In en om Assen





Oude ambachten in Drenthe
De Turfschipper


Bronvermelding:
'Gedane zaken; de twintigste eeuw in 32 portretten'. Redactie Harrie Gras en Anja Schuring. 2001 H. Gras, Groningen.
ISBN 90 76535 02 7. Een interview van Anja Schuring d.d. juni 2001


Bron: Schoolplaat van R.Prins, vervening in Zuid-Oost Drenthe in de jaren twintig


Het verhaal van Lieuwe de Harder


In het begin van de jaren twintig van de twintigste eeuw stortte de markt voor turf volledig in door de concurrentie van steenkool. Bijna alleen in het noorden van Nederland was nog vraag naar turf omdat de afstand tot de veengebieden niet zo groot was en tot in de jaren dertig had bijna elk Drents dorp nog zijn eigen turfschipper. De vader van Lieuwe de Harder was één van hen en Lieuwe, geboren in 1931, groeide van jongsaf in het vak. Met de komst van het aardgas in de jaren zestig was het afgelopen met de turfhandel. In 1965 verscheepte Lieuwe zijn laatste lading turf.

Lieuwe de Harder werd op 27 januari 1931 geboren in Assen op de ‘Ambulant’, het turfschop van zijn ouders. Het schip lag aan wal bij de brandstofschuur aan het Noord-Willemskanaal die Lieuwes vader samen met zijn broer in 1924 had laten bouwen. Vanuit deze schuur verkochten ze ’s winters turf aan huis-aan-huis-venters uit Assen. De rest van het jaar was het schip van De Harder onderweg om turf te verschepen, hetzij naar de voorraadschuur in Assen, hetzij naar Havelte waar hij zijn handel rechtstreeks aan de boeren verkocht. De Ambulant was een aakscheepje met zeilen maar vaak werd het schip gejaagd met een paard of getrokken door de schipper of zijn vrouw. Toen Lieuwe op komst was, liet vader De Harder achter zijn schip een opduwer bouwen een motortje dat op gasolie liep. Als schipperskind bezocht Lieuwe ongeveer 45 lagere scholen.

Alleen de eerste twee schooljaren woonde hij bij zijn oom en tante in Assen en ook vanaf de vijfde klas kreeg hij wat meer vastigheid want toen voer de familie meestal vanuit Meppel. Van de meester kreeg hij dan huiswerk mee voor de dagen dat het schip onderweg was. Als de klas intussen iets nieuws uitgelegd had gekregen, praatte de meerster Lieuwe bij in het speelkwartier. “Ik was leergierig en de meester hef ontzettend veule veur mij opofferd om mij dat ok ieder keer weer bij te brengen”. De Harder kocht zijn turf bij verveners in Zuid-Oost Drenthe. Per klant verkocht hij acht – á tienduizend baggelaars (baggelturven) of vier – á vijfduizend persturven. Elk jaar was hij in juni wel een week bezig de beste partijen van de in dat voorjaar gestoken turf uit te zoeken.

De turven lagen opgestapeld op de veenplaatsen ter weerzijden van de twee kilometer lange afwateringskanalen, de wijken. “Dan kwam mien va ’s aovends weer aan boord met een hele partij monsters en hoe as hij dat altied uut mekaar haald hef dat weet ik niet maor dat is het vak, Hij kon precies zeggen die staon daor, die staon daor en die staon daor. Dan had hij zo’n zes, zeuven stapelties naost de potkachel en dan gung hij ze achter mekaar stoken”. Aan de kleur kon De Harder zien hoe heet de turf werd. Een goede baggelaar moest helemaal weggloeien. In de Tweede Wereldoorlog verviel de turfvaart op Assen en De Harder voer alleen nog op Havelte en omstreken. Het laatste oorlogsjaar zat de familie ondergedoken en na de oorlog was Lieuwe sr. al zijn klanten kwijt.


Turf kreeg concurrentie van butagas

“Dan moej der tegen praoten om je klanten weer bij elkaar te kriegen, dus je liep as een haas bij de boeren langes om bonnen te verzamelen, want de turf was toen nog op de bon”. De Harder deed zijn naam eer aan en leverde ‘uiteraard’ goede kwaliteit, zodat de boeren besloten voortaan bij hem hun bonnen in te leveren en “zo kwam die hele turfhandel weer op zien poten”. In deze jaren stimuleerde de overheid het gebruik van turf voor huisbrand om zo steenkolen te sparen voor de industrie. In 1947 werden de bonnen voor turf afgeschaft en tien jaar lang verdienden Lieuwe en zijn vader een goede boterham in de turfhandel. In 1957 deed Lieuwe sr. de zaak over aan Lieuwe die daarnaast ook van zijn collega Jan de Groot diens handel op Staphorst overnam en tevens diens schip, dat hij omdoopte in de ‘Risico’.

Datzelfde jaar trouwde Lieuwe met Janna Daling. Samen kregen ze twee zoons. De turfhandel was echter al een aflopende zaak. Vanaf halverwege de jaren vijftig was de vraag naar turf steeds verder afgenomen, vooral in de steden, waar veel particulieren overstapten op verwarming door middel van kolen. Ook kreeg turf concurrentie van butagas dat vooral op het platteland werd gebruikt om op te koken. Turfhandelaren die niet genoeg klanten meer hadden, stopten ermee. Anderen namen hun handel over. In 1960 nam Lieuwe de klangen over van Hendrik Westers uit Beilen, in 1962 die van Eleveld en Giethoorn uit Hoogeveen. “En zo leup het van de ene naor de andere”. Op het laatst bleef Lieuwe als enige over en sleet hij praktisch in heel Drenthe turf.

Elk jaar kocht Lieuwe ongeveer een miljoen turven bij vervener Middeljans. Als Lieuwe weer een nieuwe lading ging halen, belde hij Middeljans op en maakte een afspraak voor de volgende dag. Zelf voer hij om zes uur ’s morgens uit Meppel weg en was dan ’s avonds tegen zevenen in Emmererfscheidenveen bij de Groene Dijk. Om kenbaar te maken dat hij was gearriveerd trok Lieuwe aan zijn hoorn. Middeljans sprong dan op zijn bromfiets en draaide voor De Harder de vijf bruggen in de Groene Dijk open tot aan de turfwijk. Ter plekke maakte Lieuwe een keus uit de turven die hij die reis mee wou nemen en daarna maakte hij de boot klaar om de volgende dag te worden geladen. De volgende ochtend meldden zich een stuk of tien, twaalf helpers bij het schip. ’s Zomers was dat al om een uur of half zes.


Lieuwe de Harder lost een lading turf aan het Oranjekanaal bij Hijken, in de zomer van 1964. Naast hem op de 'loeken' van de 'Risico' zijn zesjarige zoontje Leo. Meestal loste Lieuwe per klant veertig manden, die elk ongeveer 25 persturven van gemiddeld zo'n 800 gram bevatten (collectie L. de Harder, Meppel)


“Het was een vrij en afwisselend leven”


Op het pad waarover de turven naar het schip gekruid moesten worden, kwamen planken te liggen. Vier ‘vulders’ vulden de kruiwagens, vier ‘krooiers’ kruiden de last naar het schip en twee ‘loegers’ stapelden de turven. Als de afstand groter was dan 100 meter kwam er een ‘extra bijkrooier’. Het schip van Lieuwe was ‘over de nagel gebouwd’. Dat houdt in dat de zijkanten van de boot naar buiten uitstaan. Hoe dieper het schip kwam te liggen hoe steviger het in het water lag. Zodoende kon de bovenlast flink hoog worden opgestapeld. Daarbij was het zaak dat de loegers de zijkanten netjes en recht opstapelden, zodat deze als een muur konden dienen voor de andere turven die er vanaf een loopplank rechtstreeks werden ingekieperd. Afhankelijk van de grootte en het gewicht van de turven kwamen er 80.000 tot 85.000 en soms zelfs 100.000 persturven in het schip.

Maar het is bij lage waterstand in de zomer weleens voorgekomen dat er slechts 50.000 turven konden worden geladen omdat het schip anders aan de grond kwam. Als Lieuwe een lading naar Staphorst bracht, had hij van tevoren al geïnventariseerd hoeveel iedereen wou kopen. Zodra hij met de bestellingen kwam, spraken de boeren met hem af hoe laat ze de volgende dag de turf kwamen halen. Zo hoefden ze nooit op elkaar te wachten. In Drenthe was het meestal zo dat Lieuwe maar moest afwachten wanneer zijn klanten tijd hadden om een lading op te halen. “Hier was het miestal van: wij ziet wal wanneer aw even tied hebt. Dan kwamen ze soms met een man of veer, vief tegeliek en stunden ze twee, drei uur te wachten bij het schip, en dan maor kletsen natuurlijk. En mekaar helpen”.

Aan de andere kant was dit nu juist een van de mooie dingen van het vak. Elke dag andere mensen bij het schip, met name bij het lossen. “Het was een vrij en afwisselend leven”. In november 1965 was het gedaan met de turfhandel van Lieuwe. Achter zijn schip waar hij net zijn laatste vracht turf had ingeladen, werd het kanaal met een dam afgesloten voor de scheepvaart. “Ze kwamen ’s aovends bij mij en vreugen of ik alles meegenomen had want daor hadden ze op gewacht. De volgende morgen toen ik wakker wordde, stonden ze met de kipkarre het zaand der al in te mieteren. Toen kun ik niet meer op de Grune Diek kommen”. Het jaar erna bezorgde Lieuwe met de auto nog een miljoen turven bij zijn klanten, het daaropvolgende jaar nog slechts 150.000. Ook Staphorst en omstreken werd in die jaren aangesloten op gas.

“Toen was het ook ineens van de ene dag op de andere gebeurd. Dat gas kwam as een paddestoel naor boven zetten”. Op aanraden van de Kamer van Koophandel begon Lieuwe een gereedschapwinkel. Hij had immers een heel netwerk aan contacten opgebouwd dus zijn klanten zouden hem wel vinden. In 1975 stapte hij over op een machinezaak: motormaaiers, pompen, allerlei kleine machines voor boeren en schippers, maar vier jaren later noodzaakten de economische omstandigheden hem de zaak van de hand te doen en zijn bestaan als zelfstandig ondernemer op te geven. Daarna werkte hij als brug- en sluiswachter in Meppel tot hij in 1989 met de VUT ging. “Het mooie van de turfhandel in Drenthe was: boter bij de vis”.

De turfschipper die niet betaalde, kwam de wijk niet uit. Ook bij het lossen betaalden de boeren zodra ze de turf bij huis hadden. “Als het schip leeg was, had ik de winst en de inkoop in de zak. Dat was een bijzonder veurrecht, achterof bekeken”.


Bekijk hier zwart-wit beelden over het turftransport in Drenthe in de 20e eeuw. (zonder geluid)






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl