In en om Assen





De veenarbeider


Bronvermelding:
'Gedane zaken; de twintigste eeuw in 32 portretten'. Redactie Harrie Gras en Anja Schuring. 2001 H. Gras, Groningen.
ISBN 90 76535 02 7. Een interview van Jose Martin d.d. april 1995


Een ploeg veenarbeiders voor een locomobiel die een jacobsladder aandrijft Blijkens het opschrift op de achterkant werd deze foto genomen tijdens een staking op 25 februari 1941. Met zo'n machine werkte Derk Gort voor zijn vader (collectie D. Gort, Zwartemeer)


'Duvelsdrek'

Derk Gort uit Zwartemeer in de gemeente Emmen is in 1914 geboren in het veen. Zelf werkte hij van z'n 14-de tot z'n 40-ste als veenarbeider. Gort ergert zich aan de negatieve beeldvorming over het werken in het veen. De recente TV-serie 'Bruin goud' kan in zijn ogen bijvoorbeeld geen genade vinden: "Wie werden weer ies ofschilderd as een biezonder soort apen." Volgens Gort was het in het veen zeker geen kommer en kwel, jenever, turf en achterdocht, althans niet totdat de turfindustrie in de jaren twintig van de twintigste eeuw ineenstortte door de concurrentie van steenkool. Zowel zijn grootvader, zijn ouders als zijn ooms verdienden in de turf een goedbelegde boterham. Daarom heeft Gort ook een boek geschreven: om te bewijzen dat het werken in het veen vakmanschap vereiste, waarvoor goed werd betaald.

Derk Gort werd op 3 mei 1914 geboren aan het Duitse Küstenkanaal. Het Küstenkanaal loopt van Oldenburg naar het westen en mondt ten zuiden van Papenburg uit in de Eems. Zoals zovele Nederlandse veenarbeiders waren zijn ouders door Duitse verveners aangetrokken om de enorme veenpakketten in die streek te vergraven en zo landbouwgrond vrij te maken. Duitsers wilden dat werk niet doen; het veen werd tenslotte niet voor niets 'Duvelsdrek' genoemd. Daarom waren de verdiensten ook zeer goed. Dat de familie Gort toch terugkeerde naar Nederland had dan ook niets te maken met het werk en de lonen, maar alles met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in de zomer van 1914. Al snel werden toen de geruchten steeds luider dat buitenlandse arbeiders zouden worden geïnterneerd.

Vandaar dat de hele familie nog datzelfde jaar bij een schipper uit Oude Pekela aan boord ging en vertrok naar Oost-Groningen, naar de ouders van Derks moeder. "Maor zie mussen alles achterlaoten. Wie muchten allen een fiets holden en mien moe wus heur neimachine te redden. Die had zie verstopt." Het gezin Gort kwam terecht in Alteveer, ten zuidoosten van Nieuwe Pekela, waar een brugwachterswoning werd betrokken. Vader en moeder vonden werk in de nabijgelegen aardappelmeelfabriek en het normale leven leek weer zijn loop te nemen. "Maor het veen bleef trekken. Er vul namelijk in het veen direct nao de oorlog goed geld te verdienen. In de eerappelmeelfabriek kregen zie een tientie in de week, zo'n 500 gulden per jaor, in het veen kun dat oplopen tot 120 gulden per week."


De 'kloetjebakkers'

Deze opleving was te danken aan de stokkende invoer van steenkool tijdens en vlak na de Eerste Wereldoorlog. Derks vader wist zoveel te sparen dat hij in 1922 een stukje veen kon huren in Emmer-Compascuum en zelf als vervener aan de slag kon. Al gauw had Gort senior acht man aan het werk. Dankzij de verminderde productie van de Duitse kolenmijnen na de Franse bezetting van het Ruhrgebied in 1923 en stakingen van Britse mijnwerkers in 1926 en 1927 steeg de vraag naar turf. Het leek weer goed te gaan in het veen en velen trokken naar Drenthe om een graantje mee te pikken. Woningen waren er niet, zodat de nieuwkomers met beperkte middelen, waaronder de volop beschikbare plaggen, schamele onderkomens bouwden.

"Turfgraven is een vak en zie kunden er niks van. Daorum werden ze miest 'kloetjebakkers' nuumd. Ze verdienden haost niks: daordeur ontstund het beeld van de arme turfgravers. Maar de echte vaklui, die hadden het niet slecht." Derk leerde het turfgraversvak al heel jong. Net als alle andere kinderen ging hij in de campagnetijd, van half maart tot begin oktober, mee naar het veen. Ze verbleven eerst in tot kinderwagens omgebouwde kruiwagens, de kinderkrooien. Later bleven ze bij de ouders in de buurt om de kunst af te kijken. Halverwege dejaren twintig ging het mis voor de familie Gort. Ondanks tijdelijke oplevingen nam de vraag naar turf steeds meer af en de natte zomer van 1924 zorgde ervoor dat de turf bijna niet droogde.

Bij een brand in het daarop volgende voorjaar werd de hele voorraad verwoest. Om toch brood op de plank te krijgen, werd Derks vader schipper. Hij huurde een schip van de Transportmaatschappij en "wij gungen met an boord". Zo leerde Derk ook het schippersvak. "Wie gungen overal naor schoei, dus wie kunden ok veul vertellen." Maar na een paar jaar trok het veenwerk weer. "In 1928 waren wie in Bargercompas aanland. Dat was in de tied van 'het kwartje van Kan', een overheidstoeslag op turf. Met name veur de kleine verveners was dat hiel gunstig." De vader van Derk werd opnieuw vervener. Hij huurde veenplaatsen van Bosker in Bargercompascuum en ging met zijn hele gezin aan het werk.


Derk Gorter (foto Jan Bos, 1995)


"Het mieste hung van het weer of"

In het veen liep Derk zijn vrouw tegen het lijf. Met Hendrikje Pais, ook afkomstig uit een veenarbeidersgeslacht, trad hij in 1937 in het huwelijk. Tussen 1938 en 1954 zou het echtpaar vier kinderen krijgen, drie zonen en een dochter. Na hun huwelijk huurden Derk en Hendrikje voor 85 gulden per jaar een huisje bij Derks ouders in de buurt en gingen ze werken voor pa Gort. Eind jaren dertig had deze een turfmachine gekocht, waarop Derk aan het werk moest. "Ik zat zo'n achttien week op de machine, dan gung je bij de vrouwen op de dreugmakerij an 't wark of schepen laden." Het was zwaar werk, maar ook gezond, zo vindt hij zelf. Je was hele dagen in de buitenlucht en daar werd je sterk van.

Saai heeft hij het werken in het veen nooit gevonden. "Ieder veurjaor begunde het leven weer opnei. Op 21 meert begunde mien va met turfgraven en as het dan mei was, gung mien moe met naor het veen, met de kinderen in de kinderkrooie. Dat gung tot oktober, tot de campagne oflopen was." En ieder jaar was weer anders. "Je had natte jaoren en dreuge jaoren. In een nat jaor weur slecht verdiend, in een dreug jaor wel ies wat extra. Het was nooit geliek, het mieste hung van het weer of." De nieuwe oorlogsdreiging leidde ertoe dat het Nederlandse leger in 1939 werd gemobiliseerd. Derk kwam met zijn broer terecht bij het regiment wielrijders in Den Bosch. Na de Duitse inval en de capitulatie van Nederland in mei 1940 was hij echter al snel weer thuis.

"Totdat ik oproepen weur veur de Arbeidseinsatz, tewarkstelling in Duutslaand. As ik gung dan huufden mien va en mien breur niet en kun het veenwark gewoon deurgaon. Ik weur tewarksteld in Wilhelmshaven, maor nao het bombardement op de Tirpitz, een oorlogsschip in de haven, ben ik vlucht." In de paniek van het moment wist Derk met een aantal medetewerkgestelden op een trein te stappen en via allerlei omzwervingen weer thuis te komen. Terug wilde hij niet meer. Met hulp van een veenbaas en het arbeidsbureau in Emmen werd een Ausweis geregeld en kon Gort als 'Grenzganger' aan het werk in het Duitse veen, vlak over de grens bij Zwartemeer. "En zo kun ik 's aovends dus gewoon naor huus."


"Ik kan het niet hebben dat ze die meinsen een schup naogeeft"

Na dertig jaar werken in het veen kreeg Derk er genoeg van. "Het naodeel was, 't was campagnewerk. Je had een paar maonden veul te doen, dan künden je zes weken trekken van de vakbond en dan op steun of naar de warkverschaffing. Ik had er de pest an um te trekken en wilde het hiele jaor an 't wark." De keuze was beperkt tot twee fabrieken, de Enkalon of de Purit. Voor Enkalon was Gort een jaartje te oud, dus trad hij in 1954, als zovele andere oud-veenarbeiders, in dienst bij Purit, de koolstoffabrikant in Klazienaveen. Vier jaar bracht hij de afgewerkte kool naar het station. Daarna kwam hij terecht bij de draaiovens. "As bedieningsman kun ik daor meer verdienen. As eerste man had ik de verantwoordelijkheid.

Het wark kun ik zo doen, wantje moet veul verstand hebben van turf om een goeie verbranding te kriegen. De turf weur tot 1000 graoden opstookt. Er bleef uuteindelijk maor zo'n zeuven procent over as zuvere kool." Over zijn veenarbeiderstijd kan Gort urenlang vertellen, over zijn werk bij de Purit is hij niet zo spraakzaam. Hij weigerde het gouden horloge voor 25 jaar trouwe dienst. De bijbehorende oorkonde hangt wel in de gang boven de deur. In de jaren na zijn pensionering werkte Gort opnieuw aan het veen, maar nu op papier. Jarenlang schreef hij de verhalen op die hij vroeger hoorde van zijn vader en zijn ooms. Dat deed hij uit protest. "Ik kan het niet hebben dat ze die meinsen, die veenarbeiders, die veen van zo'n drei meter hoog stuk veur stuk in turfies vergraven hebt, een schup naogeeft as een biezonder soort apen die in hutties woonden op het boven veen en haost altied dronken waren. Deurum bin ik gaon schrieven."

Inmiddels heeft hij 1500 bladzijden volgeschreven. Het eerste deel daarvan verschijnt in november 1995 in boekvorm onder de veelzeggende titel "Aan het veen verknocht"






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl