan:

Na het verkrijgen van een zelfstandig bestuur in 1807 is Assen met rasse schreden vooruitgegaan en zo kwam in 1809 onder meer de Torenlaan gereed. Reeds bij de aanleg van het stadsbos in 1780 bestond het plan om de Hoofdlaan, die recht op de toren der kerk (het tegenwoordige gemeentehuis) was gericht, door te trekken tot de Brink. Maar om dit plan te kunnen uitvoeren moest men van particuliere tuingronden aankopen alsmede het huis van J. W. Tabingh, staande aan de Brink. Deze was echter niet tot afstand te bewegen. Met het oog op zijn hoge ouderdom, hij telde ongeveer 70 jaren, hield het plan aan, in de hoop om later met zijn erfgenamen tot een overeenkomst te komen.

Doch Tabingh bereikte de ouderdom van bijna 100 jaar en stierf in oktober 1808. Inmiddels was het bos domeingoed geworden en nam het Rijk het plan tot doortrekking van de hoofdlaan op zich. Van de erven Tabingh en andere eigenaren werden de vereiste gronden en een stuk van het huis in het laatst van 1808 en begin 1809 aangekocht, waarna met de aanleg van de laan spoedig een aanvang werd gemaakt. Voor de ophoging der lage terreinen werden werklieden uit Groningen ontboden.

De nieuwe laan werd met populieren beplant die echter in 1834 voor f 600,00 werden verkocht, waarna zij vervangen werden door beuken. De naam van de laan is gemakkelijk af te leiden en vindt haar oorsprong in het thans nog bestaande torentje op de oude kerk van het oude klooster, waarin thans enkele afdelingen van onze gemeenteadministratie zijn onder gebracht.






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl