In en om Assen





De Tuinstraat


Bronvermelding:
Asser Historisch Tijdschrift; nummer 1 / juni 2002. Een artikel van Wander Bebingh


Buurvrouwen van de Melkweg in Assen hebben een gezellig onderonsje. Zeker in dit soort huizen, waar de allerarmsten van de stad terechtkwamen, was men net als op het platteland aan het begin van de jaren twintig nog sterk op de hulp van de naobers aangewezen. De naam Melkweg werd later veranderd in Tuinstraat. De huizen werden in de loop van de jaren zestig afgebroken. (fotoarchief DMA)


De werkverschaffing

In 1928 – toen ik geboren werd – heette de Tuinstraat in Assen-Oost nog de Melkweg. De straat was onderdeel van wat het Blauwe Dorp werd genoemd. De Melkweg was oorspronkelijk een zijpad van de Steendijk. Ze zeggen dat het zo genoemd is omdat het door de boeren gebuikt werd als ze gingen melken. Een feit is dat ik er geboren ben en er mijn jeugd heb doorgebracht.

Het was een arme buurt met – zoals toen meestal het geval was – grote gezinnen. Er woonden eerlijke, hardwerkende mensen. In die jaren was er veel werkloosheid en de banen lagen niet voor het oprapen. Kwam je zonder werk dan werd je verwezen naar de werkverschaffing. In de praktijk betekende dat meestal met de schop woeste grond (meestal een heideveld) omspitten.

Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. Als je dat weigerde, dan was er voor het gezin geen inkomen en dus geen brood op de plank. Een arbeider verdiende 10 tot 12,50 gulden per week. Het was meestal akkoordwerk, dat wil zeggen hard en zwaar werken. Was de oudste van het gezin van school af en verdiende hij bijvoorbeeld als loopjongen een rijksdaalder per week, dan mocht de vader één dag niet naar de werkverschaffing, omdat men het anders te breed zou hebben.


De Vredeveldseweg was een zandweg

In die tijd was de Tuinstraat nog niet verhard, al was met zogenaamde hoogovenslakken wel een poging gedaan om het een beetje begaanbaar te maken. Langs de Tuinstraat liep een moddersloot. Daar ging onze hond vaak op rattenvangst. Haaks op de Tuinstraat liep de Vredeveldseweg. Vanaf de Violenstraat tot de Vredeveldseweg was helemaal geen verharding, behalve voor de deuren van de rode woningen. Daar lag een stukje stoep. De huizen zijn in 1923 gebouwd en in 2000 afgebroken.

De Vredeveldseweg was een zandweg en liep vanaf de Oosterparallelweg tot waar nu een stukje fietspad richting Anreep ligt. Voor de genoemde rode woningen was toen een stuk grasland, waar boer Tebbertman zijn koeien liet grazen. Dat weiland was vroeger zo’n 90 centimeter hoger, maar is destijds met de schop en met hulp van smalspoor en karren verlaagd. Met het zand werd via de Violenstraat een veengat – Het Veentje – gedempt. Dat veengat lag tussen de Ericastraat (nu Pelikaanstraat), de Resedastraat, de Violenstraat en de Dahliastraat, dus omzoomd door vier straten.

Het lag pal voor buurthuis De Poort, dat nu is afgebroken. Op dit veentje hadden de ‘Blauwe Dorpers’ ’s winters hun schaatsplezier. Daar ontmoette de jeugd elkaar. Dit veentje was vrij diep. Zo kan ik mij herinneren dat daarin een meisje van de familie Sikkema verdronk. Die woonden aan de Violenstraat. De tuin van dat huis liep tot aan het ‘veentje’. Dergelijke gebeurtenissen vergeet je nooit meer.


De SS’ers schoten op ons

Op het eind van de Vredeveldseweg woonden de families Albert Broekman, Harm Tebbertman, J. Ebels, Jan Bos en op het eind de familie Mulder.  Om mij niet bekende reden woonde Mulder er tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog niet meer, maar was er een deel van de Waffen SS gehuisvest. Die gasten kwamen geregeld langs ons huis.

De avondklok verbood dat je na acht uur op straat kwam, maar daar hielden we ons niet aan. Een keer, toen de SS’ers langs kwamen, zeiden ze dat we naar huis moesten. Omdat wij voelden dat de oorlog ten einde liep, werden we onverschillig en zeiden dat ze de pot op konden. Ze trokken hun pistool en schoten op ons zonder ons overigens te raken. Wij wisten niet hoe snel wij naar binnen moesten gaan. Lachend gingen de dappere lafaards hun weg.


Het sparrenbos leek een kerkhof

Het was ook in die tijd dat de bevolking geen brandstof voor hun kachels konden krijgen. Het bos van hakhout en dennen bestond toen nog. Het heette, net als nu nog, Sluisdennen. Mondjesmaat begon een enkeling daaruit een sparrenboom op navelhoogte af te zagen. Dit gebeurde meestal ’s avonds. Van lieverlee (en nog begrijp ik niet dat daar niet tegen werd opgetreden) kwamen er steeds meer mensen die uit nood ook begonnen met zagen en kappen.

Het was niet te geloven. Kruideniers, kappers, postbodes, iedereen was met sleden, karren, fietsen met of zonder massieve banden, gekomen om hout te halen. Dat sparrenbos was zeker 20.000 vierkante meter groot. Maar in korte tijd leek het op een kerkhof. Toen alle bomen eraf waren, begon men met de stronken. Zodra deze eraf waren, rooiden de meer geroutineerden de stobben.



Voetballen tegen het Rode- of Witte dorp

Achter het sparrenbos was een open veld. Dat was het ‘heideveldje’. Op het heideveldje speelden wij vaak voetbal tegen het ‘Rode Dorp’ of het ‘Witte Dorp’. Meestal gebeurde dit op de woensdagmiddag. De speeltijd was geen twee keer 45 minuten, maar bijvoorbeeld vanaf twee uur totdat het donker werd. Het ging dan vaak om het winnende doelpunt. Maar meestal waren bij deze ‘officiële’ wedstrijden de doelen van ter plaatse gekapte bonenstokken. Waren die niet voorhanden dan gebruikten we jassen. Pauzes hielden we niet, want achter het veldje was een sloot met helder water.

Liggend op de buik dronken we daar water. Ik herinner mij dat er kleine worpjes tijdens het drinken kronkelend naar de bodem gingen, maar ziek waren we nooit. De meeste voetballers speelden op klompen. Nu was mijn vader klompenmaker en voordat we gingen voetballen ging ik naar onze klompenzolder en zocht dan stiekem de lichtste klompen uit. Je was dan sneller, maar de kap knapte er ook sneller af. Thuis gekomen sloop ik dan naar de zolder en zette de klompen weer tussen de andere. Meestal betekende dit uitstel van een flink pak voor de broek.


Het landgoed Valkenstijn

Tegen Sluisdennen aan lag het landgoed Valkenstijn. Om dit kasteeltje (ik weet nog heel goed dat het er stond) lag een gracht. We noemden die de Kransgracht, naar een voormalige bewoner van Valkenstijn; Louis Krans. ’s Winters gingen wij, zodra het ijs hield, op de gracht schaatsen. Vader maakte de schaatsen scherp met een vijl. Het waren zogenaamde houtjes met een eikeltje voorop de schaats. Maar voordat er geschaatst kon worden moest meestal eerst een baan worden gemaakt.

De benodigde bezems werden dan ter plaatse gemaakt van berkentakken en bonenstokken. Vaak waren ook de ouders aanwezig. Die namen het sneeuwruimen dan voor hun rekening. De gracht lag niet geheel rond het huis maar vlakbij was een soort draaikom. Vandaar keerde men dan weer terug. Indertijd werd Valkenstijn bewoond door de familie Bos, die daar opslag had van afval van het slachthuis. Er waren dan ook zwermen meeuwen en er hing een zeer onaangename geur. Het Kranspadje en gedeelten van de gracht zijn nog aanwezig. Ook het terrein met het graf van Van Valkenstijn heeft men gespaard.

De oprijlaan, echter zonder de grote bomen en de hekpalen die toegang gaven tot Valkenstijn zijn gespaard gebleven. Het is erg jammer dat het huis is gesloopt. Veel ex-bewoners van ’t Blauwe Dorp’ denken er zo over. Ze hadden onderling een sterke band en hebben dat nog steeds. Ook bij een spaarzame ontmoeting kan men uren herinneringen ophalen over die toch wel dierbare jeugd, ondanks dat er toen weinig mogelijkheden tot vermaak waren.


De Tuinstraat (kijkend richting Rodeweg) anno 2011


Foto Sietse Kooistra





© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl