In en om Assen





Veenarbeiders van Emmer-Erfscheidenveen 1948 - 1954


Bronvermelding:
"Veenarbeiders van Emmer-Erfscheidenveen, 1948 - 1954". Meent van der Sluis, tekeningen en Miny Hofsteenge, gedichten. Uitgegeven in het sterfjaar van Harmen van Houten en gepresenteerd naar aanleiding van de 75e sterfdag (18 november 1994) van Domela Nieuwenhuis. Presentatie op 22 november 1994.
Getekend, uit herinnering, zijn situaties en close-ups van de veenarbeid, waarvan voor zover bekend geen foto's en films bewaard zijn.


Op 22 november 1994 werd in het oude Buurthuis te Emmer-Erfscheidenveen het boekje “Veenarbeiders van Emmer_Erfscheidenveen 1948-1954” gepresenteerd. Op de foto vlnr: Louise Rappard-Van Houten, Jan de Weerd, Alie Holman-Mulder, Hannie Ijzer-Kremer, Pouwel Kuiper, Miny Hofsteenge, Meent van der Sluis en Ger Harmsen. Mr. Jacob Cramer en Willem Kremer namen het boekje thuis in ontvangst


Inleidend woord door Meent van der Sluis

Het boekje 'Emmer-Compascuum en Emmer-Erfscheidenveen in oude ansichten' (1975) door Herman Visser geeft helaas een zeer eenzijdig beeld van laatstgenoemde plaats. We zien uitsluitend foto's van de tamelijk royale middenstandswoningen aan de z.g. 'drukke kant' van Kanaal A. De makers zagen natuurlijk geen handel in ansichten van de armoedige arbeidershuisjes op het bovenveen aan de z.g. 'stille kant' en langs het stenen voet-/fietspad op het bovenveen tussen Kanaal A en B, welke minstens voor de helft het beeld van Emmer-Erfscheidenveen meebepaalden. Het lijkt allemaal een beetje op 'vakantiefoto's' van toeristen die alleen palmbomen, tempels en Westerse hotels in de Derde Wereld gefotografeerd hebben.

Tot en met de eerste vijftiger jaren, was meer dan de helft van de beroepsbevolking werkzaam in de vervening en de daarmee samenhangende branches in Emmer-Erfscheidenveen. Er zijn in februari 1952 nog 520 keten en krotten, voornamelijk op het bovenveen in de gemeente Emmen. Ondanks een korte opleving tijdens de Korea-oorlog kwam in Emmer-Erfscheidenveen, Barger-Compascuum, Klazienaveen-Noord, Zwarte-meer en Weiteveen de vervening tot stilstand. De veenarbeiders zaten in de bekende 'fuik' van ZO-Drenthe. Door de werkloosheid zaten velen onder de armoedegrens. Kenmerkend waren de slechte hygiëne (schurft, luizen), eenzijdige voeding, ziekten (tbc, paratyfus) en drankverslaving, lompenkleding, onderwijs-achterstand (analfabetisme, zwakke begaafdheid) en krotwoningen.

Toen ik in 1954 vanuit Emmer-Erfscheidenveen naar Vlaardingen verhuisde viel mij op dat arbeiders in de slechtste (haven)stedelijke achterbuurten er beter aan toe waren dan de veenarbeiders van Emmer-Erfscheidenveen. Dit beeld werd bevestigd door Ger Harmsen die mij vertelde dat hij in de jaren vanaf 1948 enige malen vanuit Amsterdam Emmer-Erfscheidenveen en Emmer-Compascuum bezocht had. Al vanaf 1950 waren veel veenarbeiders uit Emmer-Erfscheidenveen naar Canada en Alblasserdam vertrokken. Die te Alblasserdam zochten wij op, zodra we in Vlaardingen woonden. Mijn schoolvriendjes woonden in flats te Alblasserdam en het ging hen een stuk beter. Alhoewel de AKU al in 1947 met een fabriekje begon te Emmer-Compascuum, kwam er pas echte verbetering toen de industrialisatie van Emmen begon in 1952.

Maar ook vóór de Tweede Wereldoorlog was de positie van de veenarbeiders in ZO-Drenthe wezenlijk slechter dan elders. Tijdens de vele bejaarden-interviews, die ik deed in de jaren zeventig en tachtig, wees men mij er herhaaldelijk op dat men als arbeider uit b.v. Assen met verbazing keek naar de in lompen gehulde veenarbeiders uit ZO-Drenthe op gezamenlijke meetings van de arbeidersbeweging. Vanaf 1926 werd vanuit het buurthuis maatschappelijke hulp geboden door Opbouw Drenthe. Onlosmakelijk hieraan verbonden zijn de namen van Jo Boer en Commissaris Cramer. Maar ook toen al trokken veel veenarbeiders weg naar o.a. Enschede, Eindhoven en de Wieringermeer.


Tekening © Meent van der Sluis


Hier staat de duwbus, 's morgens om vijf uur
te wachten op 't werklozenlegioen
die 't in 't winterseizoen met 'n fooi moeten doen
het is -voor wel mee moeten gaan- zo zuur

Miny Hofsteenge


De naam "Klein-Rusland" kwam voort uit een associatie met "het einde der wereld"

Omdat er b.v. gedurende de Eerste Wereldoorlog relatief goed verdiend werd in het veen, wordt wel eens de conclusie getrokken dat dorpen als Emmer-Erfscheidenveen relatief welvarend waren en daarom zo veel arbeiders aantrokken. Dit is aantoonbaar onjuist. Op 'de langste dag' werd het turfgraven stop gezet en de verdienste was altijd veel te gering om de rest van het jaar mee door te komen. Dit gold in sterkere mate ook al voor de vele Friese veenarbeiders die tijdens de landbouwcrisis in de tachtiger en begin negentiger jaren van de vorige eeuw naar Emmer-Compascuum en later met de vervening meetrokken naar Emmer-Erfscheidenveen. Men sprak zelfs over het "Friesch-Compascuum". Ze waren afkomstig van de hoogveen-complexen Appelscha-Fochteloo-Haulerwijk-Bakkeveen-De Wilp-Jonkersvaart-Zevenhuizen alwaar de vervening ten einde liep.

Voor vele werkloze veenarbeiders uit Appelscha en Haulerwijk, maar ook uit de nog armere heidedorpen (Surhuisterveensterheide, Houtigehage, etc.) was de aantrekkingskracht van de seizoensgebonden lonen in de veenstreken van ZO-Drenthe onvoldoende om er te gaan wonen. Men bleef in zijn dorp wonen en ging als Friese seizoensarbeider baggelen en turfsteken in de Gronings/Drentse veenstreken; wieden en oogsten op de Groninger en Friese klei en zat als mijnwerker 1000 meter onder de grond in het Ruhrgebied en Zuid-Limburg.

Een eveneens veel vernomen misvatting betreft het idee dat veenarbeiders juist een voorkeur hadden om in plaggenhutten te wonen omdat men dan gemakkelijker mee kon trekken met de vervening. Voor wat betreft de Friese laagveengebieden kan direct gewezen worden op de z.g. "trekkerstenten" welke inderdaad steeds met de vervening mee verplaatst werden. De veenarbeider zelf bleef echter met zijn gezin in zijn keet of hut wonen. Plaggenhutten en keten die 30-50 jaar bewoond werden door hetzelfde gezin zijn in de Drentse en Friese veenstreken geen uitzondering. Klein-Rusland omvatte maar liefst 80 hutten en keten vanaf 1911 en was gelegen op het meest westelijke bovenveen van Emmer-Erfscheidenveen, vlak tegen Emmerschans aan. Van opschuiven met de vervening mee was hier natuurlijk geen sprake. De naam "Klein-Rusland" kwam voort uit een associatie met "het einde der wereld"; anderen zien een verband met de sympathie van de bevolking voor de Russische Revolutie, hetgeen ook uit de veenbranden in 1917 zou blijken.

O.a. door perspublicaties ontstond in de jaren twintig in Holland het beeld van een Drenthe dat beheerst werd door plaggenhutten, heide en armoe. Terwijl de boeren zanddorpen een relatieve welvaart kenden (alhoewel in de jaren dertig de kleine zandboeren het ook moeilijk kregen). De zanddorpen konden deze relatieve welvaart handhaven in de negentiende en begin twintigste eeuw doordat men hun tweede en derde zoon als veenarbeider afstootte naar de veenstreken. Vervolgens weigerden de rijke kerkelijke diaconieën van de zanddorpen categorisch te zorgen voor de armen van het veenproletariaat en moesten politieke voormannen en sociaal bewogen evangelisten onder de zwaarste omstandigheden hun werk doen. Sommige boeren hadden zo'n groot aandeel in de veenmarke, dat zij over eigen gebied tot aan Ter Apel konden lopen, maar verantwoordelijkheid voor de veenbevolking kende men niet.


Tekening © Meent van der Sluis


hier liepen ze, hier hebben ze gelopen
hun lijven in het zeel, de zware vracht
meetrekkend door het water, mensenkracht
bracht toen 't schip met turfoogst naar de koper

voetstappen drukten zwaar de wallekant
het zeel, dat hielp de overlast te trekken
striemde hun met zweet bedekte lijven
en zette het geschaafde vel in brand

de blik op oneindig, op nul 't verstand
zo sleepten ze het schip de wieke door
te moe om nog te praten of te klagen

teveel pijn om zich nog af te vragen
waarom -ondanks het zware werk van hen-
in eigen keet de kachel nooit goed brandt

Miny Hofsteenge


De onoverbrugbare kloof tussen de bezittende en de niet-bezittende klasse

Het veenpakket werd door een in het leven geroepen Veenschap ontgonnen, waarbij kleinere veenboeren en arbeiders deelpakket-ten voor hun rekening konden nemen. De ondergrond en bijbehorende erfpacht bleef altijd in handen van de boeren, zodat zij hun tweede of derde zoon als veenkoloniale boer konden laten starten. Wat de erfpacht betreft zijn Emmer-Compascuum en Emmer-Erfscheidenveen een feodaal unicum geworden in Nederland. De beruchte twintigste penning die aan Mevrouw Kröner-Leygraaf te Amersfoort betaald moet worden, was landelijk nieuws in januari 1994. De penning is het symbool van de onoverbrugbare kloof tussen de bezittende en de niet-bezittende klasse in Emmer-Erfscheidenveen, waar de communistische aanhang altijd groter is geweest dan te Emmer-Compascuum. Kwantitatieve analyses van het ondergrond-bezit in de verveende gebieden zijn tot nu toe niet uitgevoerd door historici.

Vaak kwam ik over de vloer bij oud-veenarbeider, demonstratie-turfsteker in het Veenmuseum en pacifist in hart en nieren Hendrik de Vries (1918-1989) te Barger-Compascuum. Hij legde mij de funktie uit van het door mij verzamelde oude veengereedschap, dat ik niet kende uit mijn jeugd. Ik vond dat ik de werking van veengereedschap door en door moest kennen voordat ik er ook maar een letter over opgeschreven had. Mijn complete hoog- en laagveen-gereedschapsverzameling is sinds 1984 in het Museum "De Brink" te Veenklooster te bezichtigen. Toen ik eens bij Hendrik de Vries langs kwam, vertelde hij mij dat hij samen met Harmen van Houten naar een protestdemonstratie geweest was. Gelukkig kon ik er voor zorgen dat het eerste grotere interview gehouden werd met Harmen van Houten in de Drentse (Asser- en Emmer-) Courant (1984) en berichtte Ger Harmsen daarover. Toen het boek van Harmen van Houten verschenen was (1985) zocht ik hem op in zijn zonnige woning aan de Westenesscherstr.11 te Emmen.

Ik praatte met Harmen van Houten over zijn boek. Ik miste daarin een beschrijving betreffende in hoeverre de arbeidersbeweging (en wel in het bijzonder de vrije socialisten) solidariteit ondervonden van andere sociale klassen in Emmer-Erfscheidenveen en Emmer-Compascuum. Harmen van Houten kwam toen met het voorbeeld van een aantal bakkers die toe wilden treden tot de vrij-socialistische vergaderingen. Na heel veel discussie werd dit geweigerd. Een belangrijk gegeven in deze discussie was het feit dat deze bakkers soms nog langere werkdagen maakten dan de arbeiders. Harmen van Houten zei tegen mij dat hij achteraf bezien spijt had dat de bakkers destijds niet toegelaten waren. Nadat ik in april 1994 begonnen was met mijn eerste tekeningen over de veenarbeid kwam vlak na 22 mei het bericht van zijn overlijden, hetgeen een stimulans voor mij was om door te gaan.

Bijzonder blij was ik dat Miny Hofsteenge bereid was om enige gedichten naar aanleiding van mijn tekeningen te maken. In mijn ogen is zij de enige dichteres die de sfeer van veenarbeid goed aanvoelt. Alhoewel ze dus strikt genomen in een andere streektaal schrijft, is dat allerminst hinderlijk. Ook zijn enige oudere jaars van de Academie Minerva te Groningen gevraagd mee te werken aan de realisatie. Mag ik er verder op wijzen dat dit boekje een zeer beperkte oplage heeft (100) en dat ik er aan hecht te vermelden zonder subsidie deze publicatie tot stand te hebben gebracht. In 1998 hoop ik bij het 100 jarig bestaan van Emmer-Erfscheidenveen mijn boek over deze plaats te presenteren, waaraan ik al in de zeventiger jaren begonnen ben.


Tekening © Meent van der Sluis


ga mee, ga mee, ga met ons mee naar 't veen
vader komt altijd heel erg laat in huis
moeder moet langer doorgaan met het loeg
en wij zijn dus gezellig met elkaar alleen

ga mee, ga mee, toe, kom bij ons spelen
en als jij weer naar huis toegaat
lopen wij met de emmers mee tot aan de straat
daar bij de kraan moeten we water halen

Miny Hofsteenge


Inleidend woord door Miny Hofsteenge

In de zomer van 1994 vroeg Meent van der Sluis of ik er voor voelde, iets te schrijven bij de tekeningen die hij aan het maken was. Portretten rond het werk in de vervening. Toen hij zijn eerste tekeningen liet zien, dacht en zei ik:"Jij bent veel beter thuis in de materie. Waarom schrijf je de begeleidende teksten niet zelf?". Hij liet de tekeningen bij me achter. In de daaropvolgende dagen keek ik vaak naar het werk van Meent. Bladerde terug in boeken die ik gelezen had. "Gezegend is het land", van Klaas van der Geest. "Anarchisme in Drenthe", van Harmen van Houten. Verscheidene werken die Sietse van der Hoek aan het veen en de veenarbeiders weidde. "De geschiedenis van de gemeente Emmen".

Meer geschiedkundige geschriften over de veenarbeid. Teveel om op te noemen. En ik zag beelden uit mijn allervroegste jeugd. Mijn geboorteplaats is Voor de Landen. Een streekje, eigenlijk de verbindingsstraat tussen de dorpen Exloo en Valthe. De boerderij van mijn familie stond aan de veenkant van de straat. Achter ons huis zat nog veen. Ik zag 's morgens vroeg mannen en vrouwen, de dijk naast ons huis af fietsen. Op weg naar hun werk. Zag ze 's avonds terugkomen. Zag in de verte de baggelmachines onder de lage lucht staan. Ik was nog klein en mocht absoluut de dijk niet af. Mijn oudste broer was eens onder een lorrie gekomen. Later zag ik andere mensen de dijk afgaan. Landaanmakers.

En in de lange hete zomer van 1994 vermengden de beelden uit mijn herinnering zich met de verhalen en de getekende beelden. Ik had een vorm gevonden en was er op uit, om de sfeer die van het tekenwerk afstraalde, in het geschrevene vast te houden. Zonder erbij na de denken, gebeurde één en ander in mijn eerste taal. Halverwege realiseerde ik mij pas, dat mijn tongval niet overeenkomt met die van Emmer-Erfscheidenveen. Daarom de vertaling in de tweede taal van alle streek-taalsprekenden in Nederland. En zo is het gekomen.


Tekening © Meent van der Sluis


geknars van fietsbanden klinkt op de dijk
bestofte zwoegers die de ganse dag
hun lijven plaagden in het bruine goud
zijn nu doodmoe op weg naar huis

onhoorbaar zuchten reist met hen
bezwete lijven hangen over sturen
zo fietsen ze zwijgend langs het kanaal
sterke kerels die hun kracht verloren
de ogen kijken uitgeblust vooruit
de schouders hangen woordeloos omlaag
geen enkel woord waait over 't pad
dat zacht onder hun banden knerpt

de grote groep rijdt moeizaam door
de benen zwaar, te afgezwoegd
om haastig door te trappen
leeg hun hoofden, geen gedachten
aan wat morgen hen zal wachten
onhoorbaar zeurt een stem: 'fiets door
voorbij deze wereld, naar waar het beter
waar het wel loon naar werken is'

de dag was zwaar, maar in de keet
wachten vrouw en kinderen met 't eten

Miny Hofsteenge


Voorwoord door Ger Harmsen

Mijn eerste kennismaking met de Drentse veenarbeiders dateert van 1948. Na een eindeloze tocht in een auto volgepropt met CPN-sprekers - wat wogen afstanden toen nog zwaar - arriveerde ik in het begin van de avond in de overvolle dorpszaal van Emmer-Compascuum. Honderden veenarbeidersgezinnen. Voor mijn doen hield ik een lange rede over de ontwikkeling die de maatschappij had doorgemaakt, over het lot van de onderliggende klasse, over het georganiseerde verzet tegen de uitbuiting en het socialistische toekomstperspectief. Meer scholing dan politieke agitatie. Toen ik mijn betoog wilde afronden, gingen er in de zaal stemmen op dat ik nog maar een half uurtje door moest gaan, want ze moesten er immers weer een jaar op teren.

Na mijn rede werd er nog een stomme film gedraaid over een hond, die een baby in een kinderwagen tegen een adelaar verdedigde. De film brak verschillende keren, maar geen mens verliet voortijdig de zaal. Integendeel, de pauzes die daardoor ontstonden verkortte men opgewekt met het zingen van socialistische liederen. Daarna bezocht ik deze veenstreek nog verschillende keren en telkens zei ik tegen mezelf dat vergeleken met de armoede en uitbuiting van de veenarbeidersgezinnen, we in Amsterdam waar ik woonde en werkte, eigenlijk niet over arbeidersstrijd konden meepraten. Een kwart eeuw later, in oktober 1974, hield ik een lezing voor het NIVON in Emmen. Na afloop bleef ik nog wat napraten en leerde zo Gerrit Saarloos kennen.

Blijkbaar wist hij dat ik bezig was de geschiedenis van de arbeidersbeweging te schrijven, want hij vertelde me dat hij een oud schrift van Harmen van Houten thuis had liggen. Daarin stond een beschrijving van de uitvaart van Domela Nieuwenhuis in de hoofdstad. Harmen had met een paar vrienden de verre tocht naar Amsterdam ondernomen om de grote pionier van het Nederlandse socialisme te eren. Harmen gaf mij toestemming dit verslag te publiceren. Ons contact leidde ertoe dat hij zijn levensherinneringen begon op te schrijven en een beeld schetste van de vrije socialistische groepen waar hij deel van had uitgemaakt. Hij noemde het: delgen van een ereschuld. Zijn prachtige boek 'Anarchisme in Drenthe' geeft een beeld van de culturele verheffing en sociale strijd in deze veenstreek. Op een eigen wijze levert ook dit boek daartoe een bijdrage.


Tekening © Meent van der Sluis


huisjes staan klein en benepen
te schuilen voor weer en voor wind
op de kleintjes past 't oudste kind
en in de vaart varen de schepen

Miny Hofsteenge


De tekeningen van Meent van der Sluis

Uit zijn kinderjaren (1952-1959) zijn alle tekeningen bewaard gebleven, waaronder een paar in de stijl van Picasso (1881-1973). Sinds de plotselinge dood van zijn tekenleraar Huizinga (zomer 1959) heeft hij bijna 35 jaar niet meer getekend, ondanks zijn goede verstandhouding met Jelle Otter (1925), die Huizinga opvolgde. Uitzonderingen vormden een babyportret van zijn dochter (1972) en een reeks olieverfschilderijtjes welke bedoeld waren om historische situaties in kleur vast te leggen (b.v. pake's huis te Boelenslaan en Garage Holmen te Emmen-Erfscheidenveen).

In 1974 kwam een abrupt einde aan dit korte intermezzo door een (later bijgelegd) meningsverschil met zijn broer Ernst (theoloog) over de esthetische beleving van het Drentse landschap, waar zij op dat moment door heen fietsten. Meent's schetsen:'t Olde Posthuus/Dwingeloose Heide en Fochteloërveen vormden daartoe de aanleiding. Opnieuw bleef het potlood bijna twintig jaar in de kast liggen.

'De haven van Leens in de jeugd van Werkman' (1943) inspireerde Meent van der Sluis om over zijn eigen kindertijd uit zijn geheugen schetsen te gaan maken. Qua thema's werd hij sterk beinvloed door Käthe Kollwitz (1867-1945). In 1993 ontstond een eerste reeks van 20 niet gepubliceerde tekeningen over de verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog. De schoolplaat 'Vervening te Emmer-Compascuum' (1918) en het sociale engagement van Herman Heijenbrock (1871-1948) vormden (naast Kollwitz) de aanleiding voor de totstandkoming van de hier gepubliceerde reeks schetsen over het veenarbeidersleven.

Kenmerkend (en vrij uniek) voor de schetsen van Meent van der Sluis zijn de telkens twee jaartallen die op elke tekening voor komen. Het oudste jaartal geeft het jaar aan waarop de herinnering terug grijpt; het recente jaartal geeft het jaar aan waarop de tekening of schets tot stand is gekomen.


wat overbleef, zijn gedempte wijken
grote boerderijen op vruchtbaar land
arbeidershuisjes, aangepast aan de tijd
en verhalen, nog uit de eerste hand

wat overbleef, zijn een handvol boeken
Harmen van Houten schreef over idealen
veenarbeiders vertelden Van der Hoek
hun armoedige levensverhalen

wat overbleef is een museumpark
met keten turftrein schip en, toen nog een kind
toont als vrijwilliger het zware werk
aan een toerist die 't zo romantisch vindt
wat overbleef is een geschiedenis
achter ons, krimpend als regels die we vergeten
maar onomkeerbaar, voor hen die het nog weten

Miny Hofsteenge






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl