In en om Assen


Marie Vasalis


Info op woestenledig d.d. 24.11.2011


De verslavende werking van M. Vasalis

Als van een kind in een snoepwinkel – dat gevoel komt nog het meest in de buurt na het vastpakken van M. Vasalis. Een biografie. Zo'n enorme turf over een vrouw die privé privé wilde houden en daar tijdens haar leven nog in slaagde ook. Iemand die steeds raadselachtiger werd gevonden en weinig tevreden was over de drie bundels met 119 gedichten waar ze om werd bewonderd. En dan ineens meer dan duizend bladzijden in handen krijgen.

Bezorger van deze ‘weelde' is Maaike Meijer, hoogleraar genderstudies in Maastricht en sinds de jaren tachtig bezig zich te verdiepen in leven en werk van M.Vasalis (pseudoniem van Margaretha Droogleever Fortuyn-Leenmans, gemakshalve Kiek). Zo'n zeven jaar geleden kreeg ze toestemming een serieuze biografie te schrijven, nadat vrij onverwacht in 2002 De oude kustlijn verscheen, een bundel met 53 nagelaten gedichten.

"De erven hebben deze biografie ook mede bepaald, namelijk door mij de ethiek van hun moeder op te leggen", schrijft Meijer in haar woord vooraf. Dat is nuttig om te weten. Niet alleen de nabestaanden, ook het onderwerp zelf had blijkbaar iets te zeggen over wat er wel en niet openbaar mocht worden gemaakt. Ineens kijk je dan anders naar de drie regels over, bijvoorbeeld, het verdriet na de ontrouw van echtgenoot Jan Droogleever Fortuyn in de jaren vijftig.

Het lezen van M. Vasalis. Een biografie is geen onverdeeld genoegen. Dat heeft te maken met de opvatting wat een biograaf kan doen. Een publieksvriendelijke, meeslepende levensbeschrijving afleveren die recht doet aan de persoon in kwestie en de omstandigheden waaronder hij of zij leefde. Of een boek schrijven waarin alles verantwoord en verdedigbaar een plek heeft gekregen, zodat leven en werken voor de geschiedenis zijn vastgelegd. Meijer heeft voor het laatste gekozen.

Voor die keuze is wat te zeggen. Het leven van haar onderwerp was zo weinig spectaculair, dat een meeslepende vertelling ongepast leek. Kort samengevat komt dat leven op het volgende neer. Scherpzinnige vrouw ontpopt zich als zeer talentvol dichter, studeert medicijnen, trouwt en krijgt kinderen. Ze publiceert drie zeer goed ontvangen bundels, krijgt een writers-block, wordt psychiater in deeltijd en kiest omwille van haar werk voor een leven in de luwte.



Haar literaire kring was klein

Het interessante van deze biografie zit vooral in het waarom van dat writers-block, hier een ‘tergend verlies van scheppingskracht' genoemd. Meijer gebruikt voor haar uitleg veel woorden, valt in herhaling en vult haar verklaring daarna een paar keer aan. Het verlies van creativiteit, zo wordt duidelijk, komt voort uit de dood van zoon Dicky aan de gevolgen van polio in 1943, maar ook uit een extreem kritische houding. Uit haar manier van werken én het verlies van wat ze frisheid noemt. Na de jaren vijftig blijkt Vasalis nauwelijks nog in staat zich open te stellen voor de intense ervaringen die ze ooit glashelder in tijdloze poëzie wist te vatten.

De omgang met het writers-block vormt de rode draad door de biografie. Meijer maakt er geen drama van, Kiek deed dat ook niet. Het zoeken naar een oplossing lijkt zelfs geen prioriteit te hebben, ze heeft domweg vaak geen tijd voor poëzie. Maar het leidt wel naar nieuwe inspiratiebronnen. Zoals pogingen het werk van de schilder/graficus Hercules Seghers (1589 – 1637) te gebruiken om een andere realiteit op te roepen: de kosmos, een droomstaat, mystieke ervaringen. Als dat te weinig oplevert, verklaart ze de dichter Vasalis dood en richt Kiek zich op haar werk als (kinder)psychiater en haar gezin.

Ze stelt zich dienstbaar op: voor patiënten, voor zieke familieleden, voor vrienden. Het lichaam sputtert tegen, de tijd om te schrijven wordt schaarser en als ze het probeert, is ze ontevreden. Soms krijgt ze iets af, een essay of een gedicht. Daarnaast houdt ze een dagboek bij, begint ze een paar keer aan een biografie en schrijft ze brieven. Die brieven vormen een venster op het literaire leven dat een dichtersbiografie zo levendig kan maken. Ze correspondeerde veel met Victor van Vriesland, haar uitgever Geert van Oorschot en Gerard Reve. Daarnaast onderhield ze een warme band met Bertus Aafjes, na 1945 een beroemd dichter die uiteindelijk in de marge belandde.

Haar literaire kring was klein. Het ging haar niet om letteren, maar om mensen. Aan vrienden en kennissen geen gebrek. Stuk voor stuk plaatsen ze Kiek op een voetstuk. Als er een onvertogen woord valt, heeft ze dat woord zelf opgeschreven of uitgesproken. Iedereen liep met haar weg, lijkt het. Alleen op haar poëzie kwam af en toe stevige kritiek (achterhaald, sentimenteel et cetera). Kiek negeerde het. Haar biograaf is er als eerste bij om critici te weerspreken.



Gelukkig zijn er altijd nog de gedichten.

Af en toe draaft Meijer door. Zoals in een uitputtend hoofdstuk over De kleine zeemeermin, een libretto voor een nimmer uitgevoerde opera van Rudolf Escher. En met een hoofdstuk getiteld Feminisme, politiek en huishouden waarin uitgebreid de positie van de vrouw in het naoorlogse Nederland wordt beschreven. Aan het slot van het hoofdstuk komen de werksters in het leven van de familie Droogleever Fortuyn – Janke van der Veen en Iepie Venema – ook nog even aan het woord. Dan zijn er nog de uitvoerige poëzie-interpretaties. Meijer mag graag gedichten van Vasalis onder haar microscoop leggen om te duiden wat zich allemaal tussen de regels zou kunnen afspelen.

Afgezet tegen de heersende mode over gedichten te schrijven in termen van economie en literair klimaat is ook daar wat voor te zeggen. Toch gaat er zelden een wervende werking van uit. Wat M. Vasalis. Een biografie uiteindelijk redt, is een schat aan onvoltooide, ongepubliceerde, van de prullenmand geredde gedichten en geschreven (dagboek)fragmenten. Daarin wordt een enorm talent bevestigd. Kiek kon fantastisch origineel formuleren, perfect balancerend tussen gevoel en rede, ergens halverwege Gerard Reve en Fritzi ten Harmsen van der Beek, met wie vriendschappelijke banden werden onderhouden. Wat ze schreef, getuigt van een diep inzicht, vooral in haar eigen ervaringen en omstandigheden.

Op basis van de ‘restjes' is het goed voor te stellen waarom zo vaak aan haar deur werd geklopt. En waarom haar er veel aan gelegen was zichzelf te beschermen tegen nieuwsgierigen, aanbidders en andere opdringers. De oprecht luisterende Margaretha Droogleever Fortuyn-Leenmans had veel weg van een mens met een verslavende werking, een zeldzaam begenadigde persoonlijkheid waar anderen nooit genoeg van krijgen. Kees Fens schreef ooit over een bijeenkomst met Vasalis waarbij ook gegeten werd. Hij had het ‘geluk' naast haar te zitten, ze was toen zevenenzeventig jaar.

"Na het hoofdgerecht werd het diner verondersteld losser te worden. Er moest van plaats worden gewisseld, dat was duidelijk. Vasalis bleef zitten", schrijft hij. "Ik stond op en achter mijn stoel stonden twee kandidaten die mij onmiddellijk wilden vervangen. ‘Je hebt nu lang genoeg naast haar gezeten', merkte een van hen fluisterend op. De jaloezie was minder luchtig dan het dessert dat we even later kregen." Gelukkig zijn er altijd nog de gedichten.


Boek: M. Vasalis. Een biografie. Auteur: Maaike Meijer. Uitgever: Van Oorschot Prijs €35 (1008 blz.)


Zie ook www.mvasalis.nl


Zie hier de voorbereidingen op de documentaire “sporen van Vasalis”



Info op hernehim; oktober 2002. Artikel van John Newswatcher


Binnengelaten - Een impressie over de dichteres Marie Vasalis.

Het is geen unicum als er een boek, of een poëziebundel uitgegeven wordt. Jaarlijks overstrómen de uitgevers ons met vele honderden titels van bekende of minder bekende auteurs. Het is voor een gewone geïnteresseerde lezer niet bij te houden en dan beschouwen we hier alleen nog maar datgene waar de Meulenhoff's, de Bezige Bijen, de Arbeiderspersen en al die andere grote bekenden ons mee verblijden. Daarbij is het verbazingwekkend hoe het fenomeen marketing zich óók al op literatuur heeft geworpen, als betrof het een nieuw deodorant of een smakelijk zoutje. Het succes van de 'marketeers' is onmiskenbaar, zij hebben alle literaire rubrieken in de media aan een touwtje hangen.

Bijna twee jaar geleden alweer schreef ik een column, toen elke weekend bijlage en iedere radio- en tv-rubriek, die zichzelf een cultureel sausje overgoot, zich opeens massaal op een Nederlandse Française wierp, die een beschouwing over 'de Nederlandse man' schreef. De dame debuteerde een triviaal boekwerkje aan de hand van 35 interviews met buitenlandse dames met 'n Nederlandse man als partner. Wekenlang wierp onze journalistiek zich op deze smakelijke dame en promootten haar in sneltreinvaart tot 'bekende Nederlander'.

Intussen bleven andere werkelijk interessante boeken onbesproken of op zijn minst onderbelicht. Het lijkt wel met literatuur net als met commerciëel gepromote jeugdrages. Daar is het een geaccepteerd feit dat er perioden zijn dat alle middelen periodiek worden opgezogen door één fenomeen. De ene keer heet het Pokémon dat naadloos overgaat in Harry Potter tot er weer iets anders is dat alles overschreeuwt. Misschien dat het daarom is, dat ik dit voorjaar een dubbel gevoel had bij de nalatenschap van de dichteres Marie Vasalis. Tijdens haar arbeidzame leven Margaretha Droogleever Fortuyn, psychoanalytica, langdurig verbonden aan de Universiteit van Groningen, die bijna vier jaar geleden, in 1998, stil in het dorpje Roden (Dr.) op bijna negentigjarige leeftijd overleed.

Zoals zovele dichters schreef zij haar poëzie naast het beroep wat zij uitoefende. Een páár bundeltjes maar, die mij zeer lief zijn. Geliefd, omdat zij die schreef in de tijd dat het geen bonton was om cryptogrammen te schrijven: moeilijk te doorgronden gedichten waarop de lezer zich lange tijd het hoofd kan breken over de diepe gedachten die de dichter tijdens het schrijven bezig hielden. Marie Vasalis' gedichten brengen in de eerste plaats een directe ontroering teweeg, ontroering die je diep in je binnenste kunt voelen, warmte, soms doen ze een traan opwellen. Ik wil hier een oud gedicht citeren, geschreven in een tijd vóór de spellings-vereenvoudiging van Marchand. De 'oude spelling' die het gedicht onmiskenbaar in een tijdsbeeld neerzet, maar niettemin is het nog springlevend en de verlangende spanning van de wachtende op de afspraak doet het sterk invoelen.

Omdat het door haar in het gedicht beschreven gevoel zo authentiek en tijdloos is, wordt de lezer onmiddellijk door haar binnengelaten: 


Wachten in den ochtend

Ik zat te wachten in een groot en leeg café
in bont gedoken, rillend in mijn eigen vuur
en alle bleeke kellners wachtten mee…
Zij spraken weinig, met gedempte stem:
ze wacht op hem, ze wacht op hem, op hem…
Er was geen klok, geen tijd, alleen maar duur.

De roode boomen brandden in het park omhoog
en het geblaarte rilde in hun naakte brand;
ik zag het, en ik zag een vreemde hand
voor mij op tafel, mager, en die soms bewoog
op 't roode kleed – de voorhang van een tabernakel

Toen was ik niets meer dan maar één tentakel
die blind'lings strekte, één blind oog voorop
en één doof oor, één sprakelooze, open mond,
gestrekt en zoekend tusschen duizend menschen
en afgeleid door geen – één dringend wenschen
totdat hij enkel maar dien enen vond,
dien 't oog kon zien, het oor kon horen
en dien de mond had uitverkoren
en die de roep daaruit verstond.

Tot hij daar was, tot hij daar stond
en ik, nog ganschelijk verloren,
hem nauw kon zien, hem nauw kon hooren.

"De Vogel Phoenix" - 1947 Uitg. Stols


Ik werd kriegel, omdat Marie Vasalis ná haar dood nog tot een soort hype wordt gemaakt.

Geen wonder dat het werk van Marie Vasalis ver na 1954 nog steeds bleef verkopen. Vanaf dat jaar verschenen er geen nieuwe bundels meer van haar hand. Maar de tot dan uitgegeven werken kwamen tegemoet aan de behoefte aan poëtische gedichten die bleef bestaan en die door de vijftigers en latere dichters van de tweede helft van de vorige eeuw steeds minder werden geschreven.  Natuurlijk bleef zij gedurende de volgende jaren nog regelmatig een gedicht schrijven. Immers welke dichter stopt nu ècht op zeker moment? Geen ènkele toch, zelfs als het slechts geliefde vrije tijdsbesteding is, het dichten blijft dóórgaan, zoals het ademen.

Maar na die oude uitgaven was zij zodanig vervuld van haar wetenschappelijke beroep dat zij niet meer publiceerde. Intussen oogstte Van Oorschot de opbrengst van de ene na de andere herdruk van haar oorspronkelijk werk. Natúúrlijk ben ik blij dat de latere pennenvruchten van Marie Vasalis niet tot de kleine familiekring besloten bleven, dat óók ik er kennis van mag nemen. Maar toch bracht het uitbrengen van "De oude kustlijn" weer zo'n dubbel gevoel. Want zonder enorm reclame bombardement zouden de liefhebbers van Marie Vasalis deze bundel moeiteloos hebben ontdekt, herkend en gekocht. Maar Van Oorschot was dagenlang niet uit de hilversumse studio's en de andere nieuwsmedia weg te slaan. Hij kreeg bij elke omroep, die zo graag het werk van de collega's nog een keer overdoen, een gastvrij onthaal.

Er werden intussen diverse goede bundels uitgegeven, maar we stonden bloot aan een enorm offensief waarbij uitsluitend het focus gericht bleef op die ene postume bundel 'De oude kustlijn'. En dat heeft Van Oorschot die al slapend rijk wordt van de eindeloze reeks van Voskuil niet nodig en Marie Vasalis al evenmin. Ik werd kriegel, omdat Marie Vasalis ná haar dood nog tot een soort hype wordt gemaakt. Als er al één is die zelf geen hype zou willen zijn is dat de dichteres zelf. Rustig, bescheiden, teruggetrokken en op het laatst van haar leven heel intens bezig met het ondergaan en de acceptatie van de naderende dood, waarmee ze ons een leerzame les naliet in alle schoonheid van haar poëzie:


Sub Finem

En nu nog maar alleen 
het lichaam los te laten – 
de liefste en de kinderen te laten gaan 
alleen nog maar het sterke licht 
het rode, zuivere van de late zon 
te zien, te volgen – en de eigen weg te gaan.
  Het werd, het was, het is gedaan. 

"De Oude Kustlijn" - 2002 Uitg. Van Oorschot


Tot over twintig jaar, tien of morgen?

Ik heb gewacht met deze impressie te publiceren om me zelfverwijt te besparen, immers direct reagerend zou ik mij óók hebben geschaard onder al die lieden, die zich verdringen als vazallen van Van Oorschot om aandacht voor de postume Vasalisbundel te vragen. Maar nu doe ik dit toch... 

Mea culpa, het is niet specifiek deze bundel waaraan ik denk, ik doe een poging om het innerlijke wezen van de dichteres Marie Vasalis te benaderen. Waarschijnlijk vanuit het weten dat ik haar over niet zo heel lange tijd ook in die late zon zal moeten volgen. Zij heeft me in dit open gedicht weer in haar gevoelswereld binnengelaten. Tot over twintig jaar, tien of morgen?



Info op schrijversinfo


M. Vasalis (een overzicht)

Werk


Poëzie

  • Parken en woestijnen (1940)
  • De vogel Phoenix (1947)
  • Vergezichten en gezichten (1954)
  • Sotto voce (vouwblad) (1981)
  • Kinderen (jaarwisselingsgeschenk, 80 ex.) (1982)
  • Phoenix (bibliofiel, 125 ex.) (1983)
  • De zomerwei des ochtends vroeg (poëziewaaier) (1993)
  • Gedichten (Parken en woestijnen/De voegel Phoenix/Vergezichten en gezichten) (1997)
  • 10 mooiste gedichten van M. Vasalis (poëziekaarten) (1999)
  • De oude kustlijn (2002)
  • Verzamelde gedichten (2006)
  • Op een vlot van helderheid (bloemlezing, gekozen en ingeleid door Hagar Peeters) (2009)


Proza

  • Onweer (in: Drie novellen - boekenweekgeschenk 1940)


Brieven

  • Bertus Aafjes schreef vanuit Egypte zes brieven aan M. Vasalis. Deze verschenen in 1948 in boekvorm met als titel: 'Egyptische brieven'. Een essay van Vasalis over (de door haar bewonderde) Bertus Aafjes werd herdrukt als nawoord bij deze 'Egyptische brieven'.
  • 2 brieven van Geert van Oorschot aan M. Vasalis (met haar commentaar) in: 'Geert van Oorschot, Brieven van een uitgever' (1995)
  • 1 brief van Ida Gerhardt aan M. Vasalis én (een overdruk van) 1 brief van M. Vasalis aan Ida Gerhardt in 'Courage! Brieven' (2005)
  • M.Vasalis / Geert van oorschot, Briefwisseling 1951-1987 (2009)


Dagboeken

  • Fragmenten uit een journaal, in 'Criterium' (vlak na de oorlog)


Overig non fictie

  • Kunstenaar en verzet (1958)
  • Dankwoord bij de aanvaarding van de P.C. Hooftprijs 1982 uitgesproken in het Muiderslot op 14 december 1983 (bibliofiel, 200 ex.) (1984)


Vertaald

  • 1 verhaal: 'Thunderstorm' in 'Harvest of the Lowlands', vertaald door Alfred van Ameyden van Duym, verzameld door J. Greshoff (1945)
  • 6 in het Frans vertaalde gedichten, naast de Nederlandse tekst + een artikel over Vasalis: 'Une oeuvre solitaire dans la poésie néerlandaise' in 'Septentrion. Revue de culture néerlandaise', nummer 2, 1981.
  • Fifteen poems (vert. James Brockway) (bibliofiel, 85 ex.) (1999)
  • Martin Koster vertaalde het gedicht 'Sub Finem' van M. Vasalis in het Drents. Het is te vinden in 'Zeuvendaagse. Wandelen met schrijvers door Drenthe', red. Ton Peters en Jan Veenstra (2008)


Tijdschriften

  • Vijf gedichten in 'Groot Nederland' (1936)
  • Serie gedichten in het tijdschrift 'Werk' (1939)
  • M. Vasalis schreef literaire kritieken in 'Criterium'.
  • Vasalis publiceerde in 'Tirade'., 'Ad Interim'.
  • 'Naar aanleiding van Atonaal' in 'Libertinage' (1952)


Over M. Vasalis

  • Een hoofdstuk over 'Tijd' van M. Vasalis en 'Schim op schim' van Mathias Kemp in 'Vers tegen vers' van Hendrik de Vries (1949)
  • 1 gedicht: 'Diep van mijzelf...' met een verklaring in 'Geloven in gedichten' van H. van der Ent (1980)
  • Rudolf van de Perre, 'M. Vasalis' (1980)
  • Een bijdrage over M. Vasalis in 'Kritisch Lexicon van de Nederlandstalige Literatuur na 1945' door Remco Ekkers (mei 1982/augustus 1988)
  • Een column: 'Vasalis tachtig' over M. Vasalis in 'Overgangscursus' (1990) van Renate Rubinstein.
  • Gerrit Komrij besteedt in 'Kost en inwoning. De Nederlandse poëzie in enige nagekomen gedichten' (2005) een hoofdstuk aan het gedicht 'Rebus in de bus' van M. Vasalis.
  • Léon Hanssen, 'Een misverstand om in te geloven - de poëzie van M. Vasalis' (2007)
  • Ronald Ohlsen, 'Op bezoek bij M. Vasalis' in 'Zeuvendaagse. Wandelen met schrijvers door Drenthe', red. Ton Peters en Jan Veenstra (2008)


Diversen

  • Henk van Ulsen (Poëzie Hardop), M. Vasalis. Door natte haren kijkt een engel binnen (LP)
  • Het gedicht 'De trek' van M. Vasalis wordt op de lp 'Zegge en schrijve... zestien. Gedichten voor het onderwijs' gelezen door Elisabeth Andersen.
  • een gedicht in het tweehonderdste nummer van Tirade ('Is het vandaag of gistren, vraagt mijn moeder').
  • Een zelfportret van Vasalis in 'Schrijvers tekenen zichzelf' (1980). Een uitgave van 'De Revisor'.
  • T. van Deel, Stemmen van schrijvers (1: J. Bernlef, F. Harmsen van Beek, Judith Herzberg. Chr. J. van Geel, Rutger Kopland, Willem van Toorn, M. Vasalis, Ad Zuiderent lezen hun gedichten) (cassette) (1984)
  • Lisette Lewin ontleende de titel van haar roman 'Voor bijna alles bang geweest' (1989) aan het gedicht 'Angst' van M. Vasalis.
  • Een gedicht: 'Vir Elisabeth' in 'Uit liefde en ironie', Liber amoricum voor Elisabeth Eybers, redactie Hans Ester en Ernst Lindenberg (1990)
  • 2 parodieën (o.a. door Gerrit Komrij op 'Sotto voce') in 'Ik ben geboren in Apeldoorn. Groot parodieënboek' (samenstelling Rody Chamuleau en J.A. Dautzenberg) (1994) (En niet het snijden doet zo'n pijn, Maar het afgezaagd refrein.)
  • Patty Scholten droeg het gedicht 'Tweetenige luiaard' in de bundel 'Ongekuste kikkers' (1997) op aan M. Vasalis.
  • Op 16 oktober 1999 vond in Groningen een herdenking plaats van M. Vasalis. Op die dag droegen bekende dichters en schrijvers zoals Rutger Kopland, Jean Pierre Rawie en Ronald Giphart al haar werk voor. Daarnaast was er een expositie over het leven van de dichteres, en een discussie over de betekenis van haar werk.
  • Tijdens de boekenweek 2002 kon men via internet een eigen bundel met liefdesgedichten samenstellen. M. Vasalis stond in de top 10 van meestgevraagde dichters op nummer 4.
  • Treinmaatschappij Arriva schafte in 2007 43 nieuwe treinstellen aan. Arriva is actief in Groningen en Friesland en vernoemde de treinstellen naar een personaliteit uit het Nederlandse Noorden. Ook Vasalis kreeg 'haar eigen' trein (treinnumer 312).
  • In de tuin van Sint Bernardus in het centrum Bredevoort is onder de titel 'Beeld & Poëzie' in 2008 een literaire wandeling uitgezet. Fotografen hebben zich laten inspireren door gedichten en in de fraaie tuin hangen de foto's boven de gedichten. Van M. Vasalis zijn er de gedichten 'In de oudste lagen van mijn ziel' en 'Sotto voce' verbeeld.


Literaire prijzen

  • Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 1941 voor 'Parken en woestijnen'.
  • Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam 1955 voor 'Vergezichten en gezichten',
  • Constantijn Huygens-prijs 1974 voor haar gehele oeuvre.
  • P.C. Hooft-prijs 1982 voor poëzie voor haar gehele oeuvre.
  • T.g.v. de eerste Landelijke Gedichtendag op 27 januari 2000 was er een verkiezing van het 'meest favoriete gedicht'. 'Tijd' eindigde op de tiende plaats.


Opmerkingen

  • Haar vader was leraar geschiedenis. Ze groeide op aan de rand van Scheveningen. Ze bezocht het Nederlandsch Lyceum in Den Haag. Daarna ging ze in Leiden geneeskunde studeren. Ze studeerde ook antropologie.
  • Vasalis was in haar studietijd bevriend met prinses Juliana.
  • Na haar studie verbleef ze een klein jaar in Zuid-Afrika.
  • Vasalis had een betrekkelijk klein oeuvre, zo'n 100 gepubliceerde gedichten.
  • Vasalis werkte vanaf 1939 als psychiater in Amsterdam.



  • Toen haar man benoemd werd tot hoogleraar in de psychiatrie in Groningen verhuisden ze naar Roden. Vasalis ging als kinderpsychiater in Assen werken. In Roden woonde ze in een huis dat 'De Zulthe' heet (Maatlanden 2, 9301 TZ Roden). Het is nu een 'bed & breakfast'.
  • Haar werk wordt gekenschetst als: sober romantisch-realistisch. Uit haar eenvoudig lijkende gedichten (wat betreft vormgeving en woordgebruik) spreekt een licht weemoedige kijk op het leven.
  • In augustus 1936 verschenen vijf gedichten van Vasalis in het tijdschrift 'Groot Nederland'. Menno ter Braak wijdde in januari 1937 zijn kroniek in 'Het Vaderland' aan die publikatie. Dat was heel bijzonder, want er was nog geen bundel.
  • 'Parken en woestijnen' verscheen als aflevering tien in de tiende jaargang van de Helikon-reeks van A.A.M. Stols. Binnen twee maanden waren de driehonderd exemplaren uitverkocht. De tiende druk in november 1941 bracht het aantal verkochte exemplaren binnen een jaar op tienduizend.
  • Het gedicht 'De kleine zeemeermin' stond in 1941 al in het boekenweekgeschenk 'Novellen en gedichten'. Later (1947) werd het opgenomen in 'De vogel Phoenix'.
  • Vasalis trad in oktober 1966 als getuige à decharge op voor Gerard Reve in zijn geruchtmakende 'Ezelsproces'. Voor de rechtbank verklaarde Vasalis over Reve: "Voor hem - en dit is mijn stellige overtuiging en conclusie - zijn God, Dood, Liefde een onontkoombare werkelijkheid waarbuiten hij nóch leven nóch sterven kan. En hiervan getuigt hij op een persoonlijke manier." Vasalis had Reve in de periode daarvoor bijgestaan in zijn strijd tegen de drank.
  • Ook de schrijver/dichter Jan Arends is bij Vasalis onder behandeling geweest. Arends zegt hierover: 'Mevrouw Vasalis, de dichteres en psychiater, heeft me eens uitgelegd dat masochisme in alles doorwerkt, niet alleen sexueel. En dat is waar: ik heb altijd alles afgebroken.'
  • Vasalis heeft nooit interviews gegeven. Alleen staat ze in 1947 P.H. Ritter jr. te woord. Het verslag van die ontmoeting is in verschillende versies gedrukt (o.a. in - alweer - een boekenweekgeschenk: Ontmoetingen met schrijvers - 1956). In een bloemlezing met beschouwingen over het werk van Vasalis die verschijnt na toekenning van de P.C. Hooftprijs, zegt de samensteller Dirk Kroon: 'Volgens mededeling van de dichteres was dr. P.H. Ritter jr. binnengekomen door zich als patiënt aan te melden".
  • Er is wel sprake van de 'grote drie' naoorlogse dichteressen. Het gaat dan over M. Vasalis, Ida Gerhardt en Elisabert Eybers.
  • M. Vasalis overleed in 1998. Haar man overleed kort daarna.
  • In Roden zal een monument worden geplaatst om de herinnering aan Vasalis levend te houden. De beslissing is in november 1999 door burgemeester en wethouders genomen en de kinderen van Vasalis hebben te kennen gegeven dat ze het voornemen van harte ondersteunen.
  • Woonborg heeft het woonzorgcomplex aan de Touwslager in Roden naar Vasalis genoemd. Er staan gedichten van Vasalis in/op de gordijnen in het atrium.
  • Vasalis ligt begraven op de begraafplaats Zorgvliet in Amsterdam (graf C-I-320, haar naam staat niet op het graf vermeld).
  • Er bestaan in Roden plannen voor een poëzietuin bij de koetsierswoning Havezate Mensinge. De tuin moet een herinnering worden aan het werk van Vasalis. Kunstenaars Wim Cuyvers, Irene Fortuyn en Erick de Lyon zijn gevraagd om een schetsontwerp in te leveren.
  • Het Letterkundig museum publiceerde begin 2007 een top 100 van grootste dode schrijvers. Ook M. Vasalis was in dit 'Pantheon' opgenomen. Eind 2008 zal het museum met een permanente expositie aandacht aan deze schrijvers besteden.
  • Op het Abel Tasmanplein, voor de voormalige Zeevaartschool ( het huidige IVAK- gebouw) in Delfzijl staat een bronzen vrouwenfiguur op een hoge sokkel. Om haar voeten krult een golf. Op het granieten voetstuk staat een gedicht van Vasalis te lezen, waarin verwezen wordt naar slachtoffers van een ramp. Dit beeld werd gemaakt ter gelegenheid van het honderdjarige bestaan de zeevaartschool Abel Tasman. Het herdenkt oudleerlingen van de school die tijdens de oorlog omkwamen.

Op begraafplaats Zorgvlied ligt, direct achter het hek, sinds 2003 een monument voor de hier begraven schrijvers. Het monument bestaat uit een 'gebroken kolom' (een veel gebruikt symbool voor het afgebroken leven) en een 'geblokte vloer' waarin op kleine witte, vierkante tegeltjes de namen van de op Zorgvlied begraven schrijvers staan. Aan de open plekken in de vloer te zien, ontbreken er nog schrijvers, of men houdt nu al rekening met toekomstige begrafenissen.


Anderen over M. Vasalis

  • Er was iets vederlichts in deze vrouw, wier heldere, intelligente ogen alles wat buiten die ogen leefde in de kamer die ik betrad, tot iets bijkomstigs maakte. Het gesprek was "gezwind". Korte zinnen, korte antwoorden. (P.H. Ritter, Ontmoetingen met schrijvers, blz. 63)
  • Zij vertegenwoordigt geen uitgesproken ideologie, doch zij weet het hart waardig 'op tafel te zetten' zoals weleer met middeleeuwse sier vrouwenhanden dit deden met het hoofd van heer Halewijn. (Bertus Aafjes in Criterium, 1941)
  • Vasalis dicht in trotse, vrije beelden. Haar gemoedsleven is in staat op een werkelijk verbluffend-directe wijze het beleefde in een buiten haar staand (en toch zeer persoonlijk aandoend) objectief beeld om te zetten. Er is tekenachtigheid in het detail, forsheid in de contouren. Het sterkst misschien spreken deze eigenschappen van Vasalis, wanneer de natuur of het aan de natuur verwante haar stijl inspireert. Haar losse, soms wat baldadige, maar altijd sterk suggestieve en eerlijke beelden, komen uit een zeer ontvankelijk, soms wat verbeten gemoed voort en vormen dan ook de karakteristieke en eigen stijl van Vasalis. (Aanbeveling van de commissie voor de Van der Hoogtprijs 1941)
  • In haar opleiding tot psychiater en haar omgang met intellectuelen en kunstenaars kreeg ze een verfijnde smaak en een 'verwend gemoed' en hoe graag zet ze dat dan weer opzij voor zoiets eenvoudigs al een volks amateurorkest. (Willem Wilmink, Wilminks keus II, blz. 29)
  • Gister om acht uur werd bekendgemaakt dat Vasalis de P.C. Hooftprijs voor poëzie krijgt. Een merkwaardige beslissing, men heeft zo diep in de krochten van de literatuurhistorie gezocht. Er wordt iemand bekroond die al sinds mensenheugenis niets meer doet. (Hans Warren, Geheim dagboek 1982-1983, 06-08-1983, blz. 145)
  • De lezers hebben een ongewone, want zeer zelfstandige trouw getoond: zeker haar eerste bundel 'Parken en woestijnen', is een van de meest verkochte uit de Nederlandse literatuur. En enkele gedichten eruit ('De idioot in het bad', 'Afsluitdijk', 'Fanfarecorps') hebben het stadium bereikt dat zelfs het eindeloos citeren ervan niet tot verzadiging leidt. (Kees Fens, Doorluchtig glas. Vijftig jaar P.C. Hooft-prijs, blz. 74)
  • Ook werd ik naar een psychiater gestuurd, ene mevrouw Fortuin. Heel veel later zag ik haar weer, in het Muiderslot, toen ze de P.C. Hooftprijs kreeg. Ik zat dat jaar in de jury die de prijs aan Vasalis gaf. Op het feestje om het te vieren heb ik haar toen een sentimentele kus gegeven. (Rob Schouten, in: Ik herinner mij, blz. 142)



  • Ze had iets voornaams, van haar eenvoudige kleding tot in haar kleinste handbewegingen toe. Haar grijze haar droeg ze met een knot - een wat vierkant woord - haar zeer donkere en vooral felle ogen staken daarbij indrukwekkend af. (Kees Fens, Volkskrant, 07-03-2002)
  • Vasalisachtig bleven alle ezels,
    de Afsluitdijk en introverte vrouwen in cafés,
    de zelfmoorddromen en de vaderlijke geest
    van de afstandelijke lijfdocent, de dood.

    (Ed Leeflang, Van poëzie, fragment)


Info op nrcboeken.nl; d.d. 13 februari 2009. Artikel van Maaike Meijer


De bundel die er niet zou komen.  Voorpublicatie uit de biografie van dichteres Vasalis

Vandaag honderd jaar geleden werd dichteres M. Vasalis geboren. Eind 2009 komt haar biografie uit. Hieronder een voorpublicatie, over haar vierde bundel – die er niet kwam.
Deze tekst bestaat uit delen van hoofdstuk 23 van de Vasalis-biografie van de hand van Maaike Meijer. Het boek zal naar verwachting eind 2009 verschijnen bij uitgeverij Van Oorschot.

In het late najaar van 1961 is het inmiddels zeven jaar geleden dat Vasalis’ laatste bundel verscheen. Gezien de tussenpozen van zeven jaar tussen Parken en woestijnen (1940), De vogel Phoenix (1947) en Vergezichten en gezichten (1954) zou het prachtig zijn als er nu een nieuwe Vasalis-bundel zou uitkomen.

Vasalis lijkt dat moment te voelen naderen. In het najaar van 1959 schrijft ze aan haar uitgever Geert van Oorschot dat ze ‘weer wat aan het schrijven’ is, maar dat pas over twee jaar wil laten zien. Ze heeft de datum van 1961 dus wel degelijk in haar gedachten. Toch gaat haar regelmatige contact met Van Oorschot vooral over zaken. Van Oorschot zit – als altijd – achter een nieuwe bundel aan, maar hij wil bovendien het alleenrecht op Vasalis hebben, ook over de bundels uit 1940 en 1947, waarvan het uitgaverecht nog steeds bij Stols berust.

Hij vraagt Kiek (de bijnaam van Vasalis) maandenlang om haar contracten met Stols nu eens op te zoeken opdat kan worden verhinderd dat Stols de inmiddels uitverkochte De vogel Phoenix toch weer zonder overleg met haar gaat herdrukken. Als dat gebeurt zal het des te moeilijker worden om ‘ons van deze meneer los te maken’ zoals hij het formuleert.
Het in april 1961 dan eindelijk naar tevredenheid afgeronde contract geeft ruimte voor een veel belangrijkere vraag: komt er een nieuwe bundel? Vasalis weet het waarachtig niet:

„Zooals het nu staat zijn er te weinig verzen en één groot waaraan ik – met lange onderbrekingen – bezig ben, is nog zoo zeer in aanbouw, dat ik er nauwelijks iets over voorspellen kan. Ik had nog andere dingen op ’t programma, namelijk een toneelstuk, waarvoor men mij een opdracht wil geven en een paar verhalen, die ik probeer te schrijven. Maar er is niets over de helft klaar en ik werk me erg moeizaam door een moeras van verplichtingen en therapieën heen tot half Juli.

Dan houd ik op met werken in Assen. En dan moet er een beslissing komen of ik op het bureau in Groningen ga werken, met andere woorden of ik echt kinder-psychiatrie blijf doen, òf dat ik heelemaal uitschei en me op mijn andere werk zal storten. Ik geloof nooit, dat ik dat laatste kan of durf.

„Mijn laatste bundel kwam in de winter uit, op ’t laatste nippertje, niet in ’t najaar. Als dus mijn volgende in December 1961 uit zou komen was ik nog binnen mijn magische 7 jaar. Maar ik weet ’t niet, ik ben af en toe zoo moe, dat ik zelfs geen brief kan schrijven. Als ik een uur per dag alleen ben is dat veel en dat uur is dan nog nooit gespaard door telefonen. Ik denk er wel eens over om een kamer te nemen, om te kunnen werken, maar dat is ook weer zoo opzettelijk dat ik bij ’t idee al moet lachen.

„Ik denk dat mijn leven zoo blijft tot de kinderen uit huis zijn, dat is over ruim vier jaar. Misschien kan ik daarna zoowel wat ongebondener als geconcentreerder leven. Na de vacantie, dus in September kan ik je met meer zekerheid zeggen of die bundel al of niet klaarkomt.”

Hier is Vasalis’ probleem ten voeten uit. Te veel, te druk, te moe, nog geen uur per dag alleen en ze durft niet radicaal te kiezen voor haar creativiteit. De ziektes van haar kinderen en de pijnlijke hernia die haar blijft kwellen kunnen daaraan worden toegevoegd. Maar ze komt niet terug op wat ze Van Oorschot schrijft. Ze neemt die werkkamer voor zichzelf niet en de nieuwe baan in Groningen wel.

En ze heeft net – begin mei 1961 – haar moeder uit Den Haag gehaald, want het gaat dan even niet goed met moeder: „[Ze] ligt nu bij ons in bed, heel stil en wat ongelukkig. Ze is af en toe wat gedesoriënteerd, wat ze helaas zelf merkt. Zondag is ze jarig, 85 jaar. Haar circulatie geeft het op, af en toe.”
Hoewel Kiek de zorg voor haar moeder in latere jaren, als ze bedlegerig wordt, gaat delen met haar zus Ank, zal de beminde zieke haar toch veel tijd kosten. Ook veel geluk geven, maar dat is nu precies Kieks eeuwige dilemma. Als het gaat om de kunst of het leven wint het leven altijd, en zonder leven heeft de kunst – die bij haar op een voedingsbodem van leven teert – voor Vasalis geen betekenis.

Ondanks de schaduw die het uitblijven van de nieuwe bundel werpt, gaat het Kiek in het najaar van 1961 en in 1962 tamelijk goed. „Er zit Goddank weer diepte en ruimte in het bestaan, af en toe zelfs wat teveel”, laat ze Geert weten. Ze wil ook graag dat Geert, Hil en de kinderen haar Groningse leven weer eens komen proeven:
„Het is hier zo’n opluchting om te leven. Ik weet niet precies waaraan dat ligt. We zijn hier zo gelukkig als ’t hoort: dat wil zeggen vaak ongelukkig, maar niet benard. Met ruimte en niet àl te mooi. Met ongemakken, die de werkelijkheid accentueren. In een isolement dat – omdat we werken – niet tot solipsisme leidt.”

Maar dat ‘werken’ is voor Vasalis nu werken als psychiater en niet schrijven. Daartoe ontvalt haar weer eens de moed als ze in de zomer van 1962 de brieven van Emily Dickinson en Vincent van Gogh leest, die ze beide heel aangrijpend vindt:
„Bij Emily Dickinson veel meer lacunes, die je met je ervaring of fantasie kunt opvullen; brieven veel vreemder en minder direct, ‘gekker’ dan die van Van Gogh. Bij beiden indrukwekkende werk-kracht en isolement. Het lijkt me nu alsof men toch in een of ander opzicht ziek moet zijn of wat kapot om zo iets rijks en gaafs als hun kunst voort te brengen.”

Vasalis vergelijkt zichzelf met deze kunstenaars. Ze beseft dat zij zelf niet heeft gekozen voor die diepe eenzaamheid, waaruit de grote kunst voorkomt. Ze is ook niet beschadigd. In plaats daarvan gaat ze gebukt onder de kleine, dagelijkse zorgen, niet groot genoeg om zich ervan los te vechten.
„Zolang het ‘wel is uit te houden’, krijgt men wat men verdient, het middelmatige, onvrolijke, onwanhopige leven, met een slecht geweten, de stille hoogmoed van iemand die zich niet volledig inzet en denkt: als ik het zou doen, dan zou je eens wat zien.

Het enige wat helpt is werken en zorgen, dat het leven niet de plaats inneemt van het Leven dus fit blijven als een sport-professional. Ik geloof niet dat ik het kan. Ik heb te lang gewacht, en gefree-wheeld op een aanwezig talent, te weinig ook geloofd aan mijn vermogens en de noodzaak om te werken. Zoals het gegaan is heb ik noch het gewone goede leven geleid, noch het moeilijke van een kunstenaar, met de pretentie van beiden te doen.”

Ze geeft het op. En ze betreurt dat ze noch heeft kunnen kiezen voor het barre kunstenaarsleven, noch voor voluit genieten van een leven zonder de drang tot dichten. Het is het dilemma waarin ze lange tijd gevangen blijft: haar dagboek laat zien hoe ze heen en weer wordt geslingerd tussen willen maar niet kunnen, wel kunnen maar geen tijd hebben, en tenslotte niet meer kunnen en zich daar schuldig over voelen. In april 1963 bericht Vasalis haar uitgever toch geruststellend dat ze elke dag schrijft.

Ook heeft zich nu het perspectief van een verhuizing naar het stille Drentse Roden geopend met „meer rust en isolement [...] zodat ik eens allerlei kan afmaken.” Maar als Geert medio juni 1964 weer eens voorzichtig informeert hoe het ermee staat is haar antwoord:
„Alle papieren, boekjes, briefjes liggen nog net zo in een kast als ik ze vervoerd heb uit Groningen. Het huis is nog grotendeels in staat van wording en ik in staat van ontbinding. Het was oorspronkelijk een vacantie-oord en als zodanig wordt het blijkbaar nog helemaal beschouwd.

Moeder vormt ook een grote attractie en ze geniet zo van bezoek dat ik het hart niet heb ’t te remmen. – Het komt er dus op neer, dat er geen sprake is van vrije tijd. Wel schrijf ik iedere avond plusminus een half uur. Maar zelfs brieven komen niet af. Nu gaan we maandag veertien dagen op reis. Kom je in augustus (tweede helft) eens langs? Ik heb de verzen van de laatste acht jaar nooit meer overgelezen maar mijn indruk is, dat ze niet goed zijn.”

De overtuiging dat het niet goed is wat ze schrijft wordt vanaf dit moment bij Vasalis steeds duidelijker. Daarmee groeit ook haar weerzin tegen haar oude werk, dat Van Oorschot regelmatig herdrukt en dat haar „onbeschrijfelijk de keel uithangt”. In maart 1965 schrijft ze Van Oorschot:

„Ik heb wel een nieuwe bundel, maar ook daar heb ik nu al zo’n weerzin tegen, dat hij blijft waar hij is. Ik kan pas weer iets publiceren als ik van binnen gereorganiseerd ben, àls ik dat nog word. Ondanks dat schrijf ik bijna iedere avond nog steeds door, het is een gewoonte geworden als roken etcetera. Ik ben nu aan ’t opruimen en verscheuren van de laatste vijf jaar. – Deze week komt moeder weer voor een maand of vier.”

En als moeder weer komt wordt er in elk geval niets afgemaakt, zoveel weet Van Oorschot intussen ook. Zelfs het sturen van een enkel gedicht voor Tirade durft Vasalis niet meer aan. Terwijl ze Van Oorschot zelf vaardige literaire adviezen verstrekt over zijn verhalen en romans en alle nieuwe poëzie bijhoudt – ze is dol op Leo Vroman en weg van Fritzi Harmsen van Beeks ‘Geachte Muizenpoot’ – graaft de twijfel aan haar eigen kunnen steeds dieper.

Het is nu inmiddels haast tien jaar geleden dat de laatste bundel verscheen. Het wordt een kwelling, die in deze periode op aangrijpende wijze is samengebald in een fictief interview voor de televisie met de dan toonaangevende criticus Hans Gomperts. Gomperts heeft Vasalis ook daadwerkelijk opgebeld in 1962, op een karakteristiek drukke dag. Kiek krijgt zelf ook een punthoofd van die eeuwige drukte en noteert die episode in haar dagboek:

„28 [augustus 1962]. Voorbeeld van een chaotische dag: Te laat wakker, 8 u. 8.30 telefoon van M. uit Delft. Hieruit vloeien voort: telefoon aan Dr. S. Amsterdam. Mis. Tel. aan H.T. 2x , thuis & in de kliniek. Telefoon aan M.G. in Delft. Daarna telelefoon voor Jan. Toen telefoon van Gomperts (intussen 9.30, mevr. St. & Lina dribbelen, respectievelijk wandelen door huis, vragen om de was etc.) Gesprek met Hans G[omperts], desorganiseert me. Hij zegt, we willen weer de belangstelling voor je werk wekken in een vraaggesprek voor de T.V. Ik: wat heb ik daaraan voor mijn werk?

Hans: het zou je misschien stimuleren iets te maken. Ik: zou ik beter schrijven als ik voor een T.V. camera had gestaan? H: ’t zou je misschien weer wat contacten opleveren. Ik: ik heb al veel te veel contacten etc. De kwestie is eenvoudig: ik zou geen een vraag eerlijk kunnen beantwoorden. Der Freund hört mit. Intussen hebben we met z’n zessen koffie gedronken – is het weer 12 uur.”

Vasalis’ beroep brengt niet zelden crisissituaties met zich mee. Op bovenstaande ochtend moet ze vermoedelijk een spoedopname regelen. Huishoudelijke hulp is fijn, maar betekent ook dat je nooit meer alleen bent. En dan is er op deze dag nog niet eens iemand ziek, heeft ze geen acute hernia en zijn er geen logés. De uitdrukking ‘Der Freund hört mit’ (Kieks variatie op de oorlogsuitdrukking ‘Feind hört mit’) wijst op het eerste gezicht op een verlegenheid, een schaamte juist ten opzichte van vrienden over dat het schrijven niet meer lukt.

Maar ook zijn vrienden vanuit het schrijversperspectief vijanden, omdat het de sociale omgang is die Kiek blokkeert in het schrijven. Dat kan ze onmogelijk op de televisie vertellen: ze wil niemand kwetsen. Zo raakt Vasalis in een knoop met zichzelf, nu de houdbaarheidsdatum van een continu schrijverschap begint te verstrijken. En er zit soms nog een element in haar reflecties behalve embarassment over het gebrek aan continuïteit en het nimmer willen kwetsen van  intimi.

Aan Van Oorschot schrijft ze ergens in 1963:
„Moeder heeft de t.v. aan, ze ligt met haar barnstenen gezichtje en haar ‘schuimwit haar’ ernstig naar die nonsens te kijken en te luisteren in haar kamer naast de huiskamer en de twee klokken tikken door elkaar zo onregelmatig en vertrouwd als twee koeien met verschillende bellen om. Ik kan weinig anders doen deze tijd dan mijn ‘geoorloofde’ werk: het psychiatriese en de verzorging van Jan, moeder, Maria. – Misschien krijg ik nog eens meer tijd.”

‘Geoorloofde’ werk, staat er. Ergens diep in haar hart mag dat schrijven niet, omdat het af gaat van wat Vasalis hier bestempelt als werk dat wel geoorloofd is: psychiater, echtgenote en zorgende moeder zijn. Tijd ‘krijgen’ is weliswaar een staande uitdrukking, maar het heeft iets afwachtends in zich: men kan ook tijd nemen. Maar Kiek heeft het gevoel dat ze geen keus meer heeft.
Nee, er kwam geen televisie-interview met Vasalis in 1962.



Maar in haar verbeelding kwam het er wel. Die tekst citeer ik in zijn geheel. Vasalis heeft de beelden die tijdens het gesprek op het scherm voorbij zouden moeten trekken als regieaanwijzingen toegevoegd:


Waarom ik nooit een T.V. interview zou toestaan.

G[omperts]: Je hebt, geloof ik, een gelukkige jeugd gehad. Woonde je niet aan zee, in ieder geval dichtbij?

I[k]: Ja. –
Foto’s van het strand, de duinen, donker bruine foto’s van Ankie & mij in een zandhoop, de bosjes van Poot. Foto’s van moeder als beeldschoon, gaaf, ernstig, jong meisje. Brutale & gevoelige foto’s van vader als jongen. Foto’s van Harlingen, de 3 generaties, van moeders vader een bleke mooie man met golvende krullen, omatje, rillerig met een kantje op haar haar, heel lichte kinderogen.

G: Je 2 grootvaders waren dominée?

Ik: Ja. –
Foto van opa uit Harlingen, breed & koud kijkend, zwak-tyranniek.

G: Al komt het niet zo duidelijk uit, ik geloof, dat je jeugd een grote rol in je werk speelt.

Ik: De enige rol. Jeugd is voor mij het heden. Alles wat ik beleef is jeugd. Als ik niets beleef is het ouderdom. Herinneringen ook, als ze niet kers-vers zijn. Ik geef alleen om kers-vers.

G: Bedoel je, dat je alleen van nieuwe dingen houdt?

Ik: Ik houd helemaal niet van nieuwe dingen. Ik houd van oude dingen, van dingen die ik nieuw zie. Nieuwe dingen zie ik niet gauw, daar ben  ik bang voor. Die ken ik niet. Oude dingen ken ik ook niet, als ik ze niet herken. Vroeger gebeurde alles vers, maar langzaam, zodat je eraan wennen kon.

G: ?

Ik: Ik lag op het dak, het rook naar pek, omdat er zon was. Ik trok kiezels uit de pek, met een lange draad, zwart. Ik rook aan de zinken dakrand en aan de schoorstenen. Iedere schoorsteen rook anders. Ik zag op het dak de duinen & de zee, en de straat & de mensen. De duinen lagen stil. Maar vers. Het kanaal stroomde langzaam, de zee flonkerde. Altijd. De mensen gingen voorbij. Ik had er een prettig soort heimwee. Ik wou, dat het altijd zo bleef als het was.

G: Heb je dat gevoel nog?

Ik: Nee. Tenminste niet vaak. Ik heb nu ’t gevoel, dat ik in een wachtkamer zit, mijn mantel maar niet uittrek.

G: Wanneer ben je dat gevoel kwijtgeraakt.

Ik: Laat. – Een van de eerste redenen waardoor ik het land aan Goethe kreeg is door Faust die we op school lazen. Hij zal zijn ziel aan de duivel verkopen, zodra hij van ’t ogenblik denkt verweile doch du bist so schön. Dat vond ik zoiets wonderlijks. – Het enige wat ik altijd dacht was juist: ik hoop dat ’t zo blijft, onafhankelijk van de omstandigheid of ik gelukkig of ongelukkig was. Ik kan niet tegen verandering.

G: Hoe zie je dat psychologies?

Ik: zeg maar gerust: psychiatries. Ik ben bang. Voor de toekomst, voor wat er nog niet is. Ik heb nooit dagdromen over ‘later’ gehad, en ook geen plannen. Alles moet zich nu afspelen.

G: Ben je veranderd, zelf?

Ik: Nee, verouderd. Ik kom nog maar incidenteel voor.

G: Hoe komt, dat je zo weinig gepubliceerd hebt.

Ik: Omdat ik er niet tegen kan als iets niet goed is en omdat ik veel schrijf wat niet goed is. Dat ik blijf schrijven is een kwestie van lijfs-behoud. Ze zeggen altijd dat je in de sneeuw niet moet gaan zitten want dan ga je dood. Je moet blijven lopen, zeggen ze.

G. Waarom ben je psychiater geworden.

Ik: Omdat het ’t meest op leven lijkt, dat vak. En omdat geestelijk lijden veel erger is dan lichamelijk, hoewel dat ook niet meevalt. Maar dat niet alleen. Omdat zenuw-zieke en  geestes-zieke mensen zich onverdund met de enig-belangrijke dingen bezig houden. Waar ze niet uitkomen. Het is ook jeugd, kers-vers.

G: Wat is voor jezelf het belangrijkste: je vak of schrijven.

Ik: Ik weet het niet. –

G: Voel je je beroerd.

Ik: Ja.

G: Zullen we dit maar stoppen?

Ik: Ja. Ja!

G: Zijn we iets verder gekomen?

Ik: Nee.
Foto’s van de zee.

Hans: zal ik je naar huis brengen? Waar woon je?

Ik: Ik weet het niet. –

The End.”

Treffender antwoord aan Gomperts had Vasalis niet kunnen geven. Wat zij vertelt is zo authentiek en zo kwetsbaar dat zij het zelf bijna niet verdraagt en ervan gedesoriënteerd raakt. Hoe wijs, om zichzelf te beschermen en niet in het openbaar met Gomperts te spreken. Want ze weet niet hoe het nu verder moet, en ze lijkt zich dat ten volle bewust te zijn door dit fictieve interview te schrijven.

Het moet niet zozeer verder als wel terug: terug naar een jeugd, die staat voor een manier van bestaan die ‘kersvers’ is. Ze is op zoek naar onmiddellijke werkelijkheidsbeleving, naar een ‘nu’ dat ze verloren heeft. Ze kan er niet meer bij en daardoor weet ze hier als het ware niet meer waar ze woont.

Ze heeft al eens eerder beschreven hoe ze altijd hecht aan de huidige toestand, gelukkig of ongelukkig, maar in elk geval aanwezig. Het heimwee naar ‘kersvers’ biedt ook een belangrijke sleutel voor het begrijpen van een facet van Vasalis poëzie, namelijk het dynamische karakter ervan. Ze wil het hebben over de wijze waarop het nu-moment zich openbaart. Ze werkt ernaartoe. Haar poëzie moet die openbaring voltrekken. Haar numen is het nu.

In het gedicht ‘Cannes’ wordt de ‘ik’ getroffen door het inzicht dat het alleen daarom gaat:

[...]
besef ik plotseling de enig werkelijke zonde:
dat ik door het verwonderlijkste nauw geraakt,
zonder besef door het bestaan gezegend
en door de schadelijkste dingen nauw geschonden,
ver van de werkelijkheid ben weggeraakt.

‘De werkelijkheid’ is het nu-moment. En in haar jeugd was die onmiddellijke beleving er altijd. Dat is de paradijselijke wereld waaruit ze is verdreven en die ze zou willen herwinnen.

Het is de wereld van de jonge ezel, waarin de dichter Vasalis een verloren zelf zag: ‘Die gaafheid en zachtzinnigheid, onzware ernst en droomrigheid/ o kon ik dat nog ééns herwinnen/ kon ik nog ééns opnieuw beginnen.’

Haar gedroomde werkelijkheid is het ‘wonderlijk gespleten, lange heden’ waarmee ‘Afsluitdijk’ eindigt. Het gedicht is de nu-machine. Poëzie is de koninklijke weg om tot hereniging van haar oude en jonge zelf te komen. Als die weg afgesloten raakt kunnen herinneringen aan haar jeugd de toegang misschien weer openen.


Info op woestenledig d.d. 17 oktober 2011

M. Vasalis voor t.v. kijkers verklaard

Het blijft wringen. Margaretha Droogleever Fortuyn-Leenmans leefde bewust uit het zicht van de schijnwerpers, maar staat sinds haar dood in 1998 meer in de publieke belangstelling dan ooit. Vormde eerder dit jaar de publicatie van de vuistdikke biografie M. Vasalis de aanleiding, nu volgt een documentaire in de biografieënreeks Profiel, die morgen op televisie wordt uitgezonden.

Het is de tweede documentaire over de psychiater en dichter in korte tijd. In 2010 zag Sporen van Vasalis het licht, van Willem van der Linde en Lejo Siepe. Dit keer wordt de regie gevoerd door documentairemaker Marijke Vreeburg. Gingen Van der Linde en Siepe op zoek naar wat Vasalis in het Noorden heeft achtergelaten, Vreeburg presenteert een afgewogen, fraai gefilmd portret van haar leven.

Biograaf Maaike Meijer dient daarbij als gids langs een overzichtelijk pad dat via Den Haag naar Zuid-Afrika en over Groningen naar Roden voert. M. Vasalis voor televisiekijkers verklaard. Met hulp van onder anderen Gemma Nefkens van uitgeverij Van Oorschot, Jet Röling, die voor slechtzienden uit de biografie voorleest (binnenkort vijfde druk) en Léon Hanssen, die het vermeende racistische aspect van het gedicht De zieke blanke nog eens mag uitleggen.

Vreeburg komt met zeldzame beelden. Zoals die zijn gemaakt in het Academiegebouw van de Rijksuniversiteit Groningen toen Vasalis in 1963 de Culturele Prijs van de provincie Groningen in ontvangst nam (foto), negen jaar na de publicatie van wat haar laatste échte dichtbundel zou blijken. Geluid ontbreekt, maar we zien hoe ze in een volle zaal haar derde onderscheiding koestert. Van der Linde en Siepe zullen zich voor het hoofd slaan. Dit hebben ze laten liggen, hun doelstellingen ten spijt. In plaats daarvan presenteerden zij in hun film 'een unieke bandopname' van een interview dat Ronald Ohlsen in 1987 de dichter afnam. Op aanwijzingen van diezelfde Ohlsen tonen ze ook beelden van de onthulling van een monument in Delfzijl in 1956 waarop Vasalis te zien zou zijn. Zou, inderdaad.



Ander bijzonder moment in de documentaire van Vreeburg betreft een onthulling van criticus Rob Schouten, in 1982 lid van de jury die haar de P.C. Hooftprijs toekende. Een omstreden toekenning, aldus Schouten, omdat Vasalis al zo lang geen nieuw werk meer had gepubliceerd en omdat ze als dichter van vroeger werd gezien. De toenmalige secretaris zou hebben geprobeerd de toekenning tegen te houden, klapt hij uit de school. Die secretaris – Peter Berger – kan het niet navertellen, hij is in 2000 overleden. Net als jurylid Harry Scholten en voorzitter R.L.K. Fokkema. Maar Vreeburg laat merkwaardigerwijs na de nog levende juryleden te consulteren: Judith Herzberg en Ad Zuiderent.

De onthulling van Schouten is overigens van strikt persoonlijke aard. Als losgeslagen puber met suïcidale neigingen uit Groningen is hij onder behandeling van mevrouw Fortuyn in Roden geweest, vertelt hij. Om hem de waarde van geld te leren, adviseerde ze hem een krantenwijk te nemen. Pas na het juryberaad in 1982 volgde de ontdekking dat Vasalis en Fortuyn een en dezelfde persoon waren.

Eveneens zeer persoonlijk is de bijdrage van Gerdi Verbeet. De Kamervoorzitter draagt Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder uit De oude kustlijn voor en vertelt over haar moeder, die als een ‘sneeuwwitte astronaut van de aarde wegdrijft'. Huisvriend Loek Tilanus brengt Nu worden mijn gedachten vreemd, als oude tulpen. Even later, als wordt gevraagd of hij Vasalis mist, raakt hij zeer geemotioneerd: "Goh. Ah! Eigenlijk wel ja. Verdomme. Dat had ik niet gedacht. Dat had ik niet gedacht." Zo zie je maar: je vraagt nergens om, en alles komt alsnog naar buiten.

De documentaire Sporen van Vasalis van Willem van der Linde en Lejo Siepe is verkrijgbaar via stichting Beeldlijn. Prijs € 15.






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl