In en om Assen





De werkmensen van turfland


Vrouwen en kinderen werkten mee in het veen. De kleinsten mochten (moesten) vanaf de turven toekijken


Als je de achterdeur uitkwam, kroop je zo bij het veen omhoog

'Tenslotte maakte de ellende de opstandige schaeren murw en het hongerloon der ongelukkige veenarbeiders werd opnieuw verlaagd", schreef de socialistische Henriëtte Roland Holst over de grote stakingen in 1925 'onder het armste deel van de werkende bevolking, de arbeiders in de venen'. De historie van de veenarbeiders en veenarbeidsters is in Zuid-Oost-Drenthe weggegraven, nagenoeg tegelijk met het veen, zo lijkt het. Wat resteert zijn het Veen- en Museumdorp 't Aole Compas bij Barger-Compascuum, een enkel hoogveenreservaat in beheer bij het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en straks nog de vervagende verhalen van de kinderen. Hun vaders en moeders waren de laatste turfmakers van Nederland. Voorzover ze nog leven, duurt het nog even.

En dan kan niemand meer uit eigen ervaring vertellen over het leven in turfland. Hendrikje Smit, geboren in 1097 in Borger, tot haar negentiende alle dagen van het seizoen in het veen, woont sinds 1021 aan de Runde in Emmer-Compascuum als vrouw Bloemsma in het huisje waar ze ook zal sterven, als alles goed gaat. 'Ik was de oudste van tien kinderen thuis. We woonden in een keet op het bovenveen, bij de derde sluis langs het Oosterdiep, tussen Emmercompas en Bargercompas. Als je de achterdeur uitkwam, kroop je zo bij het veen omhoog en stond je direkt in het veld. Ik was nog maar acht jaar, toen ij al met vader en moeder mee moest naar het veen. In 't voorjaar begon het turfgraven. Altijd donker, als je uit bed moest.

Soms bleef ik thuis om op de kleintjes te passen. Allemaal in één bedstede. Als er één schreide, stopte ik het een foppertje in de mond, een katoenen lapje met suiker erin en een bandje eromheen. Op een kruiwagen was een kap gemaakt. Daarin gingen de kleintjes naar het veen. Vuile luiers werden in het kanaal uitgespoeld, even te drogen gelegd op een bosje en kwamen dan weer onder. 's Avonds om een uur of vijf half zes weer naar huis. Soms wel later, als er een schip lag dat nog vol moest die dag. Ik kan je wel vertellen, dat de mensen een slecht leven gehad hebben hier. Nou, nou. Wat wel mooi was, waren de morgens waren de morgens in het veld. Dat we liedjes zongen. (Ze zingt). Ik ben van den morgen vroeg opgestaan, de zon trok op, de dag brak aan.


Ze verhuurden zich met hun gezin voor 27 cent per stok

Tien jaar was ik, toen ik met mijn moeder in een ladersploeg zat. De gedroogde turf uit de bult op de kroode, de kruiwagen, en van de kroode op het schip. De mannen groeven de turf. De vrouwen zetten ze te drogen: op slag, in ringen en in bulten. Stoeken, ringen en vuren, zeiden wij. Ook het schepen was vrouwenwerk. Mijn zuster en ik deden altijd samen. Tot mijn negentiende. Om vier uur 's morgens stond mijn vader bij het bed. Om ons te kloppen. D'r uut, zei hij, het begint al licht te worden'. Land van Satan werd het wel genoemd. Eeuwenlang het Hochmoor, waaruit de verdwaalde reiziger niet terugkeerde. Toen gedurende honderd jaar — enkele generaties slechts — turfland voor de duizenden, die vanuit het noorden, het westen en het zuiden achter het veen aantrokken.

Kanaalgravers en turfmakers met hun gezinnen. Stond er zo'n veenarbeider met zijn pet in de hand voor een veenboer (of de veenbaas van een grote, kapitaalkrachtige vervener uit Holland of Groningen) om te vragen naar werk, dan luidde niet zelden de wedervraag: Heb je een huishouden met goeie springlevende kinderen en een flinke vrouw? Arbeidskrachten genoeg meestal. Ze verhuurden zich met hun gezin voor bijvoorbeeld 27 cent per stok, is veertien lagen turf op 't slag, een rij turven van zeven voet, dat wil zeggen tweeëneenhalve meter ongeveer. Net zo lang tot de hele 'plaats' vergraven was, in bulten gezet en op het schip gekrooid. Op het eind van het seizoen kon er worden afgerekend bij de veenbaas. Als er al iets te verrekenen viel tenminste.

Veel van de plaatselijke verveners dreven namelijk ook een winkel: manufacturen, levensmiddelen, schoenen, en een café. Was er in de voorafgegane winter noodgedwongen ruimschoots op krediet gekocht — en de meeste veenarbeiders hadden weinig centen —, dan hoefde het bij'het turfsteken maar even tegen te zitten met het weer, of ze moesten met oude schulden een nieuwe winter in. Borgen baarde helemaal zorgen in het geval van de gedwongen winkelnering, de verplichting om uitsluitend de boodschappen te halen in de winkel van de baas. Middeleeuws lijfeigenschap, dat een bitter gevoel van afhankelijkheid geeft en dat, zo meldt de Directie van de Arbeid in haar rapport 'Gedwongen winkelnering in de venen' van 1913, 'een geheel gezin dwingt om jaar in jaar uit voor één patroon te werken, gevoed te worden door deze werkgever, zonder dat het de beschikking heeft over contant geld'.


Bij liet winnen van baggerturf wordt eerst op het gereedgemaakte veld met behulp van afschrijvers de maat en vorm van de turf afgetekend (boven). Omdat hierbij eerst de diepe veenlaag met water werd vermengd tot een vloeibare brei die op het veld werd gebracht, waren de plankjes onder de voeten geen overbodige luxe.


Honderden gezinnen verlieten het 'verdoemde veen'

Grauw en drassig land de meeste maanden van het jaar, waar de doden het graf in plonsden als de dragers even niet opletten. Verspreid en voor het oog ingegraven in het bovenveen de plaggenhutten en de veenketen. Het huisraad op één kar meegevoerd, de woning in één nacht neergezet, en geen eigenaar of veenbaas kon je er meer wegjagen. Dat was een ongeschreven wet. Natuurlijk werden de tijden anders. Met machines in het veen, meer scholen, de Centrale Vereniging voor den Opbouw van Zuid-Oost-Drenthe, minder krotten, de konkurentie van de steenkool, de werkloosheid in het veen, de armoede opnieuwe. Na de armenvader de steunregeling en werkverschaffing van regeringswege. Honderden gezinnen verlieten het 'verdoemde veen' om hun arbeidskracht te gelde te maken op de fabrieken in Twente, Holland, Brabant, of in de mijnen van Zuid-Limburg.

In 1929 vulde Herman Wolters uit Zwartemeer de wervingsfolder van Philips uit Eindhoven in. Zijn vrouw had nog nooit een trein gezien. Tot op de dag van vandaag heet die Eindhovense wijk Drents dorp. 'Mijn moeder kwam uit Schöningsdorf, vlak over de grens. Mijn vader was van Barger-Compascuum. Het Munsterse veld heeft hij mee helpen afgraven. Ik ben geboren in 1889. Vier gulden in de week kreeg ik bij de firma Scholten. Over de grens was het beter. In de Duitse Peel ben ik nog ploegbaas geweest op de bolsterfabriek, turfstrooisel maken. Op het laatst beurde ik daar een dik weekloon, jong. Maar toen was het al na de Eerste Wereldoorlog. Marken zat. Je kon er niks voor kopen. Een heleboel mannen hier vandaan ging na de zomer de grens over.

Soms tussentijds es een keer, maar meestal met de Kerst kwamen ze weer thuis. Bij het bolster graven in de Duitse Peel duurde het maar een week. Maandagmorgen om een uur of twee weg, een paar uur lopen en dan tot zaterdagavond in 't veen. We hebben 't ook wel eens goed gehad in het veen van Drenthe. Mijn vrouw met de oudste meisjes aan het turf droogmaken, ik in Duitsland en dan hadden we nog drie kostgangers, turfstekers die elk één gulden per week betaalden. Ach, we zijn er altijd doorgekomen. In Zwartemeer ben ik nog sekretaris van het kerkbestuur geweest. Pastoor Peters hadden we toen. En een heel goede wijkzuster. Die deed een heleboel voor de mensen. En ik was lid van de Katholieke Landarbeidersbond. Jan Hemel ja, die ken ik goed.


'Stakings' in het veen

Jan Hemel had wat meer gelezen en kon toen overal de kantjes wat gaan aflopen. (Johannes Bernardus Hemel, overleden in 1978, veenarbeider, bezoldigd bestuurder van de Katholieke Landarbeidersbond, later voorzitter van de Katholieke Werkliedenvereniging, gemeenteraadslid in Coevorden voor de Katholieke Staatspartij, krantecorrespondent en gedeputeerde van Drenthe.) Toch was hij geen kwaaie vent. En hij kon goed praten. Hemel moest spreekbeurten houden, als er weer stakingen dreigden. Dat was dan in het voorjaar, he, als het turfgraven begon en de tarieven gesteld moesten worden. De veenbazen waren lang niet altijd zo gemakkelijk daarbij'. 'Stakings' in het veen. Plaatselijk en van korte duur vaak, niet altijd georganiseerd; soms ongemeen fel, ingrijpend en langdurig.

Met marechaussee te paard en sprekers van de vakbonden, maar ook agitatoren als de anarchistisch-socialistische propagandist Anton Constandse en de communist Jan Brommerd jr. De grote zaken waarvoor de veenarbeiders min of meer massaal de veenput verlieten, waren de gedwongen winkelnering aan het begin van deze eeuw en in de twintiger jaren de loonsverlagingen in de veenderijen. De laatste met name hadden een treurige afloop. De naderende grote Crisis en de steenkool brachten de klad in de exploitatie van het veen. Stakingen hielpen niet daartegen en de arbeiders moesten ze dan ook wel verliezen. De meer incidentele acties tegen individuele verveners veroorzaakten eveneens scherpe tegenstellingen in turfland. Soms tussen de bonden onderling, de christelijke, de katholieke en de moderne (rooie) landarbeidersbond.

Ook tussen de georganiseerde en de niet-georganiseerde veenarbeiders. In de meeste gevallen ging het om een half, één, anderhalf of twee cent meer per stok turf voor het nieuwe seizoen, waar de werkgever niet aan wilde. Kwam het tot een staking, dan was er 's ochtends vroeg appèl, al of niet gevolgd door het bollejagen. Stakers — zij van de rooie bond met de vlag in die kleur voorop — gingen het veld in om werkwilligen over te halen ook de schop neer te leggen. Niet altijd bleef dat bij alleen maar vriendelijk overreden. Ook gingen 's nachts wel de bagger- en persturfmachines de veenput in en turfbulten in brand. Vooral meer naar het noorden toe, in de monden, was in zulke tijden de nacht rood. Een bepaald deel van de kontributie van de leden kwam in de werklozenkas.


Ontevredenheid moest je voor je houden

Daarvan keerde de bond in de winter steun uit aan de mensen zonder werk. Ten hoogste gedurende zes weken. Vrouw Bloemsma: 'Mijn man was bij de moderne bond. Ik zat er niet zo goed in, he, je was huisvrouw. Zes jongens en drie meisjes, nou, dan weet 't wel. Droevig zoals mensen elkaar soms behandelden. Een man, van mensen die geen cent hadden, trok een paar kooltjes onder de heg door uit de tuin van mensen bij ons in de buurt. Toen die dat merkten, gooiden ze er petroleum over. En die man heeft er nog een maand voor in de bak gezeten. Kan je 't wel verantwoorden, vroeg ik ze, want ik was zo kwaad. Kan je 't wel verantwoorden wat God heeft laten groeien te vernietigen. Ik heb ze nooit meer gemogen.

Naast ons op het bovenveen woonde een gezin uit Exloèrmond, dat zakken als beddegoed gebruikte. Ze kregen anders niks dan gestampte aardappelen en zo nu en dan een stuk droog brood. Wij hadden een flinke moeder, die zuurkool, boerekool en snijbonen inmaakte. Boven op het veen verbouwde ze de bonen. Dan had je ook es wat anders te eten. Welke veenarbeider kon toen veel kopen? Niemand eigenlijk, en toch waren ze tevredener dan de mensen nu. Dat moest ook wel, want ze hadden niks te eisen. Anders gingen ze de kast in. Ontevredenheid moest je voor je houden. Alleen samen, bij een werkstaking bijvoorbeeld als er zo'n man kwam staan op het vat om de mensen toe te spreken, kon je soms wat bereiken. Ik ben nooit naar school geweest.

Mijn vader leerde me lezen en schrijven. Rekenen kan ik niet. Mijn vader was een harde, ook voor zichzelf in het werk. Hij bleef als enige over van de vijf kinderen. De anderen zijn allemaal doodgegaan aan tyfus. Dokters waren er niet. Zijn moeder heeft toen zeventien weken lang niet op bed geslapen. Met onze eigen kinderen hebben we zo'n geluk gehad. Mijn man was de zoon van een keuterboertje. Na ons trouwen huurde hij een schip, waarmee we tien jaar lang voor de aardappelmeelfabriek in Coevorden gevaren hebben. Turf laden in Klazienaveen of in Duitsland en mijn man en ik moesten het schip zelf trekken, toen we nog geen knechtje hadden. Omdat de kinderen groter werden, zijn we daarna weer aan de wal gaan wonen.


Met een steekschopje werden de turven ingesneden


Hele geslachten waren veroordeeld geweest tot de veenarbeid

Mijn man wilde eerst met groente langs de streek, maar daar viel niks mee te verdienen. Toen is hij op de persturfmachine gegaan. Dat heeft achttien jaar geduurd. Wel goeie verdiensten, hij was machinist, maar ook een hard en stoffig bestaan. Altijd om vijf uur op 's morgens en nooit een dag vakantie gehad. Hoe is 't mogelijk, he'. Zuid-Oost-Drenthe was het laatste grote veengebied van Nederland, dat aan de snee kwam. Na de hoge moerassen van Friesland, Groningen, Overijssel en die rondom Smilde en Hoogeveen vatten de verveners de exploitatie van de Drentse Zuidoost-hoek aan. Van drie kanten stroomden de bezitlozen, de armsten onder de armen, de veenarbeiders toe. Om in 'een grooten zak' (promovendus J. Visscher in 1940) terecht te komen, want meer veen zou er na dit niet meer zijn, en voordat al het Drentse veen vergraven was sloegen de steenkool en de Crisis toe.

Hele geslachten waren veroordeeld geweest tot de veenarbeid. Gerrit Moes uit Barger-Compascuum heeft van het zijne het spoor terug tot 1780 kunnen volgen: Smilde, Lippenhuizen en Langezwaag (beide in Friesland), Smilde, Odoorn, Schoonoord, Emmer-Compascuum en Barger-Compascuum. Met het veen mee. Gerrit Moes besteedt zijn laatste aktieve jaren als wegwerker in dienst van de gemeente Emmen. Hendrikje Bloemsma-Smit zei tegen haar man: 'Mijn kinderen gaan niet naar het veen', en ze zijn allemaal goed terecht gekomen, want ze vonden vast werk. Bijna veertig jaar oud besloot Herman Wolters de grote stap te wagen en arbeider te worden op de fabriek van Philips in Eindhoven. 'Op de perserij, in de schoonmaak, ik heb van alles wel gedaan bij Philips.

Voor 24 gulden in de week toen. Dat was meer dan wat we in het veen verdienden. Maar best was het lang niet. Verschillenden zijn weer terug gegaan. Dat kwam ook, omdat net toen wij hier waren, het weer slap werd. Je kreeg zelfs een premie van 500 gulden van de fabriek, als je weer terug ging. Mijn oudste dochter Marie reisde ook schielijk terug naar Zwartemeer op 't moment, dat ze éénentwintig was'. 'En je schoonzuster, tante Leen', zegt Herman Wolters' schoondochter, 'die had er toch zo de schurft over in, dat ze hier zat. Klootzakken, riep ze wel es, waarom zijn we toch hierheen gegaan. Het bleef toch heel lang zo, dat je niks anders had als de kleren gewassen werden. En dat er werk was, was mooi, maar de kinderen moesten meeverdienen.


Als je vroeger hier het raam uitkeek, zag je alleen maar veen

Direkt van school op de lampenafdeling. Als je dacht, dan dacht je: Waar ben ik aan begonnen?' Wolters: Tn het Drents dorp woonden ook gezinnen uit Friesland, Groningen, Zeeland. Hardstikke gezellig. Wel veel armoe en iedereen had veel kinderen. Nu is het geen Drents Dorp meer. Alles is uiteengeslagen'. Herman Wolters belandde na zijn Philips-jaren bij de werkverschaffing, de D.U.W.: herstel van het vliegveld, sloten rechtmaken, bosaanleg. Vanaf zijn vijfenzestigste tot dik in de tachtig werkte hij in het buurthuis van het Drents dorp als concieërge. Hij is erg oud nu, wat sukkelend, en zonder heimwee naar wat dan ook. Veel vertier kenden de veenarbeiders niet. Vrouw Bloemsma herinnert zich nog het grote café bij de Duitse grens op de zondagen.

Met een pepermuntdrankje voor een Groschen buiten onder de bomen en het liedje, dat later Elvis Presley tot een hit maakte: Wann ie komm, wann ie kom, wiederomme komm, wiederomme komm, en du mein Schatz bleibt hier. 'Maar de armoede gaf niet zo veel vertier, natuurlijk. Wel werd er veel gedronken. Jenever en Schnapps getrokken van aardappelen. Daar kwam nooit niks geen goeds van. Ongelukken en doodslag. Mijn man was aan de geheelonthoudersbond en daar was hij een heel kwaaie in. En mijn oudste zoon heeft nog nooit drank gedronken en geen sigaret gerookt. Zulke vind je ook niet veel, wel? In dit huisje waarin ik nu woon, hebben we veertig jaar lang een winkeltje gehad. Tabak en sigaren, pinda's en chocola.

Ik moest toch altijd thuis zijn, voor de kinderen, en om 's avonds het eten klaar te hebben. Zo kon ik er ja mooi wat bijverdienen. Ik heb altijd graag mogen zingen, maar voor een zangkoor was er geen tijd. Nu leven de mensen anders. Ze kunnen doen en laten wat ze willen, lijkt het wel. Ze hebben immers meer geld voorhanden. Als je vroeger hier het raam uitkeek, zag je alleen maar veen, daarna allemaal groenland en nu staan er huizen. Je kunt niet meer zien, wat er vroeger geweest is. Zouden de mensen die al dood zijn, nog es een keer in Compas rondkijken, ze zouden van schrik weer doodgaan'.


Geïnterviewd:

Herman Wolters -Eindhoven, († 1978).
Hendrikje Bloemsma-Smit. Runde 92, Emmer-Compa-scuum.


Bronvermelding:

'Het Veen, natuurlijk en menselijk moeras'. Uitgave Provinciaal Museum van Drenthe, 1980. Samenstelling: Jaap Brakke, Wil Casparie, Sietze van der Hoek, Herman Stil. Een artikel van Sietze van der Hoek






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl