In en om Assen





TURF EN ZAND EN WELZIJN
of de geschiedenis van Opbouw Drenthe; 1927 - 1945.


"...Weldra stromen de feestjurken, balschoenen en afgedragen pakken de provincie binnen..."


Er was niets; alleen maar veen

Tijdens de eerste wereldoorlog en nog een tijdje daarna, was veen — turf dus — een zeer gewild artikel. Het 'bruine goud' werd sneller gekocht dan dat het uit de grond gehaald kon worden. Het bruine goud had ook zijn aantrekkingskracht op de Friezen, Groningers, Overijsselers, Duitsers en waar ze verder nog vandaan kwamen. Enkele generaties na elkaar waren ze als een soort gastarbeiders naar Drenthe gekomen. In de veenlegers was meer te verdienen dan thuis. Het leven was eigenlijk niet zo slecht; het was wel hard. Wie niet gezond was, sneuvelde snel en iedereen uit het gezin werkte mee; alleen de allerkleinsten werden in de kruiwagen gezet.

Het veen was om in te werken, anders was er niets te doen. Er was geen school, geen stad, geen winkels, geen schouwburgen. Er was niets; alleen maar veen. En als het veen afgegraven was, verplaatste het veenleger zich naar een ander gebied, waar niets anders was dan veen. Aan het begin van de twintiger jaren begint 't minder te worden met de verdiensten. Steenkool, olie, benzine en stadsgas verdringen de turf als brandstof. De prijs voor dit moderne komfort is werkloosheid in het veen. De welvaart van het bruine goud brokkelt af als een turf. En het gaat steeds sneller naarmate we verder in de twintiger jaren komen.

Het leven houdt op aardig te zijn; er is gebrek aan alles. Gebrek aan goed voedsel, kleding, schoeisel en ontwikkelingsmogelijkheden voor de kinderen. Wat wél toeneemt is onlust, kriminaliteit, hoge ziekte- en sterftecijfers, alkohol en verveling. De armenzorg was volstrekt onmachtig tegen zoveel ellende. De armenzorg bezat trouwens niet méér geld dan de werkloze veenarbeiders zondags in de kollektezak deed. Bovendien was de armenzorg versnipperd. Het veen was een goede voedingsbodem voor vele sekten en kleine kerkgenootschapjes. In 1924/1925 begonnen de problemen al aardig de pan uit te rijzen. Naar aanleiding van landelijke publiciteit over de barre toestanden in het veen, worden inzamelakties gehouden. Weldra stromen de feestjurken, balschoenen en afgedragen pakken de provincie binnen.


Vreesden ze dat de politieke raddraaiers hun slag zouden slaan?

Belangrijker is echter, dat op de werkkamer van Mr. Linthorst Homan — de Commissaris van de Koningin — het licht steeds langer aanblijft Linthorst Homan was een werker. Niet eentje die 's morgens vergadert en 's middags thee in de salon drinkt. Nee, hij was een zwoeger en hij had zich kennelijk heilig voorgenomen iets te doen aan de ellende in zijn provincie. Handboeken, raadgevers en voorbeelden waarmee de ellende aangepakt kon worden, bestonden niet. Hij stond er alleen voor. Wie de kranten uit die tijd doorbladert, merkt op dat de commissaris nogal stilletjes aan het werk sloeg. Af en toe een klein bericht b.v. over de aanstelling van een schoolarts; of dat hij betrokken was bij het bevorderen van de tuinbouw in Zuid-Oost Drenthe.

Nergens bleek, dat hij de ellende op een volstrekt nieuwe en onorthodoxe manier te lijf wilde gaan. Het nieuwe dat hij bracht was, dat bestrijding van de problemen op verschillende fronten tegelijk moest gebeuren. Ekonomisch, kultureel en op het gebied van de volksgezondheid. Vele jaren later wordt dat in de vakliteratuur de 'comprehensive approach' genoemd — de meerzijdige benadering —. Het ziet er overigens naar uit, dat het idee van de 'comprehensive approach' geleidelijk gegroeid is. Het is waarschijnlijk de optelsom geweest van tal van verschillende aktiviteiten die eerst los en onafhankelijk van elkaar plaats vonden. Daarna zullen de verschillende touwtjes aan elkaar geknoopt zijn om een flinke kabel te vormen, waarmee Zuid-Oost Drenthe uit de ellende getrokken kon worden

Nu we aangekomen zijn bij het idee dat ontwikkeld was om de ellende te bestrijden, is het tijd om even stil te staan bij de mensen met wie Linthorst Homan samenwerkte. Eerlijk gezegd is daar heel weinig van bekend, het zijn voornamelijk de namen die overgebleven zijn. Grafstenen van onbekenden. Onbekend zijn ook hun motieven om de zaak krachtdadig aan te pakken. Waren ze beangstigd voor de woedende arbeiders die zich in Groningen en Friesland fel tegen hun bazen keerden; in Drenthe was de uitbuiting, gedwongen winkelnering en vernedering beslist niet minder. Vreesden ze dat de politieke raddraaiers hun slag zouden slaan en de ontevreden massa zouden kunnen gaan aanvoeren in de strijd tegen het gezag, de gegoede burgerij en de patriciërs?


Een plan moet gesteund worden door invloedrijke lieden

Zullen de initiatiefnemers gezegd hebben: 'Als de verandering toch moet plaatsvinden, laten we dan niet lijdelijk toezien en de greep verliezen; laten we erbij zijn en meesturen en richting geven'. Meer motieven zijn denkbaar waarom patriciërs als Linthorst Homan de strijd tegen de ellende opnamen. Zij waren natuurlijk geraakt door de misère; ze zullen geschokt zijn geweest door de ziekte- en sterftecijfers. Zullen ze zich geschaamd hebben voor het feit dat zij de dienst uitmaakten in een provincie die tot een bedelaarsreservaat dreigde uit te groeien? We weten het niet. De archieven ontbreken. Misschien hebben die ook nooit bestaan. Misschien werd toen minder lang gepraat dan nu. Veel vragen dus.

Het enige dat we met zekerheid kunnen vaststellen is, dat er in de jaren 1926/1927 een helder plan was om de ellende te lijf te gaan. Vóór dat de strijd echter kon losbranden moesten er nog wat zaken geregeld worden. Belangrijk is, dat wanneer een plan in de praktijk gebracht wordt, het gesteund moet worden door invloedrijke lieden. Hoe goed een plan ook kan zijn, als er geen invloed is, is het nergens. Het kwam er dus op aan invloed te verzamelen. En dat gebeurde op de gebruikelijke wijze; kopstukken uit de Drentse politiek en het kerkelijk leven werden deelgenoot gemaakt in de plannen en ze vormden met elkaar een aantal kommissies. Tegen de tijd dat Linthorst Homan zover is, komt Koningin Wilhelmina op bezoek.

Wie haar uitgenodigd heeft, is niet meer te achterhalen. De Koningin was er mans genoeg voor om zichzelf uit te nodigen. Ook is het heel goed mogelijk, dat Linthorst Homan haar op bezoek wilde hebben, om daarmee en soort 'Koninklijk goedgekeurd' voor zijn plannen te krijgen. Een waarmerk dat nooit weg is wanneer geld op de Ministeries losgepeuterd moet worden. Hoe het ook zij, na deze bezoeken komt er — om een begin te kunnen maken — geld uit Den Haag en gaan belangrijke brieven in afschrift naar het paleis, zodat de Koningin over de schouder van de minister heen leest. Het tweede dat diende te gebeuren, was het aantrekken van mensen die het werk zouden moeten doen en de plannen verder konden ontwikkelen.


Huishoud onderwijs


Het woord 'welzijn' bestond toen nog niet

Drenthe had ze niet, dus werden ze aangetrokken uit de rest van Nederland. Dat gebeurde overigens wel stapsgewijs en werd in 1927 afgesloten met de aanstelling van wat we nu een direkteur zouden noemen. Mr. Jaap Cramer wordt de eerste man (later wordt hij Commissaris der Koningin). Enige tijd daarna zal hij bijgestaan worden door Jo Boer. Beiden blijken een soort uitvinders te zijn die met onvoorstelbare werkkracht de ontwikkeling van Drenthe zullen gaan beïnvloeden. De derde puzzel die in 1927 opgelost werd, was de juridische vormgeving. De overheid was in die dagen passief; hier en daar werden de gemeenten wat gekontroleerd en daar hield het mee op. De overheid vervulde de rol van nachtwaker.

Het was onbestaanbaar, dat een provinciale overheid zelf omvangrijke plannen zou gaan uitvoeren. Linthorst Homan. die zijn plannen wel graag door zag gaan maar dat als man van de overheid niet kon doen, vormde een vereniging. Eigenlijk een soort mantelorganisatie, maar dan voor een goed doel. De vereniging kreeg de naam 'Centrale vereniging voor den culturelen, hygiènischen en economischen opbouw der provincie Drenthe'. In de wandeling: Opbouw Drenthe. In de naam van de vereniging vinden we de 'comprehensieve approch' terug. De verschillende benaderingswijzen (ekonomische, hygiënische enz.) van de problemen zijn in één geheel ondergebracht. In 1927 — toen het zover was — ging Opbouw Drenthe als de eerste moderne welzijnsorganisatie uit de startblokken.

Het woord 'welzijn' bestond toen nog niet, dat zou jaren later pas uitgevonden worden. Het woord 'sociaal' kwam evenmin voor in de naam van de vereniging. Het woord 'sociaal' had toen nog niet de algemene betekenis van nu. Trouw aan de naam van de vereniging, werd op de drie fronten tegelijk gewerkt. Ekonomisch werd voortgeborduurd op de tuinbouw. Een arbeidssektor die veel handen werk biedt. Er werd meegewerkt aan een tuinbouwschool, tuinbouwvoorbeeldbedrijf en een groenteveiling. Na 1930 zou Opbouw Drenthe samen met de ANWB meewerken aan de toeristische ontsluiting van Drenthe, met het begin van het aan te leggen rijwielpadennet.


Dit onderwijs was niet alleen gericht op een voedzame bonenschotel a 36 cent

Een werkje dat tevens de werkeloosheid bestreed. Op 'hygiënisch' gebied wordt een schoolartsendienst van de grond gebracht. In de sociaalkulturele sektor verloopt de ontwikkeling helemaal stormachtig. Een duizeligmakende hoeveelheid aktiviteiten werd ontplooid. Om wat te noemen: konsultatieburo's voor zuigelingen, kook- en naaikursussen, bibliotheekwerk, kleuterklassen enz., enz. Het werk vond plaats vanuit de 6 buurthuizen, waarvan de eerste tweedehands waren en voor een prikje van Defensie gekocht werden. Opbouw Drenthe groeide tussen 1926 en 1929 uit tot een soort multinational in het klein. Zeer uiteenlopende aktiviteiten, die onderling toch samenhingen. Een enkel voorbeeld hiervan is het ontwikkelen van wat later het nijverheidsonderwijs werd genoemd.

Dit onderwijs was er niet alleen op gericht thuis een voedzame bonenschotel a 36 cent op tafel te kunnen zetten, maar schoolde de meisjes ook om in 'Holland' in de huishouding aan de slag te kunnen. De ontwikkeling in Zuid-Oost Drenthe loopt tot 1929. De wereldkrisis die in dat jaar uitbreekt, zal ook in Drenthe hard toeslaan. Ook de Drent op de zandgrond krijgt van de armoe zijn deel. Tot dan toe was hij een beetje gespaard gebleven. Ellende alom en het was voor Opbouw Drenthe geen vraag hoe daarop gereageerd moest worden. De hele provincie zal van dan af aan het werkterrein worden. Het werk van Opbouw Drenthe in het veen wordt wel voortgezet, maar blijft daartoe niet beperkt. Opbouw Drenthe raakt vanaf '29 zeer betrokken bij de ont sluitings/ontginningsaktiviteiten op de zandgebieden.

De ontwikkeling die daar tot de oorlogsdagen plaats vindt, lijkt historisch gesproken een blinde vlek. De ekonomische ontwikkeling van b.v. Midden-Drenthe lijkt ook een moeilijk uiteen te rafelen geschiedenis. Het is een komen en gaan en ook wel blijven van verschillende bevolkingsgroepen. Een bonte optocht waarin meeliepen de Drent van het zand, boeren uit Holland — op zoek naar een nieuw bestaan — en ontginningslegers, die van overal gerekruteerd werden. Vraag in dit verband is natuurlijk ook, welke samenhang er is tussen de doodlopende ontginning van het veen en de daarop volgende ontginning van het zand. Het werk van Opbouw Drenthe in de dertiger jaren kan als volgt gekarakteriseerd worden:


Kleuterklas in Nieuw Dordrecht


Drenthe had in Nederland de primeur van de eerste kleuterkweek

Het werk bleef gericht op de ekonomische, sociaal-hygiëniche en sociaal-kulturele opbouw. Het grondpatroon veranderde niet. De eerste 3 jaar zijn een soort proefperiode geweest, waarin de juistheid van de ideeën uitgetest is. Vervolgens is Opbouw Drenthe vanaf 1929 zelf niet meer zo uitvoerend bezig. Het was een provinciale organisatie geworden, die ging bevorderen dat mensen ter plaatse zoveel mogelijk onder eigen verantwoordelijkheid het werk konden gaan doen. De invloed die in de eerste periode van Opbouw Drenthe verzameld was, werd a.h.w. uitgedeeld. Het bevorderen van Opbouw Drenthe bestond o.a. hierin, dat aktiviteiten uit de periode 1926/1929 omgezet werden in provinciale diensten.

Om dit met een voorbeeld duidelijk te maken: In de periode 1926/1929 waren er b.v. kleuterklassen in de dorpshuizen. Na 1929 werd er een provinciale dienst kleuteronderwijs als een stolp overheen gezet. De provinciale dienst zorgde voor opleidingsmogelijkheden (Drenthe had in Nederland de primeur van de eerste kleuterkweek); en er werd gezorgd voor deskundige begeleiding en inspektie. Deze omzetting vond over de hele lijn plaats. Opbouw Drenthe trok zich terug uit de uitvoering en werd een instelling die ervoor zorgde dat anderen zo veel en zo zinvol mogelijk aan de slag konden gaan. Tegenwoordig zouden we dat 'voorwaardenscheppend' noemen. De volgende karakteristiek is de integriteit van het werk.

Het is opmerkelijk dat het werk van Opbouw Drenthe in de dertiger jaren niet is uitgegleden. Het werk is niet ten onder gegaan in b.v. SDAP-achtige bewegingen; het is ook niet afgegleden in fascistische bewegingen en het werk is ook niet verkruimeld geworden door de verzuiling. Er moet veel en behoedzaam gemanoevreerd zijn in die tijd, om te beletten dat de één of andere doktrine het werk zou gaan beperken. Een opmerkelijke koers tussen de klippen door. Het kan niet anders dan dat in die tijd in Opbouw Drenthe een behoorlijke hoeveelheid gaaf diplomatiek talent aanwezig was. Het ingeklemd zitten tussen de maatschappelijke tegenstellingen van die tijd, heeft niet geleid tot passiviteit of een halfzachte neutraliteit. Integendeel.


Opbouw Drenthe is dus niet een welzijnsfossiel.

Het werk na 1929 is een voortdurende ekspansie. De voorzieningen, diensten en aktiviteiten leidden er in 10 jaar tijd toe, dat de landkaart van Drenthe's Welzijn steeds meer ingevuld wordt met verbindingslijnen en knooppunten. Van halfzachte neutraliteit was evenmin sprake. Het partij-durven-kiezen komt het duidelijkst naar voren in de oorlogstijd. In '42 ging het niet meer en dook de hele zaak onder. En — het bloed kruipt waar het niet gaan kan — ook in die tijd blijft men opbouwen. Duidelijk voorbeeld daarvan is Cramer; hij begeeft zich in de illegale pers. Samen met o.a. Van Randwijk werkt hij aan de opbouw van Vrij Nederland. Oorlog of geen oorlog, het ging om de vrijheid en geestelijke vrijheid en ontplooiing van mensen. Opbouw Drenthe is daar één van de werktuigen van.

Ter afsluiting is het goed erop te wijzen, dat het werk van Opbouw Drenthe niet in 1942 is opgehouden. Na de onderduikperiode werd in 1945 de draad weer opgevat. Opbouw Drenthe is dus niet een welzijnsfossiel. Integendeel, springlevend gebleven tot op de dag van vandaag. De omstandigheden en werkwijzen zijn veranderd. De geest is echter dezelfde gebleven.


Verantwoording: voor het opstellen is o.m. gebruik gemaakt van:

— Jo Boer; 50 jaar Opbouw Drenthe 1926-1976, Nieuwe Drentse Volksalmanak 1977.
— Opbouw Drenthe 1972, 1973 jaarverslag.
— Opbouw Drenthe in een veranderende samenleving; uitg. Opbouw Drenthe.
— Verschillende jaarverslagen uit de beginjaren van Opbouw Drenthe.
— Vrij Nederland, 6 mei 1978


Bronvermelding:

'Het Veen, natuurlijk en menselijk moeras'. Uitgave Provinciaal Museum van Drenthe, 1980. Samenstelling: Jaap Brakke, Wil Casparie, Sietze van der Hoek, Herman Stil. Een artikel van Herman Stil






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl