In en om Assen




De Vaart in Assen


Bronvermelding: ‘De Vaart in Assen’. Dit boekje werd samengesteld en uitgebracht ter gelegenheid van de Open Monumentendag 1989. De eindredactie was in handen van Bertus Boivin.



Het einde van de Drentse Hoofdvaart. Het eind- en keerpunt voor de vele schippers die Assen aandeden voor handel en wandel. Lege en geladen tjalken en pramen dragen zorg voor een gezellige drukte in hartje stad rond 1915.


Inleiding

Het laatste stuk van de Drentse Hoofdvaart zal hooguit vijfhonderd meter lang zijn. Toch is die halve kilometer tussen de Witterbrug en De Kolk in meer dan één opzicht bepalend geweest voor het beeld en de geschiedenis van de Drentse hoofdstad.

Op talrijke plaatsen zijn langs dit stukje Vaart de herinneringen te vinden – soms nog prominent aanwezig, soms slechts verstopt in een detail van een nieuwe bestemming – aan verdwenen bedrijvigheid in de vorm van pakhuizen, bedrijfjes, winkels, logementen en kroegjes. Daarnaast is de Asser Vaart wel haast een staalkaart van de woonidealen van de negentiende-eeuwse ‘betere standen’. Wellicht is het deze op het eerste gezicht zo merkwaardige combinatie van bedrijvigheid en wonen op stand die de Vaart zo bijzonder maken ….

Wie de namen leest van de bewoners van de Vaart in de negentiende eeuw, realiseert zich onmiddellijk dat dit stukje Assen misschien wel hét centrum van het ‘Herenbolwerk’ was. Hier aan de Vaart woonden de meeste Asser heren die in de negentiende eeuw zo duidelijk hun stempel gezet hebben op de geschiedenis van de hele provincie Drenthe. Hier woonden mensen met klinkende achternamen als Hofstede, Gratama, Van Holthe tot Echten, Westra van Holthe, Servatius, Pelinck, Tonckens en Oosting.

Deze pagina op de website wil en kan niet meer zijn dan een eerste kennismaking met de Vaart en zijn vroegere bewoners. Over ieder pand zou een verhaal geschreven kunnen worden dat de omvang van deze pagina verre overtreft. Om maar te zwijgen over een mogelijke studie naar de rol die de Vaart gespeeld heeft in de economische ontwikkeling van de Drentse hoofdstad; een nog volkomen onontgonnen terrein voor de historicus!

Wie zich de geschiedenis van de Vaart in Assen voor het gemak even voorstelt als een boom die volgeladen is met historische zeer interessante vruchten, moet deze pagina maar zien als het resultaat van een keer heel eventjes schudden ….


Een beknopte geschiedenis van de Vaart in Assen

Om de Smilder venen te kunnen exploiteren werd in de zeventiende eeuw vanuit het riviertje de Oude Vaart de Smildervaart gegraven. Toen de Landschap van Drenthe met de ontginning van de Kloostervenen wilde beginnen, kocht men in 1767 het kanaal dat later de naam Drentse Hoofdvaart zou krijgen. In die tijd reikte het kanaal ongeveer tot de Veenhoopsbrug in Smilde. De Landschap verbreedde en verdiepte het oude kanaal en liet een nieuw stuk graven. Eind 1770 was het graven van de Drentse Hoofdvaart van Meppel tot ‘Kloosterveen’ voltooid. Dat is de huidige Middensmilde, waar de koepelkerk staat.

De plechtige inwijding vond plaats op 2 februari 1771, toen de uit het Friese Noordwolde afkomstige schipper Sake Jansz als eerste met zijn tjalkschip opvoer naar de venen om turf te laden. Aangekomen te Kloosterveen werd hij op feestelijke wijze door het college van Drost en Gedeputeerden ingehaald, waarbij dezen hem een nationale vlag, versierd met het wapen van Drenthe en een toepasselijke spreuk overhandigden. Op 1 maart 1771 werden door het Landschapsbestuur eenentwintig veenplaatsen op het Kloosterveen aan particulieren verkocht, waarna de vervening kon worden aangevangen.


Vermoedelijk is deze foto een van de oudste foto's van de Vaart. Hij dateert van omstreeks 1870. Het zogenaamde jaagpad is duidelijk te zien en de oorspronkelijke Witterbrug is hier nog in volle glorie (fotoarchief Drents Museum)


Het laatste stuk

In 1774 vroegen de Assenaren aan het Landschapsbestuur een vaart te mogen graven naar de venen in het noordwesten, opdat de inwoners hun turf per schip zouden kunnen aanvoeren. Het westelijke gedeelte van deze eerste vaart vanuit Assen is de huidige Asserwijk. In 1780 werd met gebruikmaking van het oostelijke deel ervan (Oude Hoofdvaartsweg) de Drentse Hoofdvaart doorgetrokken. Toen werden ook het laatste stuk en de Kolk gegraven en een brug gebouwd voor de weg naar Witten.

De diepgang in dit nieuwe kanaal bedroeg vijf voet, waardoor het geschikt was voor schepen met een diepgang van ongeveer drie voet (ruim een meter!). Omdat Assen ongeveer op het hoogste punt van het Drentse plateau ligt, moest het water worden opgestuwd en moesten er zelfs dijken (stuwkaden) langs de Vaart worden gebouwd. Deze stuwkaden hebben – zoals nog steeds goed te zien is – hun stempel duidelijk gezet op de bebouwing langs het laatste gedeelte van de Vaart.

Een krantenbericht uit 1780 luidde: “Den 7 dezer maand hebben de inwoners dezer plaats het genoegen, om de nieuwe vaart (…) ten einde te zien brengen, wordende ter dien tijd de twee eerste hier aankomende schepen met klein geschut en waaijende vlaggen en veel vreugde verwelkomd”.


Verbeteringen aan de Vaart

Aanvankelijk meende men dat het water van de (inmiddels verdwenen) veenplas het Grote Meer ten westen van Smilde toereikend zou zijn om het peil in de Drentse Hoofdvaart te handhaven. Dat bleek echter niet het geval te zijn. Een voorstel van de buurtschap Beilen om via een kanaal water uit de Oude Vaart naar de Hoofdvaart te leiden (Beilervaart) werd in 1791 overgenomen. In 1884 kreeg het kanaal boven de Venesluis door verhoging van het peil een diepte van 1,80 meter, waardoor schepen tot 1,60 meter diepgang Assen konden bereiken. Ook de stuwkaden werden in die tijd weer verhoogd.


De weg langs de Vaart

Op aandringen van koning Willem 1e is tussen 1829 en 1839 de weg langs de Hoofdvaart aan een zijde verhard. Op 9 september 1839 schreef de Provinciale Drentsche en Asser Courant: “Assen, den 9-den september: sedert eenige dagen is de straatweg van hier naar Meppel voor de passage geheel opengesteld zowel voor diligences en postkarren als voor particuliere rijtuigen”.

Telkens wanneer een gedeelte van de weg klaar was, werden er nieuwe tollen geplaatst. Tussen Assen en Meppel kwamen er in totaal negen. De tol bij Assen kwam op 1612 ellen vanaf de lantaarnpaal bij het gouvenementsgebouw. Het tolhuis (bij de bocht bij de Oude Hoofdvaartsweg) werd gebouwd in 1831. Het werd afgebroken in 1902 nadat in 1899 alle rijkstollen waren afgeschaft. Tegelijk met het bestraten van de weg bouwde R.R. van Erkelens in 1830 aan de Hoofdvaart zijn logement en koffiehuis, of zoals hij het zelf noemde zijn ‘Heerenlogement met diverse logeerkamers en spatieuze vertrekken met uitzicht op het Stadsbosch’.

In de stalling van Erkelens was plaats voor maar liefst 70 paarden. Bovendien had hij een grote zaal voor bruiloften, partijen, lezingen, concerten en toneeluitvoeringen. Het was de eerste Asser schouwburg! Dit pand dat in 1851 werd verkocht en afgebroken stond op de hoek Vaart – Witterstraat (aan de kant van de Gasfabriekstraat).


Het water moest wijken voor het autoverkeer

Dankzij het graven van het Noord-Willemskanaal in 1861 kwam Assen aan een doorgaande scheepvaartroute te liggen tussen Groningen en het westen van Nederland. Deze verbinding heeft de economische ontwikkeling van Assen in de tweede helft van de twintigste eeuw de nodige stimulansen gegeven. Rond de eeuwwisseling bereikte het belang van de scheepvaartverbindingen voor de stad zijn hoogtepunt. De Vaart was toen uitgediept tot 2,5 meter, waardoor de stad bereikbaar was voor motorschepen met een diepgang van twee meter. In de loop van de twintigste eeuw verloren de Vaart en het Kanaal steeds meer van hun functies.

Trein, tram en autobus namen de rol van snik en stoomboot in het personenvervoer over en de beurtschippers zagen hun werk door vrachtauto’s  overgenomen worden. Aan het begin van de jaren ’50 werd deze ontwikkeling zichtbaar toen de Kolk werd gedempt om het autoverkeer meer ruimte te geven. In de loop van de jaren zestig en zeventig kwam er een kanaal om de stad voor het doorgaande scheepvaartverkeer. Spoedig daarna verdwenen de oude bruggen, werd een groot aantal dammen gelegd en werd het eerste stuk van het Kanaal tot aan de Sluis zelfs gedempt.


Drentse Hoofdvaart en Markt (foto KLM)


Scheepvaartverbindingen in de vorige eeuw


Bronvermelding:
‘De gemeente Assen in hare wording en ontwikkeling’ van Alb. Oltmans; 1907)


“Tot 1830 waren de eenige vervoermiddelen een veerschip op Meppel en een vrachtwagen op Groningen, die slechts éénmaal per week de reis maakten. In 1830 werd een diligence-dienst op Groningen geopend. Een trekschuit bood sedert 1837 de gelegenheid dagelijks van en naar Meppel te reizen. Dit was eene welkome gelegenheid want men kon toen nog van harte instemmen met de uitboezeming van …

‘Wie kan de vinding van de trekschuit ooit waarderen?
Men reist als zat men thuis: geen schokken, draaijen, keren
Ontrust het lichaam: ’t zij dat men vaart bij dag of nacht
Men vindt al slapende zich op zijn plaats gebracht’.

De wagens en wegen waren namelijk nog van dien aard, dat een reisje per trekschuit verre te verkiezen was boven ’t vervoer te land. In 1840 had men, behalve de trekschuit en het veerschip, nog een diligence-dienst op Meppel. In 1845 werd een geregeld verkeer per trekschuit op Veenhuizen en Smilde geopend en in 1847 werden veerschepen op Zwolle en Amsterdam in de vaart gebracht. De diligence-diensten op Coevorden, Hoogeveen en Veendam volgden weldra, terwijl sedert 1860 dagelijks drie diligences op Groningen reden.

Al namen de reisgelegenheden toe, het reizen was in vergelijking met thans nog zeer gebrekkig. Over afstanden, welke men nu in enkele uren aflegt, moest men toen een dag of langer doen. Moest men b.v. van Assen naar Amsterdam, dan vertrok men ’s nachts te één uur met de diligence naar Zwolle om vandaar uit per stoomboot den volgenden middag om half drie Amsterdam te bereiken. ’s Morgens vroegtijdig van Assen vertrekkende kon men ’s avonds te Leeuwarden zijn.

In dien toestand kwam verbetering, toen ook hier de stoom uitkomst bracht. In 1864 werden twee stoomboten tusschen Assen en Zwolle in dienst gesteld. Een nog grootere vooruitgang was ‘t, toen Assen in 1870 in het spoorwegverkeer werd opgenomen; eene gewichtige gebeurtenis, waaraan heel wat moeite en zorgen voor Drenthe waren voorafgegaan.


De eerste ‘huisplaatsen’ aan de Vaart

Medio 1780 was de Drentse Hoofdvaart tot Assen grotendeels voltooid. Wat nog ontbrak was een keerpunt voor schepen die vanuit Assen terugvoeren richting Smilde – Meppel. Tijdens een buitengewone vergadering van het college van Drost en Gedeputeerden van 12 juni 1780 werd het besluit genomen, dat aan het einde van de Vaart te Assen een kolk zou worden gegraven.

In dezelfde vergadering werd overeengekomen dat ter plaatse waar de Witterbrug op de Vaart uitkwam, een brug over de vaart zou worden gelegd. De kosten verbonden aan het onderhoud van de ‘Witterbrug’ zouden gedurende een periode van vijftien jaar na aanleg door de Landschap gedragen worden. Daarna zou de brug worden afgebroken of ‘an de eigenaren en koperen der plaetsen en gronden’ worden overgedragen, die dan vervolgens ook het onderhoud van de brug dienden over te nemen. Wij kunnen ons afvragen wie met de ‘eigenaeren en koperen der plaetsen en gronden’ werden bedoeld.


De Vaart NZ in 1895 gefotografeerd door de Groninger fotograaf J.G. Kramer (fotoarchief Drents Museum)


Vijftien huisplaatsen

Het moet omstreeks de maanden februari/maart 1780 zijn geweest dat bij de heren van het Landschapsbestuur de gedachte opkwam dat – nu de Drentse Hoofdvaart grotendeels voltooid was – er mogelijkheden waren het nabij Assen ten zuiden van de Vaart gelegen grondgebied dat lag ingesloten tussen de Vaart en ‘de Laan (de huidige Hoofdlaan) en ’t Bosch’ te verdelen in grondpercelen waarop huizen konden worden gebouwd.

Op 25 maart 1780 namelijk werd het besluit genomen dat in april of mei, op zijn laatst in de zomer van dat jaar, zouden worden geveild de ‘ledige huisplaatsen bij de Vaart’ te Assen. Het opmeten van de huisplaatsen werd opgedragen aan de landmeter en zich geadmitteerd landschapsingenieur noemdende Lambartus Grevijlink. In zijn verslag van opmeting vermeldt de landmeter: ‘en hebbe alle deese huisplaatsen … op de kaarte getrokken’.

De hier bedoelde kaart is vrijwel zeker niet bewaard gebleven. Desondanks kunnen wij, uitgaande van de nummering van de huisplaatsen zoals deze door Grevijlink werd aangehouden en vervolgens ook tijdens de veiling zou worden gehanteerd, 1 t/m 5, vaststellen dat de begrenzing van no. 1 was ‘ten westen van het Singel’ en (naar achter doorlopende) ‘tot an de grup bij langs de Torenlaan’. Van de huisplaatsen nrs. 2 (gelegen naast huisplaats 1, terwijl huisplaats nr. 3 ‘hier an volgende’ was) t/m 4 luidde de begrenzing (naar achter doorlopende) eveneens ‘tot an de grup bij langs de Torenlaan’ en van huisplaats genummerd 5 (naar achter doorlopende) ‘opschietende tot an het Groote Holt’.

De huisplaatsen 6 t/m 15 hadden elk een gelijke lengte van 40 roeden (= 165 meter) gerekend ‘van de vaart wal af’ en een gelijke breedte van 5 roeden (= 20,5 meter). Gezien de aanduiding ‘van de vaart wal af’, weten wij dat de huisplaatsen genummerd 6 t/m 15 aan de Vaart waren gesitueerd. Uit bovenstaande mag blijken dat de huisplaatsen 1 t/m 15, naar die nummering, oost – west gelegen.


Bedrijvigheid in de Kolk te Assen, het eindpunt van de Drentse Hoofdvaart. Tegenwoordig parkeren op deze plek auto's.


Voorkeuze

Als bijzonderheid bij het besluit van 25 maart 1780 mag gelden de bepaling, dat de leden van het college van Drost en Gedeputeerden, de ambtenaren die werkzaam waren bij dat College en de ontvanger – generaal van de Landschap op voorhand een keuze uit de beschikbare huisplaatsen zouden mogen doen, mits het aantal voor elk van hen tot vier beperkt zou blijven. De aldus verdeelde huisplaatsen zouden niet in veiling worden gebracht.  Wel zouden naderhand op deze huisplaatsen dezelfde condities van toepassing zijn als die waarop de overgebleven huisplaatsen zouden worden geveild. Van slechts één persoon kan worden vastgesteld dat hij gebruik  heeft gemaakt van de mogelijkheid tot voorkeuze.

 Bij besluit van 31 augustus 1780 werd door het college van Drost en gedeputeerden aan Frederik Otto van Dörnberg Heiden, in de jaren 1771 – 1794, met tussenpozen, gedeputeerde vanwege de riddenschap van Drenthe (als eigenaar / bewoner van de havezathe Lemferdinge te Eelde / Paterswolde) en ver familielid van de drost van Drenthe Sigismund Pieter Alexander van Heiden Reinestein, gegund vijf ‘plaetsen’, grondpercelen, ‘bijlangs de Asser Vaart’. Elk van deze plaatsen had een breedte van vijf roeden (20,5 meter) en een lengte van veertig roeden (165 meter).

De ligging van deze vijf grondpercelen werd nader aangeduid als: ‘gelegen ten oosten van het zogenaemde Legebroek, mitsgaders het ongemeeten stukje van ’s land-schaps plantagie tusschen gem. plaatse en de eerste allee na de vaart in het westen daaran en het verder overblijvende stuk groenland dat tusschen de landschapsplantage, het Grote Holt en de nu verkogt wordende plaetsen gelegen is …’

Uit de bovenstaande opmeting van Lambartus Grevijlink blijkt, dat het grondgebied dat lag ingesloten tussen de Vaart en de Hoofdlaan werd verdeeld in twintig huisplaatsen.Vijf daarvan waren, zo hebben wij gezien, toebedeeld aan F.O. van Dörnberg Heiden. Bij die toewijzing werd uitdrukkelijk gesteld, dat deze plaatsvond overeenkomstig de ‘conditien der plaetzen ten oosten daer angelegen, nu zullende geveild werden’. De aanduiding ‘ten oosten’ geeft aan dat de hier genoemde vijf huispercelen waren gelegen ten westen van huisplaats 15 en voorgaande.


De veiling

Op 20 oktober 1780 vond dan in de herberg van J.W. Tabing te Assen plaats de veiling van ‘enige gronden gelegen ten zuiden der vaart uit het Cloosteren veen na(ar) Assen’. Wij zullen hieronder moeten verstaan de vijftien grondpercelen welke na de uitvoering van bovengenoemde toewijzing aan Van Dörnberg Heiden ter openbare veiling waren overgebleven.

In de verkoopcondities lezen wij dat de aankopers van de huisplaatsen verplicht waren jaarlijks een erfpacht (canon) van vier gulden per huisplaats te betalen en op de verworven huisplaats binnen de periode van twee jaar een huis te (laten) bouwen. De huizen dienden op een (rooi-)lijn te worden gebouwd op een afstand van 4 roeden (16,5 meter) van de vaartwal, geheel uit steen te worden opgetrokken en met pannen te worden gedekt. Het houtwerk zou groen geverfd moeten worden.


Aan het einde van de Vaart staat vanouds het hotel 't Wapen van Drenthe. (fotoarchief Drents Museum)


Dubbele huisplaatsen

De verkoop van de huisplaatsen vond plaats onder de bijzondere conditie, dat eerst de huisplaatsen afzonderlijk en vervolgens twee aan twee, aaneenliggend, zouden worden geveild. Was het bod in het laatste geval, dus op twee huisplaatsen gezamenlijk, lager dan de som van de op de huisplaats afzonderlijk geboden bedragen, dan zou het bod dat per huisplaats was uitgebracht van kracht zijn!

De kopers van twee aaneenliggende huisplaatsen verplichtten zich om op beide huisplaatsen een huis te (laten) zetten. Wat wij vervolgens zien gebeuren is, dat van de vijftien in verkoop gebrachte huisplaatsen er slechts drie afzonderlijk werden verkocht. Aankopers daarvan waren: de bosbewaarder Jacob Tebbertman, Albert Bollingh en comp. en de Asser schoolmeester Jan Sikkens. Twaalf huisplaatsen werden twee aan twee verkocht, waardoor in feite zes dubbele huisplaatsen ontstonden.


Een familiegebeuren

Tot de aankopers van de dubbele huisplaatsen behoorden leden uit aanzienlijke families die op de een of andere wijze met het bestuursapparaat van de Landschap te Assen van doen hadden. Als kopers worden genoemd: de advocaat mr. Petrus Hofstede, de klerk Wolter Hendrik Hofstede, en de landschapssecretaris Coenraad Wolter Ellents. In twee gevallen werden dubbele huisplaatsen gekocht door de secretaris Ellents tezamen met de ontvanger-generaal mr. Johannes van Lier.

Mr. Petrus Hofstede wist, naast de door hem verworven dubbele huisplaats, al direct door aankoop van genoemde Jacob Tebbertman nog diens aanliggende huisplaats te verwerven, waardoor hij drie aaneenliggende huisplaatsen verkreeg. Secretaris Ellents deed de door hem zelfstandig aangekochte dubbele huisplaats over aan mr. Jan Haak Oosting, rentmeester van de Domeinen. Tenslotte merken wij op dat F.O. van Dörnberg Heiden, aan wie – zo hebben wij gezien – al vijf huisplaatsen op voorhand werden gegund, op 20 oktober 1780 ook nog eens de enkele huisplaats, welke door Albert Bollingh was gekocht, wist te verwerven.


Met de wind vol in de zeilen varen de schepen door de Drentse Hoofdvaart. Deze foto werd rond 1930 bij Hijkersmilde genomen. (fotoarchief DMA)


Een verkoop in ‘kleine familie kring’

Al met al blijkt de aankoop van de huisplaatsen aan de Vaart Zuidzijde in 1780 een gebeuren te zijn geweest dat zich in een kleine kring afspeelde. Wij zouden zelfs kunnen stellen: in kleine familiekring, want; mr. Petrus Hofstede (1755 – 1839) was een zoon van Wolter Hendrik Hofstede (1725 – 1796); een zuster van laatstgenoemde, Rolinda Hofstede (1730 – 1796) , was sedert 1751 gehuwd met mr. Johannes van Lier (1726 – 1799).

Tussen Coenraad Wolter Ellents en de Hofstede’s bestond geen familierelatie, maar Ellerts deed zijn dubbele huisplaats over aan mr. Jan Haak Oosting. Deze nu was gehuwd geweest met Barbara Maria van Lier (1751 – 1778), een dochter van de ontvanger – generaal Van Lier. Zoals gezegd, waren de aankopers van de dubbele huisplaatsen verplicht om op elk van de huisplaatsen een huis te (laten) zetten. Wat hield hen tegen om op deze dubbele huisplaatsen niet twee afzonderlijke maar één groot (riant) huis ‘op stand’ te laten bouwen?


Historie Vaart ZZ 33 te Assen

Bronvermelding:
‘’t Ondernemershuis’; een boekje dat werd gemaakt naar aanleiding van de Open Monumentendag van 9 september 1995.


Het perceel waarop het huis Vaart ZZ 33 is gebouwd werd in oktober 1780 als huisplaats nr. 11 verkocht aan Johannes van Lier en Coenraad Wolter Ellents, respectievelijk ontvanger – generaal en secretaris van de Landschap Drenthe. Vermoedelijk hebben deze heren de kavel al snel doorverkocht aan Petrus Hofstede, toen advocaat, maar later de eerste Gouverneur van Drenthe. Omstreeks of kort voor 1831 verkocht Hofstede het perceel aan Aalt Willem van Holthe op het huis Oldengaerde te Dwingeloo.


Vader Jan Hendrik Westra hertrouwde in 1835 met de zeventien jarige zuster van zijn overleden vrouw

Aalt Willem was de zoon van Pier Adam van Hothe en Roelina Gijsberta Gerdina van den Clooster, vrouw van Rheebruggen. Hij werd in 1780 geboren. In 1807 huwde hij Geertruid Agnes barones van Dedem. Van Holthe was burgermeester van Dwingeloo, bezat drie voormalige havezates (Oldengaerde, Rheebruggen en Batinge, alle drie in Dwingeloo), bouwde in 1818 in Assen een bloeiende houthandel op en bezat een tweetal plantages in Suriname. Aalt Willem’s oudste dochter Roelina Gijsberta trouwde op 10 augustus 1831 met Jan Hendriksz. Westra, afkomstig uit Harlingen en aldaar geboren op 29 maart 1803  als zoon van mr. Hendrik Westra en Eva Fontein.

Zij kregen één zoon, Aalt Willem, maar de jonge moeder overleed in 1832 op 20-jarige leeftijd, twaalf dagen na de geboorte van haar kind. De zoon werd door zijn grootouders opgevoed in het huis Oldengaerde in Dwingeloo en zou zich op verzoek van zijn grootvader Westra van Holthe gaan noemen. de overleden Roelina, Susanna Leonora van Holthe. Jan Hendriksz Westra trad in 1832 als rechter ter instructie in functie bij de Rechtband van Eerste Aanleg in Assen en werd in 1838 raadsheer bij het toen juist ingestelde Provinciaal Gerechtshof van Drenthe.

Nadat Aalt Willem van Holthe op 17 januari 1854 was overleden vererfde het nog steeds onbebouwde perceel grond aan de Vaart ZZ naar zijn dochter Susanna Leonora. Twee jaar later, omstreeks juli 1856, liet Jan Hendriksz. Westra het huidige pand Vaart ZZ 33 bouwen. Hun zoon Hendrik Jan (geboren 16 september 1848) legde de eerste steen, vandaar dat een gevelsteen in het huis vermeldt: “H. J. Westra 1856”. Het huis staat dan ook afgebeeld op het uit 1862 daterende schilderij van de Vaart dat werd geschilderd door George Lourens Kiers.


"Gezicht op de Vaart", een schilderij van George Lourens Kiers d.d. 1862. Het hoge witte huis rechts is het pand 'huisplaats 11'.


Er waren maar liefst 29 erfgenamen, die gezamenlijk besloten de bezittingen te veilen

Het echtpaar Westra-Van Holthe had negen kinderen. Naast drie jong gestorven kinderen waren dat: Geertruid Agnes (1839-1913), Eva Roelina (geb. 1842), Roelina Gijsbertha (1844-1870), Hendrik Jan (1848-1912), Anna Wilhelmina (1853-1937) en Margaretha Frederika (Margot, 1859-1924). Alleen de laatste is dus in het huis Vaart 33 geboren. Op de Grondbelastingskaart van 1880 staat het huis getekend als sectie J nr. 607. Ten westen en aan de achterkant lag een tuin, terwijl aan de oostzijde een vrij groot perceel lag dat als erf werd aangeduid. Op dat erf stond nog een klein huis, de tuinmanswoning (nr. 610). Ongeveer op deze plaats staat nu garage Wander.
Jan Hendriksz. Westra bracht het in 1865 tot president van het Gerechtshof van Drenthe, een funktie die hij tot 1870 zou bekleden. In 1869 werd hij benoemd tot Ridder in Orde van de Nederlandsche Leeuw. Twee jaar later stierf hij, op 26 januari 1871. Zij weduwe Susanna Leonora bleef met een aantal kinderen in het huis wonen. De eerste twee, Geertruid Agnes en Eva Roelina waren al getrouwd, Hendrik Jan studeerde en Roelina Gijsbertha was kort voor haar vader overleden. De laatste twee, Anna en Margaretha, bleven echter ongehuwd en hebben heel hun leven aan de Vaart ZZ 33 gewoond. Moeder Susanna sleet haar laatste jaren in een rolstoel en stierf op 23 maart 1907, 89 jaar oud.

De twee dochters Anna en Margot erfden het pand. Margot was overigens één van de eersten in Assen die de amateur fotokunst beoefende. Zij heeft heel wat families uitgenodigd om door haar te worden vereeuwigd. Nadat ze op 10 januari 1924 was overleden woonde Anna Wilhelmina nog dertien jaar alleen op nummer 33, totdat ook zij als laatste stierf op 21 augustus 1937.  Haar neven, F.H. baron van Dedem in Den Haag en W.R. (Willy) Westra van Holthe, waren de executeurs-testamentair. Willy Westra van Holthe was in zijn tijd een nationaal bekende voetballer, die zelfs ook in het Nederlands elftal speelde. Er waren maar liefst 29 erfgenamen, die gezamenlijk besloten de bezittingen te veilen. Het ging om de herenbehuizing, inclusief de bijbehorende tuinmanswoning met de koetshuizen en de daarbij behorende tuin.


Het was de bedoeling om een bejaardenhuis in het pand te vestigen

Bij de herenbehuizing werd ook een laantje verkocht, dat naar de Nassaulaan leidde. Een aantal aangrenzende eigenaren had daarop het recht van weg. Op 9 november 1937 vond de openbare verkoping plaats in het Wapen van Drenthe. Koper was Willem Karel Hermanus Ort, diaken-boekhouder van de Hervormde Gemeente Assen en handelende namens deze. Hij betaalde voor de tuinmanswoning, met schuren, erf en tuin ƒ 6.900, voor het herenhuis met erf en tuin ƒ 8.000 en voor de laan met tuin ƒ 900. In totaal dus een aankoopprijs van ƒ 15.800. Het was de bedoeling er een bejaardentehuis in te vestigen. Daar is echter niets van terecht gekomen.

Vermoedelijk om die reden wilde de hervormde kerk dan ook weer van de aangekochte percelen af. Op 8 december 1949 verkocht de boekhouder diaken Jan Jager de twee huizen met erven en tuin voor ƒ 40.000 aan Geert Timmer, als vertegenwoordiger van de Noord Nederlandse Automobiel- en Motoren Handelsmaatschappij ‘Wander’ te Assen. ‘Wander’ splitste het perceel in tweeën en bouwde op de plaats van de tuinmanswoning en het bijbehoreden erf een garagebedrijf. Het herenhuis werd op 16 juni 1953 door dezelfde Geert Timmer voor ƒ 78.750 verkocht aan de Staat, in dit geval het Ministerie van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening. Dit ministerie vestigde er de Cultuur-technische Dienst.

In juli 1965 werd het huis aangewezen als monument en ingeschreven in het register van beschermde monumenten. Daarin wordt het omschreven als een groot huis van omstreeks 1870; veertien jaar te laat dus.  Op 26 december 1990 werd het huis Vaart ZZ 33 eigendom van de familie van de Pol. Harry werd in 1957 geboren in Assen en huwde in 1982 met Marian Otten, eveneens geboren in Assen (1962). Samen hebben ze één dochter Anneriet Manon. Harry is accountant te Assen en vennoot van de FoedererDFK. Vaart ZZ 33 is thans een accountantskantoor; advocaten & notariskantoor en herbergt enkele andere gebruikers.


Lees ook:
Drenten te water; Scheepvaarthistorie van "D'olde lantschap'





© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl