In en om Assen





Het veenbedrijf; hopend op een goede toekomst


Jeugdige scheepsjagers (foto: Noordelijk Scheepvaartmuseum)


De inspanning in de vervening was enorm

De veenderij was tijdens de peridode tussen de twee wereldoorlogen het meest typische bedrijf van Drenthe. In de diverse publicaties uit die periode, bedoeld om Drenthe te promoten, werd met trots over het veenbedrijf geschreven: 'Van de totale turfproductie in Nederland', zo schreef de Rijks-Nijverheidsconsulent ir. R. Sijbolts, 'komt tegenwoordig ruim driekwart uit Drenthe en minder dan één kwart uit veenderijen in de overige provinciën tezamen'. De inspanning in de vervening was enorm; duizenden arbeiders waren werkzaam in de venen en de turfproductie was hoog, zo werd er bijvoorbeeld in 1938 zo'n 650.000 ton turf op de zetvelden te drogen gezet. Het tempo waarin de venen ontgonnen werden was ongekend. Van de oorspronkelijke veenderijen, een kleine 21.000 ha, was 40% vergraven.

Het was dan ook wel begrijpelijk dat de diverse bestuurders en ook de kenners van het veenbedrijf, nog in de jaren dertig, ervan overtuigd waren dat het veenbedrijf een goede toekomst te wachten stond. Laten we nog eens ir. Sybolts aan het woord laten: "... bij voortzetting van de vervening in ditzelfde tempo (1938) zal daar (Drenthe) het veen dan in ongeveer 40 jaren geheel verdwenen zijn." Sybolts koesterde zijn toekomstverwachting voor het veenbedrijf, of misschien was het veeleer het koesteren van de hoop dat de veenderijen nog toekomst hadden. In deze houding herkennen we ook provinciale en locale bestuurders, zelfs kamerleden en ministers en uiteraard de direct betrokkenen, de arbeiders - verveners.

De historie van de vervening in het interbellum is het verhaal van werkloosheid, staken, steun, productieverlaging, ingrijpende loonsverlagingen, veel rapporten maar bovenal van hoop. Sybolts hoopte op een goede toekomst, terwijl hij precies wist hoe het ervoor stond in de veenderij. Een jaar eerder, op 21 juli 1937, hield hij een lezing voor de vergadering van de leden van de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Meppel. Laten we eens meeluisteren als hij tijdens zijn 'causerie' de economische situatie van het veenbedrijf gaat analyseren:


Het veenbedrijf was een stervend bedrijf.

"Het veen in Z.O.-Drenthe, dat nog over is, blijft echter één van de belangrijkste werkgelegenheden in de provincie. Vroeger was turf hier een brandstof, die zoowel voor industrieel gebruik als voor huisbrand van veel meer belang was dan steenkool. Toen de steenkool door technische verbetering van de mijnen steeds goedkoper werd, maar de turf door dezelfde handenarbeid met hoogere loonen duurder, werd de turf zoowel voor huisbrand als voor industriegebruik door steenkool verdrongen. Ook de kachels en stookinrichtingen voor steenkool werden steeds verbeterd; voor het gebruik van turf werd echter weinig of niets gedaan. Daardoor werd het proces van achteruitgang nog versneld.

Een tijdelijke en onnatuurlijke opleving van het veenbedrijf had plaats in de oorlogsjaren en later nog eens tijdens een staking in de Engelse mijnen. Een noodtoestand ontstond toen in de crisisjaren de steenkoolprijzen sneller en met groote bedragen gingen dalen. Het zou daardoor onmogelijk geworden zijn een hoeveelheid turf van eenige beteekenis aan de industrie te verkoopen, waardoor de toch reeds groote werkloosheid in de veenstreek dreigde toe te nemen..."
De kern van het betoog zal de toehoorders, daar in Meppel op die 21ste juli, duidelijk geweest zijn; de veenderij had zijn langste tijd gehad. En toch gaf Sybolts zijn gehoor aan het eind van zijn betoog weer die steeds terugkerende hoop, toen hij verwees naar de opmerkelijke resultaten van het algemeen verkoopkantoor voor turf.

Eigenlijk ging het vanaf 1880 al bergafwaarts in de veenderij. Steenkolen werden steeds goedkoper en de turfprijzen daalden. De arbeidersomstandigheden werden minder en op veel plaatsen was de verplichte winkelnering een broodnodige aanvulling op het karige inkomen van de vervener. Het veenbedrijf was een stervend bedrijf. De Eerste Wereldoorlog onderbrak deze ontwikkeling. Plotseling waren de kolen schaars. Grenzen werden gesloten en de industrie schreeuwde om energie. De turfprijzen stegen tot ongekende hoogten. In 1919 waren de lonen 285% gestegen ten opzichte van 1914 en de prijs van fabrieksturf nam met 250% toe. Door de grote vraag naar turf werd er in die tijd goed verdiend in de venen.


Schaft op het zetveld. Foto genomen vóó r 1914


Emmen als 'boom-town'

In 1919 werd er overal in het land verteld dat de veenarbeiders met wel 80 gulden in de week naar huis gingen. Een extreem hoog bedrag als we het vergelijken met de weeklonen van handwerkslieden en landarbeiders, die 12 gulden in de hand kregen. Het mag dan ook geen wonder heten dat velen een hoopvolle toekomst gingen zoeken in de venen van Zuid-Oost Drenthe. Vooral Emmen kreeg een hoog vestigingsoverschot. Het gemeentebestuur van deze 'boom-town' bezat geen middelen om voldoende maatregelen te treffen. Het ontbrak vele nieuwkomers dan ook aan elementaire zaken, zoals een goede behuizing, geneeskundige zorg en sanitaire voorzieningen. En toch het goed betaalde werk bleef mensen aantrekken. Emmen kende in 1919 38374 inwoners een aantal dat in 1925 met ruim 6000 personen tot 44862 inwoners was opgelopen

Haast ongemerkt kwam er in 1918 abrupt een einde aan de gouden jaren in de Drentse venen. Nadat de vrede van Versailles een einde maakte aan de Eerste Wereldoorlog herleefden de industrie en de handel, als was het een tijdelijk verschijnsel. Binnen korte tijd was steenkool weer ruim op de markt voorhanden. De prijs van deze energiebron zakte snel, waardoor veel fabrieken weer overschakelden op de calorierijke steenkool. De opmars van de kolen werd nog eens versterkt door het beruchte leveringscontract dat de steenkoolmijnen in Limburg met de spoorwegen sloten. Hierdoor werden de transportkosten van kolen aanzienlijk verlaagd wat de concurentiepositie van de mijnen haast onaantastbaar maakte. En de verveners in 'boomtown'X Emmen?

Zij hadden deze rampzalige ontwikkeling niet zien aankomen. Nog in 1920 werden er circa 3,5 miljoen stuks fabrieksturf geproduceerd, hoewel de afzet stagneerde. Begin 1921 stonden er van deze productie nog drie miljard stuks onverkocht op het veld. Het veen bedrijf kon zijn 'dure' turven aan de straatstenen niet meer kwijt. Niet alleen de productiekosten lagen hoog, ook de kosten van transport naar de afnemers waren niet gering. De turf werd vanuit Zuidoost-Drenthe per schip door het kanalenstelsel van de stad Groningen vervoerd. Per schip van 100 ton moest er op het traject Ter Apel-Groningen 40 gulden kanaalbelasting in de vorm van brug- en sluisgelden betaald worden. Turf werd duur!


De economische depressie

De afzet daalde sterk. Vooral de grootverbruikers wensten geen turf meer af te nemen, zo daalde de afzet van turf aan de kartonfabrieken met 90 procent. In de aardappelmeel-industrie liep de verhouding in gebruik van turf-steenkool terug van 3:1 in 1919 naar 1:1,2 in 1927. Bij het dalen van de turfprijzen en het gelijkblijven van de hoge productiekosten daalde de opbrengst tot zelfs beneden de productieprijs Een groot aantal verveners werd gedwongen te stoppen met hun veenbedrijf. Zo explosief als de arbeidsmarkt in de venen was gegroeid zo stortte ze ook weer in. De werkloosheid nam toe. In januari en februari 1921 lagen er in Emmercompascuum honderden schepen te wachten op hun lading. Dit beeld stak schril af tegen de voorgaande jaren waarin er per dag vele tientallen schepen geladen werden

Met een beetje geluk kregen nu vier of misschien wel vijf schippers een vracht op een dag. Eigenlijk kende heel Nederland gedurende de jaren 1920-1923 een economische depressie. Historici noemen dit evenwel geen echte crisis omdat het reële inkomen per hoofd van de bevolking gelijk bleef. Er was uiteraard werkloosheid en ook een daling van de ondernemerswinsten, evenzo investeerden de bedrijven nagenoeg niets, maar toch... De arbeiders in het veenbedrijf zagen dat anders. Werkloosheid betekende weinig of in de meeste gevallen geen inkomen. Gerelateerd aan de hoge lonen van de voorgaande jaren vielen deze arbeiders wel in een erg diep gat

Door de 'gouden jaren' in het veen was er een gigantisch arbeidsoverschot in het 'stervende' veenbedrijf. De Eerste Wereldoorlog was slechts een intermezzo geweest in de neergaande lijn. En de arbeiders? ze konden geen kant op. De landelijke depressie blokkeerde eventuele plannen voor migratie; men was 'gevangen' het enige wat restte was hoop of actie. De Moderne arbeidersbond organiseerde op 2 februari 1921 een demonstratieve vergadering, waar 2500 mensen aanwezig waren. Er werd in de open lucht vergaderd, omdat geen gebouw op zo'n opkomst berekend was. De nood was groot. Vanuit Den Haag werd uiteindelijk gereageerd middels een steunmaatregel voor 'uitgetrokken' veenarbeiders.


Interieur plaggenhut begin jaren twintig


Ruim 14000 arbeiders namen deel aan de staking

De regeling voorzag in een toelage aan: gehuwden en ongehuwde kostwinners: maximaal ƒ 8,50 per week. Elk kind tot max. 10: maximaal ƒ 0,50 per week. Voor een kostganger maximaal ƒ 8,— per week. Ongehuwden bij ouders inwonend: maximaal ƒ 4,— per week. Voorts adviseerde de regering de diverse gemeentebesturen de werklozen in te zetten bij het ontginnen van de vele vergraven dalgronden die in Zuid-Oost Drenthe voorhanden waren. De gemeente Emmen kocht speciaal voor dit doel 45 ha dalgrond op het Amsterdamseveld. Acties, zoals het in brand steken van turfvoorraden, waren aan de orde van de dag. Harde confrontaties met politie en marechaussee bleven dan ook niet uit. In het verlengde van de stakingsstrijd werden er nieuwe afspraken gemaakt voor het graafseizoen 1921-'22.

Globaal hield de nieuwe CAO in dat de lonen 75 tot 80% bedroegen van het seizoen 1920-'21. Feitelijk was dit zuivere noodzaak voor de verveners. De opbrengst van een dagwerk turf Hier kwamen 600 arbeiders aan het werk. Het ontginningswerk moest echter betaald worden. Dit was de aanleiding voor de grote staking van 1921. De situatie was dat de overheid voorstelde de arbeiders een uurloon van 45 cent uit te keren. De kleine verveners wilden of konden dat niet betalen. Overleg tussen de bonden en de verveners liep vast op 40 tegen 38 cent uurloon. Daarop stelde de regering het tarief vast op 35 cent, wat voor de arbeiders aanleiding was om te gaan staken. Op het hoogtepunt van de staking namen ruim 14000 arbeiders hieraan deel in de provincies Drenthe, Groningen en Overijssel.

Het conflict duurde tot 15 maart toen er een overeenkomst gesloten werd wat neerkwam op een uurloon van 40 cent. Het Rijk zou de loonkosten met 45% subsidiëren. Het resultaat kon zich niet verheugen in een algemene tevredenheid. Vooral de anarchistisch getinte arbeidersgroeperingen, zoals die in Emmercompascuum, was gedaald met 50 procent, van 140 gulden in 1920 naar 75 gulden. Het jaar daarop kregen de veenarbeiders wederom een korting op hun loon. Een ander gevolg van de stagnerende afzet was dat de grote verveners zelf minder gingen produceren. Zij verhuurden turfputten aan veenarbeiders. Voor de grootverveners waren dan de inkomsten zeker gesteld. De arbeider kon met zijn gezin relatief goedkoop produceren en daardoor de turf voor een lage prijs op de markt aanbieden. Deze tendens zette zich vooral na 1920 door en zien we een duidelijke toename van de zogenaamde eenmansbedrijven, de arbeider/vervener


Het veenbedrijf moest sterven.

Eind 1925 viel er een opleving te constateren. De oorzaak lag in de stagnerende aanvoer van kolen vanuit Engeland vanwege een mijnwerkersstaking. De kolen werden schaars, de Nederlandse mijnen waren niet in staat aan de vraag te voldoen. Een andere oorzaak voor de opleving was in Den Haag te vinden. De regering had besloten nieuwe maatregelen te nemen om de turfafzet te bevorderen. Vooral het instellen van een subsidie op de vervoerskosten wierp vruchten af. De afnemers kregen 5 cent per m3 voor scheepsvracht naar Groningen. . De vervoerssubsidie bleef tot 1930 van kracht. Tevens verstrekte het Rijk een subsidie van 25 cent per m3 voor reeds geproduceerde fabrieksturf, met dien verstande dat alleen strokartonfabrieken, de aardappelmeelindustrie en glasfabrieken de tegemoetkoming kregen

De totale kosten van de overheidsmaatregel bedroegen ƒ 207.295,50. Het overheidsingrijpen deed de hoop in de veengebieden weer opleven. Als vanouds werd er in het graaf seizoen 1926 geproduceerd. Ook in het daarop volgende jaar werd er veel turf te drogen gezet. Het vertrouwen in de toekomst bleek echter wederom een illusie. Het veenbedrijf moest sterven. In 1927 werd de subsidie stopgezet, afzet stagneerde en bij het begin van de campagne van 1928 bleef niet minder dan 63 °7o van de arbeiders werkloos. Het ontbrak de verveners blijkbaar aan visie of aan perspectief, ze reageerden veel te enthousiast op de kunstmatig opgewekte opleving in de veenderij. De eerste aanzet tot structurele verbetering van het veenbedrijf kwam vanuit het kabinet, toen zij in april 1926 een 'commissie van advies voor de veenafgraving' installeerde

Doel van de commissie was te onderzoeken of het veenbedrijf kon blijven functioneren. In juni 1928 bracht de commissie rapport uit, wat in niets resulteerde. De verveners hadden meer succes. In hun streven naar verbetering van de productiefactoren werd er in de venen een noviteit geïntroduceerd: de turfpersmachine. Aangezien de productiekosten van turf voor zeventig tot tachtig procent uit de factor arbeid bestond was de machinale verwerking van veen erg interessant. Al in 1927 werden er op die manier 45 miljoen stuks turf, a 700 gram, geproduceerd. In 1928 waren dat er 100 miljoen stuks, het jaar daarop 60 miljoen. De turfpersmachine gaf hoop. Al werd turf te duur voor de industrie de persturf was nog steeds aantrekkelijk voor huisbrand.


Bronvermelding:

'Drenthe 1920 - 1940; Een bundel opstellen. J.D.R van Dijk e.a. Drents Museum 1989. ISBN 90 70884 24 0





© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl