In en om Assen





Turf als crisisproduct


In de jaren twintig verschenen foto's die het ellendige leven van de 'keetbewoners' illustreerden in vrijwel iedere Nederlandse krant. Vele jaren lang bepaalde dit soort beelden min of meer het gezicht van Drenthe. Dit gezin woonde half onder en half boven de grond (Gem. Emmen).


De Landbouwcrisiswet

De 'Wall Street Crash', de ineenstorting van de beurs van New York, was ook voor Drenthe de aankondiging van een langdurige economische crisis. Overal in Nederland nam het aantal werklozen snel toe: eind 1930 3,4% van de beroepsbevolking, eind 1933 12,8% van de beroepsbevolking, eind 1935 15,6% van de beroepsbevolking, eind 1936 17,5% van de beroepsbevolking. De klap kwam in Zuid-Oost Drenthe extra hard aan. Binnen korte tijd werd het werk in de venen gehalveerd. Waren er in 1930 toch nog zo'n 6000 arbeiders werkzaam in de veenderijen van Emmen, in 1937 was dit aantal geslonken tot circa 3000 man. De structurele problemen van dit gebied werden wurgend. De productiecijfers spreken boekdelen: er werden in 1934 17400 dagwerken turf geproduceerd wat nog niet de helft was van de productie over het jaar 1927

En dan te bedenken dat de productiecijfers een nog veel te florisant beeld schetsen. De verkoopcijfers, die veel lager waren, geven een beter overzicht: in 1934 werden er 15300 dagwerken turf verkocht. De verveners, voor een groot deel verenigd in de Federatie van Nederlandsche Vervenersbonden gevestigd te Emmen, trokken aan de bel. Het water stond ze tot aan de lippen. De enige uitweg voor de veenderij was een accute kostenverlaging van transport en productie oplopend tot 40%. Dit was uiteraard onmogelijk en daarom, zo vonden de verveners, moest de overheid de veenderij financieel gaan steunen. De 'Commissie tot Bevordering van de Regelmatige Vervening', opgericht in 1929, reageerde met het rapport 'Memorie inzake de mogelijkheid van herstel van het veenbedrijf in de Provincie Drenthe en Overijssel'.

In het rapport werd de verwachting uitgesproken dat bij een subsidie van 25 gulden per dagwerk fabrieksturf de verkoop op zou lopen tot 42000 dagwerk! Blijkbaar geloofde men nog steeds in het Turf als crisisproduct. De steunaanvraag van de verveners werd serieus genomen. Op 24 en 25 juli 1933 werd er een excursie door het veen georganiseerd voor leden van de Tweede Kamer. Enkele maanden later, in november, werd de aanvraag in de Kamer behandeld. Hulp moest er komen, dat was duidelijk. Uiteindelijk werd besloten de veenderij te subsidiëren binnen het raamwerk van de landbouwcrisiswet Hiertoe ging Minister Verschuur op 13 maart 1934 accoord met een pakket steunmaatregelen voor het veenbedrijf. Uitgangspunt hierbij was dat de prijs van fabrieksturf kunstmatig omlaag gebracht werd tot op het prijsniveau van steenkolen.


Telkens wilden de verveners de lonen weer verlagen

Dit betekende dat de verkoopprijs van de turf onder de productieprijs kwam te liggen. Het verschil werd dan door de subsidie aangevuld. Zodoende kostte 11000 kg turf de verbruiker ongeveer 40 gulden, een prijs die overeenkwam met de hoeveelheid energie die de fabrieken voor ƒ 40,— uit kolen kregen. Uiteraard was er een aantal voorwaarden aan de overheidssteun verbonden: oude voorraden werden niet gesubsidieerd, fabrieken welke 'goedkope' turf wilden afnemen moesten dat van tevoren kenbaar maken, de maximumproductie mocht hooguit tachtig procent van het gemiddelde van de jaren '29 -'31 bedragen en de regeling moest uitgevoerd worden door de op te richten 'Nederlandse Turf Centrale'. . Bij Koninklijk besluit vanaf 11 april 1934 werd turf een crisisproduct. Per 4 mei werd de Stichting Nederlandsche Turf Centrale in het leven geroepen onder voorzitterschap van Mr. Dr. R.H. baron de Vos van Steenwijk

Sinds het slecht ging met de verkoop van turf, vanaf 1920, waren de lonen onder druk komen te staan. Zowel vervener als veenarbeider hadden zich georganiseerd om zodoende een betere onderhandelingspositie in te nemen. De verveners waren verenigd in een 'Federatie' en onderhandelden collectief over de te betalen lonen. Om hoeveel georganiseerde werkgevers het ging mag blijken uit onderstaand staatje van mei 1938:

Barger Oosterveen 57
Ros winkeler veen 25
Valthermond 30
2e Exloërmond 7
Emmererfscheidenveen 32
Emmercompascuum 5
Bargercompascuum 15
Nieuw-Weerdinge 23
Niet onder te brengen 115

De werknemers waren veelal aangesloten bij één van de drie arbeidersbonden; de Moderne, de Christelijke of de Katholieke Bond. Het loonoverleg tussen werkgevers en werknemers vond meestal plaats in april, omdat de nieuwe tarieven moesten ingaan per 1 mei. De onderhandelingen stonden gedurende de gehele interbellum in het teken van de neergang van het veenbedrijf. Telkens wilden de verveners de lonen weer verlagen en gaven de arbeiders gedeeltelijk weer toe. Een goed voorbeeld hiervan waren de gesprekken voor het seizoen 1924, waarbij de arbeiders eisten dat de lonen gelijk bleven aan '23. De werkgevers daarentegen stonden op een loonsverlaging van 30%! Uiteindelijk vonden de partijen elkaar in een compromis wat een 20% loonsverlaging inhield


De eerste plaggenhutten in Zuidoost-Drenthe waren bedoeld als tijdelijke huisvesting van de veenarbeiders. Waar ze in het seizoen werk vonden, bouwden ze op het bovenveen een woning van plaggen en wat afgedankt hout van de veenbaas. De hut zou later weer worden afgebroken als het perceel 'aan snee' kwam (Gem. Emmen).


Zes maanden lang 11 uren werken per dag

Lonen, arbeidsomstandigheden en de secundaire arbeidsvoorwaarden werden steeds weer duidelijk geformuleerd en vervolgens gepubliceerd in jaarlijkse CAO-boekjes. Deze boekjes geven een goed gedocumenteerd overzicht van de werkdag van een arbeider. Ook vinden we de loonafspraken, niet alleen in geld maar ook in natura, zoals het recht van vrije haardbrand of in tegenovergestelde zin de plicht om zelf bakwagens (kruiwagens) aan te schaffen. Naarmate de crisis de veenderij in een steeds toenemende wurggreep hield groeide de werkloosheid. Middels diverse sociale afspraken tussen werkgevers en werknemers probeerde men de werkloosheid te verminderen Zo vermeldden de CAO-boekjes na 1930 de invoering van de beperking op gezinsarbeid tot twee personen voor het steken van turf en maximaal drie voor het drogen en laden van turf.

En de werkdagen? Die waren lang. De werkuren lagen voor het hele jaar vast:

Werkuren voor mannen in het Barger Oosterveen

1 febr. - 1 mrt. van 7.00 - 15.30 u.
1 mrt. - 1 apr. van 6.00 - 16.00 u.
1 apr. - 1 okt. van 5.00 - 16.00 u.
1 okt. - 1 nov. van 7.00 - 15.30 u.
1 nov. - 1 dec. van 7.00 - 15.00 u.
1 dec. - 1 febr. van 8.00 - 15.00 u.

Uiteindelijk komen we op de vraag wat een veenarbeider dan eigenlijk verdiende en wat de crisis voor effect had op de ontwikkeling van de lonen. Wanneer we de gegevens uit de CAO-boekjes distileren en rubriceren, dan krijgen we het volgende overzicht:
(Bron: Tarief van arbeidslonen in het veenbedrijf Barger-Oosterveld 1938 - 1939. Archief Rahder, no 171. Rijksarchief in Drenthe)

Bij het Iaden van groote turf 45 cent per dagwerk.
Bij het laden van groote turf van 40 cM lengte en van kleine turf, 10 cent per dagwerk.
Bij het laden van bolsterturf 0.7 cent per kubieke meter
In de kleine en grauwe turf zal voor iedere 30 M. en voor de scherpe turf 25 M. verder een bijkruier worden gegeyen.
Voor bijkruien groote turf wordt betaald f. 0 82 per dagwerk.
Voor bijkruien kleine turf wordt betaald f 0.71 per dagwerk.
Voor bijkruien bolsterturf wordt betaald 1.35 cent per kubieke meter. De ladersploeg is verplicht de verladen turl dadelijk op te zetten tegen uitbetaling volgens tarief.
De vreemde arbeiders zijn mede verplicht om de beurt bij te kruien.

Het Iadersgeld bedraagt:
Voor de groote zwarte turf per dagwerk f. 4.40
Voor de groote zwarte turf van 40 cM. lengte per dagwerk f. 4.10
Voor zwarte, blauwe en dergturf per dagwerk f. 3.37
Voor kleine turf en lichte dergturf per dagwerk f. 3.90 per dagwerk
Voor zware stukkende blauwe en dergturf per dagwerk f. 3.90

De tendens spreekt voor zich; de arbeider moest rigoreus inleveren. Uiteraard gingen de loonsverlagingen niet zonder strubbelingen gepaard. Een goed voorbeeld hiervan was het jaar 1938. In het voorjaar kwamen de partijen bijeen om een nieuwe CAO op te stellen. De arbeiders kwamen echter met een eis tot loonsverhoging van 10%. De werkgevers weigerden met het argument dat de te kleine winstmarges een verhoging van de lonen niet toelieten. Door beide partijen werd om een arbitraire beslissing gevraagd van het Rijk. Uiteindeliji werd prof. mr. I.B. Cohen als arbiter aangewezen, die na onderzoek concludeerde dat een verhoging niet 'doenlijk'was waarna hij de werkgevers in het gelijk stelde.


Politiek Nederland zette de Drentse arbeiders onder druk

Koortsachtig werd er gezocht naar verhoging van de afzet van turf. Allerlei initiatieven werden ontwikkeld, zoals het verbeteren van de turfstrooiselfabrieken, het stimuleren van puritfabrieken, en het ontwikkelen van een turfgestookte electriciteitscentrale. Het verbeterde de afzet, maar niet de werkgelegenheid. Duizenden werklozen zonder uitzicht op een betere toekomst. Hoop was er nog steeds, maar het leverde zo weinig op. De enige oplossing, zo leek het, was het verplaatsen van de overtollige arbeiders naar andere streken. Vanuit deze gedachte ontwikkelde het Drents Landbouwgenootschap in de jaren 1926-1936 plannen om overbodig geworden veenarbeiders naar industriecentra te laten migreren

Ook moedigde zij emigratie aan, waarop mensen vertrokken naar landen als Canada, Frankrijk, België en Duitsland. Emigratie was eigenlijk geen succes, alleen Duitsland bleek in staat de migranten een goede toekomst te bieden(?). De binnenlandse migratie wierp meer vruchten af, hoewel we ook hier niet van een succesvol gebeuren mogen spreken. Een groot aantal arbeiders vertrok naar: Ede (kunstzijdefabriek) Eindhoven (Philips) Witteveen (landbouw) Limburg (mijnen) Twente (textiel) Zuiderzeewerken en Wieringermeer Midden Nederland. In totaal verlieten zo'n 10.000 mensen het Drentse veengebied voorgoed. Hierbij waren vooral Eindhoven, Twente en de Zuiderzeewerken in trek. In Eindhoven ontstond hierdoor een Drentse gemeenschap van een behoorlijke omvang, die over het algemeen maar moeilijk aansluiting vond bij de nieuwe omgeving.

In latere jaren keerden velen naar Drenthe terug. Druppels op de gloeiende plaat. Het grote arbeidsoverschot bleef bestaan, reden voor de Arbeidsbemiddeling om te zoeken naar nieuwe wegen. Eén hiervan was het doen herleven van de aloude 'Wanderarbeit', zij het in omgekeerde richting. Het Hitler Duitsland van na 1935 schreeuwde om energie. De fabrieken draaiden op volle toeren. Daarom kwam er een tekort aan veenarbeiders in de naburige Duitse venen. Politiek Nederland zag hierin een goede mogelijkheid om de crisis in het veengebied te verlichten. Hoofdambtenaar Th. van Lier van de Arbeidsbemiddeling zette in 1938 de arbeiders in Zuid-Oost Drenthe zelfs onder druk om te gaan werken in Duitsland.


Heeft men tegenwoordig de neiging monumentale gebouwen als onderwerp voor ansichtkaarten te kiezen, op oude Drentse kaarten waren plaggenhutten geliefde onderwerpen. Kennelijk vonden velen het leuk het thuisfront te kunnen informeren over hun tocht naar dit soort barre streken. Deze kaart werd gemaakt op het Munsterscheveld lussen Emmer-Compascuum en Ter Apel {Fotoarchief DMA).


Besparen op arbeidskrachten

Zijn motivatie daartoe was: "Politieke bezwaren kunnen niet bestaan, omdat men niet naar Duitsland gaat om politiek te voeren, doch om er te werken." Dit beleid had resultaat, gingen er in 1939 nog slechts 500 man naar de Duitse venen, in 1939 liep hun aantal op tot ruim 20.000. Bij de analyse van de problematiek in Zuidoost-Drenthe kwamen de beleidsmakers al snel tot de slotsom: de spanning op de arbeidsmarkt diende verminderd te worden en het productieproces in de veenderij moesten de verveners rationaliseren. Uitgangspunt voor een meer efficiënte bedrijfsvoering was het verlagen van de productiekosten, niet door subsidies maar op structurele wijze. Het leeuwendeel van de productiekosten bestond uit arbeidsloon, circa 70 tot 80%, het credo werd dan ook rationalisering door mechanisatie.

In 1925 werd het daarom Rijksturf-proefstation gesticht met de bedoeling proeven te doen met machinale bewerking van turf. In de vroege jaren dertig werd het onderzoek beter opgezet wat leidde tot de oprichting van het Veenderijproef¬bedrijf. Het bedrijf was werkzaam in het Barger Oosterveen op een terrein van ongeveer 140 dagwerken. Onder toeziend oog van de Nederlandsche Turfcentrale en onder begeleiding van het adviesbureau voor bedrijfsorganisatie Louwerse en Berenschot uit Utrecht, werd het veenbedrijf op 'professionele' wijze doorgelicht. Er werden proefnemingen gedaan met een andere manier van steken en het opleggen op de kruiwagen. Men ontwikkelde een nieuw type slagkruiwagen waarbij het wiel onder de kruiwagen zat.

Het voordeel van de nieuwe kruiwagen was dat er meer turven op konden en dat daardoor minder gelopen hoefde te worden. Ook was er de turflorry van Tip. Deze lorry reed op een ijzeren rails. De lorry vervoerde in één keer 75 turven van de veenput waar het gestoken werd naar het zetveld waar de turven lagen te drogen. De lorry van Tip was erg efficiënt met een productieverhoging van 20%, daar tegenover stond echter dat de aanschafprijs van lorry en rails met 135 gulden erg hoog was. Om de verveners van de resultaten van het proefbedrijf te overtuigen werd er zelfs een filmpresentatie gemaakt. In de film zien we de twaalf werknemers van het bedrijf op een 'moderne' wijze bezig met het steken, opleggen, drogen, stapelen en keren van de turf.


Het veenbedrijf was een stervend bedrijf

Ondanks de positieve resultaten van het Veenderij proefbedrijf, werden de bevindingen vrijwel niet in de veenbedrijven overgenomen. De verveners stonden erg sceptisch tegenover de 'nieuwigheden'. De crisissituatie maakte dat de verveners elkaar hevig beconcurreerden. De prijzen daalden daardoor meer dan noodzakelijk zou moeten zijn. Om dit nu te voorkomen, werd door de verveners gezamenlijk besloten om een verkoopkantoor op te richten. Alle handgestoken fabrieksturf zou dan via dat kantoor verkocht kunnen worden wat moest leiden tot een meer stabiele prijs van het product. De eerste vergadering van de aandeelhouders en de commissarissen van het kantoor vond plaats op 11 december 1934. Er waren 10 aandelen a 1000 gulden uitgegeven.

De aandeelhouders waren: Stichting Nederlandse turfcentrale te Assen, mr. J.A. van Rooyen te Bergentheim, N.V. Veenderij en turfstrooisel fabriek Klazienaveen, N.V. Drentsche landontginningsmij. te Rotterdam, Vervenersbond Stadskanaal e.o. Vervenersvereniging Barger Oosterveen e.o. Het Kantoor begon het werk op 23 januari. Er werd een verkoopteam geformeerd met de bedoeling fabrieken over te halen om weer turf te gaan stoken. Doordat er dankzij de landbouwcrisiswet subsidie verstrekt werd op fabrieksturf, liep de verkoop goed. Zo gingen enkele aardappelmeel-, aardewerk- en glas-, steen- en strokartonfabrieken weer turf als energiebron gebruiken. . Al in het eerste jaar werd er 375000 m3 turf verkocht. De verkoop van de gesubsidieerde turf ging steeds beter.

In 1937 ging het met de verkoop zelfs zo goed dat er tekorten ontstonden. Volgens Sybolts was dat te wijten aan de angst van de verveners om geld in nieuwe veenputten te investeren. Men exploiteerde alleen de oude bestaande putten en die leverden niet genoeg. De terughoudendheid bij de verveners wijst niet op hoop of geloof in de toekomst, maar veeleer op het accepteren van het gegeven dat het veenbedrijf een stervend bedrijf was.


Bronvermelding:

'Drenthe 1920 - 1940; Een bundel opstellen. J.D.R van Dijk e.a. Drents Museum 1989. ISBN 90 70884 24 0





© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl