In en om Assen





Veenterpen in de Kop van Drenthe


Bongveen, hoogveenrestant en pingo ruïne in ruilverkaveling. Kleurenhoutsnede, grootte 24 x 83 cm. 2009 van Siemen Dijkstra


Beschermd archeologisch monument

In de woldgebieden in het noorden van Drenthe ligt een groot aantal zogenaamde veenterpen. De terpen liggen zonder uitzondering in veenweidegebied en zijn, zelfs in dit vlakke landschap, moeilijk te herkennen. Dit komt vooral door de geringe hoogte van 25 tot 80 cm. De gemiddelde doorsnede is zo'n 30 meter. De locatie van de veenterpen is in veel gevallen te herkennen aan de afwijkende vegetatie ter plaatse. Deze terpjes zijn in het verleden al tal van keren onderwerp van onderzoek geweest, maar zonder overtuigend resultaat. In het afgelopen jaar zijn de veenterpen in het kader van een onderzoek naar de landschapsgeschiedenis van Roderwolde opnieuw onderzocht, een aantal bevindingen wordt in dit artikel weergegeven

Tijdens het graven van het Paterswoldsemeer in de 18c a 19l' eeuw voor veenwinning en het graven van de Hoornse plas voor zandwinning in de jaren '70, is een groot aantal van de veenterpen verdwenen. Met het oog op de toekomstige waterberging in het gebied, en om verdere aantasting van de veenterpen te voorkomen, heeft een aantal terpen in de Peizermaden de status van 'beschermd archeologisch monument' gekregen. Deze monumenten worden door het Rijk beschermd door ze te ontzien bij bouwwerkzaamheden en bodemverstoringen. Wat is nu eigenlijk beschermd?


Functie van de veenterpen

Al in het begin van de 19e eeuw werd er geschreven over de veenterpen of heemsteden zoals de terpen in de volksmond genoemd worden. De aanleiding daartoe waren de talloze archeologische vondsten die tijdens het graven van het Paterswoldsemeer gevonden werden. De heren archeologen waren het er op dat moment over eens dat het grafheuvels betrof uit de vroege middeleeuwen. Van Giffen was in de jaren '30 van de vorige eeuw de eerste die met een doelgerichte archeologische opgraving de veenterpen onderzocht. Naast veel aardewerk en houtskool vond hij restanten van een gebouw met een lemen vloer. Van Giffen kwam tot de conclusie dat het laatmiddeleeuwse woonterpen waren.

In de jaren '60 van de vorige eeuw komt Klungel, een onderzoeker van de voormalige STIBOKA (Stichting voor Bodemkartering), de terpjes weer tegen tijdens bodemkarteringen. Hij schrijft er een artikel over. Hieruit wordt duidelijk dat er circa 200 veenterpen in het veenweidegebied liggen. Een aantal jaren later wordt er tijdens het graven van de Hoornse plas een zestal terpen opgegraven door het voormalige Biologisch Archeologisch Instituut in Groningen. Er werd opnieuw veel aardewerk en houtskool gevonden en restanten van gebouwen met een lemen vloer. In het aansluitende onderzoek wordt geconcludeerd dat de veenterpen waarschijnlijk werden gebruikt voor seizoensmatig vetweiden van vee.

De functie van de veenterpen staat daarna nog steeds ter discussie. Op basis van het gevonden aardewerk wordt in de jaren '90 nog geconcludeerd dat de bewoners geen boeren waren, maar protoambachtelijke bierbrouwers. Over de datering van de bewoning op de veenterpen is men het wel eens, tussen 1000 en 1400 na Chr. werden de veenterpen gebruikt.


De veenterpen zoals die door de STIBOKA gekarteerd werden


De veenterpen van Roderwolde

Tijdens een onderzoek naar de landschapsgeschiedenis van Roderwolde dat dit jaar plaatsvond, werden de veenterpen opnieuw onderzocht. Ditmaal niet alleen archeologisch, maar interdisciplinair. Er is met archeologische, historisch-geografïsche en historische bronnen met name onderzoek gedaan naar de plaats van de veenterpen in het 'ontginnings-verhaal' van het veengebied van Roderwolde. In veengebieden is vaak sprake van opschuivende bewoning doordat het veen oxideert en inklinkt en te nat wordt om te wonen. Een mooi voorbeeld daarvan is de kerk in Kolderveen bij Meppel. Het dorp is daar opgeschoven terwijl de stenen kerk is blijven staan. Hetzelfde was het geval in Roderwolde, daar is de kerk echter in 1830 afgebroken; de kerkheuvel is tot op heden nog wel in gebruik als kerkhof.

Uit het onderzoek blijkt dat de ontginning van Roderwolde al rond het jaar 1000 is begonnen. De eerste ontginningen vonden plaats in het uiterste noorden van het dorpsgebied ten noorden van de huidige A7. Vanuit daar is de bewoning steeds verder opgeschoven naar het zuiden, waar omstreeks de 1 4e eeuw een kerk werd gebouwd. De veenterpen die in het dorpsgebied van Roderwolde liggen, zijn in de meeste gevallen 12e -13e eeuwse boerderijplaatsen geweest en hebben deel uitgemaakt van deze opschuivende bewoning. Met gedetailleerd kaartonderzoek naar veenterpen werd aangetoond dat de boerderijen allemaal aan de rand van een eigen kavel hebben gelegen.


Veenterpen oftewel resthemen

Een archeologisch onderzoek van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), dat gelijktijdig plaatsvond, bracht aan het licht dat de terpen eigenlijk geen terpen zijn. De achtergebleven lemen vloeren van de boerderijen, die tijdens het gebruik regelmatig werden verstevigd, sluiten de ondergrond af van zuurstof zodat er minder oxidatie plaatsvindt. Het veen in de omgeving oxideert met een normale snelheid waardoor er een 'terp' ontstaat op de plaats van de verdwenen boerderij. Feitelijk is de naam veenterp onjuist en zou er gesproken moeten worden van fossiele huisplaatsen of resthemen. Dit fenomeen is ook bekend uit andere veengebieden. In het West-Nederlandse veengebied zijn ook tal van Veenterpen' bekend.

Onder kerkheuvels, waaronder die van Roderwolde, worden veenlagen gevonden die in de omgeving al lang geoxideerd zijn. In Ruinerwold zijn voorbeelden bekend van boerderijen die maar gedeeltelijk op een restheem staan waardoor de muren scheuren. Op 19e-eeuwse topografische kaarten zijn op de locatie van een aantal resthemen (nog steeds) boerderijen te vinden. Langs het Peizerdiep stond een stenen boerderij die De Flint werd genoemd en ook langs de Matsloot stond een tweetal boerderijen. Deze boerderijen komen al voor in de vroegste prekadastrale registers. Het archeologische materiaal van deze locaties lijkt er op te wijzen dat er van de 12e tot de 19e eeuw continu bewoning heeft plaatsgevonden op deze resthemen. Waar veel resthemen dus al in de 14e eeuw werden verlaten om op de zandgrond van het huidige Roderwolde te gaan boeren, zijn een aantal tot in de 19° eeuw bewoond gebleven.


Beschermde huisplaatsen

Met het klinken van het veen, het kanaliseren van beken op het Drents plateau en de hoeveelheid regen die in 1998 voor extreem hoog water zorgde, werd het plan voor waterberging in de Kop van Drenthe geboren. Door het graven van sleuven, het opzetten van kaden, het verhogen van de grondwaterstand, het laten meebewegen van de oppervlaktewaterspiegel en andere kunstgrepen hoopt men in de toekomst het hoofd boven water te houden en een fantastisch stuk natuur te creëren. De beschermde archeologische monumenten in de Peizermaden zullen beschermd worden tijdens en na het aanleggen van de waterberging. In natte perioden zullen de resthemen ironisch genoeg waarschijnlijk als terpen boven het water uitsteken. Het eeuwenoude cultuurlandschap dat onlosmakelijk met de resthemen is verbonden, zal helaas wel verloren gaan evenals meer dan honderd andere resthemen.

Het is jammer dat cultuur, natuur en water, na een eeuwenlange wisselwerking, tegenwoordig schijnbaar niet meer samen door één deur kunnen.


Bronvermelding:

'Het Drentse Landschap'. December. 2009, nummer 64. Een artikel van Jeroen Zomer. Dit artikel is gebaseerd op een masterscriptie landschapsgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen met de titel: Landschapsgeschiedenis van Roderwolde.






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl