In en om Assen





De gebouwen van de voormalige abdij te Assen


Bronvermelding:
Nieuwe Drentsche Volkaalmanak; 29e jaargang 1911. Een artikel van J. M. Van Kuyk.


't Gemeente Landhuis en kerk te Assen 1735. Links: voormalig priesterhuis. Tekening door Cornelis Pronk. (collectie Provinciaal Museum van Drenthe)


het Te Deum laudamus


Streng waren de regelen welke door den abt STEFAN HARDING, stichter der orde de Cisterciënsers, voor de nonnen dier orde waren voorgeschreven. Zij moesten een gestreng stilzwijgen in acht nemen, zeer veel spinnen en naaien, in de woeste plaatsen de doornen en distelen uitroeien en den ruwen bodem tot ontginning geschikt maken, terwijl het niet geoorloofd was, dat zij linnen of pelterijen droegen. Niettegenstaande deze harde verordeningen, die echter in den loop der tijden aanmerkelijk werden verzacht, telde de orde in haar bloei - tijd niet minder dan 6000 kloosters, welke inzonderheid in Duitschland waren gelegen, doch waarvan ook ons land niet misdeeld was.

Het was voor nonnen van deze orde dat, op het terrein waar thans te Assen de Brink gelegen is, tusschen de jaren 1254 en 1259 een klooster werd gesticht, Maria Kamp (Sancta Maria in Campis) geheeten, op een eenzame plaats in de heide, in de nabijheid van eenig natuurlijk grasland, bosch en veen, zoodat er gelegenheid was voor het doen weiden van schapen en vee en voor het verkrijgen van brandstof. Ruim 345 jaren bleef het klooster als zoodanig bestaan, somtijds blootgesteld aan de muiterij van plunderende troepen, zoodat het zelfs als sterkte gebezigd en van eene bezetting voorzien werd, doch meestal rustig en eenzaam, ver van het gewone gedoe der wereld, totdat, ingevolge besluit van Ridderschap en Eigenerfden, tot het wereldlijk maken of de secularisatie van het convent werd overgegaan, welke in 1601 aanving en in 1602 afliep.

De nonnen werden niet verdreven, doch ontvingen jaarlijks eene geldelijke bijdrage en niet onwaarschijnlijk is het dat zij, die daartoe den wensch te kennen gaven, in het gebouw gebleven zijn, doch nieuwe mochten niet meer worden aangenomen. Sedert dien tijd zetelt het provinciaal bestuur in het oude kloostergebouw en heeft het aan vele autoriteiten, zoowel wereldlijke als kerkelijke, tot verblijf gediend en hebben vele vorsten en vorstinnen van het Huis van Oranje daarin tijdelijk vertoefd. Binnen de wanden van het gemeentehuis, op welke plaats eenmaal het Te Deum laudamus aangeheven werd en later door de Hervormden psalmen werden gezongen, klinken thans de redevoeringen der raadsleden en daar, waar in de kelderije van het klooster de boonen en het spek werden bewaard, zijn thans (in het Museum van Oudheden) de steenen voorwerpen geborgen, gebruikt door menschengeslachten die reeds eeuwen van de aarde verdwenen waren toen met den bouw van het klooster begonnen werd.

Belangrijke mededeelingen aangaande de geschiedenis van de voormalige abdij en haar optreden naar buiten kan men vinden in het werk van den vroegeren archivaris J. S. MAGNIN, getiteld ,,De Voormalige Kloosters in Drenthe", waarheen wij den belangstellenden lezer kortheidshalve meenen te mogen verwijzen. In de bijdrage welke thans wordt aangeboden, zullen meer in het bijzonder de gebouwen worden behandeld, waarvoor de gegevens zijn ontleend aan het Rijksarchief en aan de inlichtingen die verstrekt konden worden door hen, die de thans afgebroken pastorie, het gouvernementsgebouw en de verschillende mede afgebroken gebouwtjes op het binnenplein hebben gekend of daarin hebben vertoefd of gewoond, in verband met de restes welke thans nog over zijn.

Zeer te betreuren is 't, dat er uit vroeger tijden geen behoorlijke afbeelding van het klooster voorhanden is ; veel wat ons thans duister is, zou dan opgehelderd kunnen worden. De oudste teekening, waarvan melding gemaakt wordt, zou zijn van 1664 van J. STELLINGWERF, die volgens KOK, Vaderlandsch Woordenboek, in dat jaar de overblijfselen van het klooster naar het leven zou hebben geteekend. Deze schilder vervaardigde een groot aantal afbeeldingen voor den Atlas der Vereenigde Nederlanden van Mr. B. BROUERIUS VAN NIDEK, na diens overlijden verkocht aan WILLEM HENGSKENS. Het is niet bekend waar zich die teekening thans bevindt, doch niet onwaarschijnlijk is het dat zij voorhanden is bij de afbeeldingen, welke voor gemelden Atlas gemaakt zijn. Doch waar zijn die ?

Wel worden in het Rijks Prentenkabinet te Amsterdam een aantal penteekeningen van STELLINGWERF bewaard, die klaarblijkelijk tot één groote reeks behoord hebben, misschien wel tot de collectie van BROUERIUS VAN NIDEK, doch blijkens eene door den Directeur van dat Kabinet welwillend verstrekte inlichting is de bedoelde teekening van het klooster daarbij niet aanwezig. Daar STELLINGWERF omstreeks 1724 werkte, is in KOK'S Vaderlandsch Woordenboek wellicht ten onrechte het jaar 1664 vermeld als dat, waarin door hem het kloostergebouw in beeld zou zijn gebracht of ,,geconterfeit", om eene uitdrukking uit dien tijd te bezigen. In het Provinciaal Museum van Oudheden te Assen berust eene teekening van de hand van C. PRONK, waarop met potlood staat geschreven ,,Gemeenlands huis en kerk te Assen" (Juny Woensd.)

Naar haar is kennelijk genomen de uitslaande plaat, voorstellende 't oude Landshuis of Staatenkamer, welke voorkomt in den Tegenwoordigen Staat (Drenthe) tegenover bladzijde 104. Die plaat is daarop geheel gelijk, doch zij is minder nauwkeurig afgewerkt dan PRONK'S teekening. Zoo ontbreekt o. a. de zandsteenen band tusschen de boven- en benedenramen van het latere gouvernementsgebouw en het aanplakbord bij de deur van de Collegegang, terwijl de plaatbewerker, wat echter niets ter zake afdoet, sommige luiken in de gebouwen als openstaande heeft geteekend en een zestal menschenfiguurtjes meer heeft afgebeeld, terwijl hij, om de plaat beter te doen aanpassen aan den tijd waarin het werk werd uitgegeven, de pruiken van de daarop voorkomende heeren van een haarzak heeft voorzien.

Doch op beide afbeeldingen komt een persoon voor die het een en ander nateekent en een ander - wellicht een oudheidkundige - die hem blijkbaar datgene aanwijst, wat hem in den gevel van het kloostergebouw merkwaardig voorkomt. Niet onwaarschijnlijk moeten deze personen PRONK en diens vriend SCHOEMAKER, een in zijn tijd bekend oudheidkundige, voorstellen met wien hij o. a. in 1732 door een gedeelte van Drenthe een voetreis maakte, omdat men deze meermalen op teekeningen van PRONK tezamen ziet afgebeeld. Daar deze in 1759 overleed, dateert zijne afbeelding in allen gevalle van vóór dien datum. Niet onwaarschijnlijk is het dat zij gemaakt is tusschen 1732 en laatstgenoemd jaar.

Het Museum bezit nog een andere afbeelding van het kloostergebouw en wel van de hand van H. TAVENIER. Deze schilder, die in 1732 te Haarlem geboren werd en in 1807 aldaar overleed, werkte dus na PRONK. Bedoelde afbeelding is bijna geheel gelijk aan PRONK'S teekening, welke hij blijkbaar tot model genomen heeft, doch hij heeft eenige wijzigingen aangebracht, die, omdat zij niet juist zijn, daardoor geen verbeteringen werden. Zoo bracht hij boven de deur van de Collegegang eene versiering aan die aldaar in natura nooit bestaan heeft, het torentje van de kerk waarvan het bovengedeelte open was, werd door hem als dicht zijnde afgebeeld, terwijl hij een raam aan den zuidkant, dus aan de zijde van de Kloosterstraat, liet vervallen.

Alleen liet hij - en terecht - den gevel van de kerk iets vooruit springen, hetgeen op de teekening van PRONK minder duidelijk uitkomt. Ook op TAVENIER'S afbeelding komen weder dezelfde twee personen voor (schilder en oudheidkundige) terwijl hij, om meer leven aan het tafereeltje te geven, nog verschillende andere menschenfiguurtjes op zijne teekening aanbracht, zoodat de Brink daardoor meer levendigheid vertoont dan hij in die dagen wellicht gehad zal hebben. De figuurtjes zijn losser en bevalliger geteekend en het geheel maakt een aangenamer indruk; doch, zooals reeds is opgemerkt, staat, uit een historisch oogpunt, PRONK'S werk hooger. Van minder waarde, maar toch niet geheel zonder belang, is het op het Rijksarchief aanwezige door C. KOOIJSTRA in 1763 gemaakte ontwerp tot verfraaiing van de landsgebouwen, waaraan de afbeelding, in dezen almanak opgenomen, is ontleend.


Niet gerealiseerde verfraaiingsontwerp voor de voorgevel van het Landschapsgebouw, door C. Kooystra 1763. (collectie Rijksarchief Drenthe)


De inrichting van de middeleeuwse kloosters


Vervaardigd in een tijd waarin de rococostijl zijn hoogtijd vierde, heeft de ontwerper gemeend een offer te moeten brengen aan de mode van zijn tijd, doch hij is daarin te ver gegaan, zoodat het geheel te overladen is en wij ons gelukkig mogen rekenen dat het ontwerp nooit tot uitvoering is gekomen. Boven de benedenramen van het landshuis bracht hij de noodige versieringen aan en toen dit aan die der bovenverdieping niet kon plaats hebben, omdat deze te dicht bij het dak waren, projecteerde hij ze eenvoudig aan de onderzijde daarvan, zoodat wij, bij het eerste gezicht, den indruk krijgen dat de bovenste ramen onderste boven staan. Boven de kroonlijst van het dak werd een hek ontworpen waaraan de noodige krullen niet ontbraken.

Zelfs de deur van de kerk en het raam boven de deur van de Collegegang moesten het ontgelden. Toch heeft de teekening van KOOIJSTRA uit een historisch oogpunt waarde, omdat zij een beeld geeft van den toestand waarin in 1763 het rentmeesters - en drostenhuis, benevens het gedeelte van het landshuis naast de kerk gelegen, verkeerden. Ook vinden wij daarin eene afbeelding van de kerk welke ongeveer gelijk is aan die welke genomen werd naar de penteekening van den heer C. MEYBOOM, voorkomende in het werk van PAREAU ,,De Oude Kerk te Assen", met dit onderscheid, dat onder de wijzerplaat in de teekening van KOOIJSTRA het jaartal 1723 voorkomt, terwijl in de teekening van M EYBOOM het jaartal 1662 vermeld staat in het driehoekje boven de wijzerplaat.

Alvorens over te gaan tot de bespreking van de Asser abdij, mag het overweging verdienen eerst eens na te gaan op welke wijze de middeleeuwsche kloosters waren ingericht. Hoe uiteenloopend ook in de bijzonderheden der distributie, kwamen toch alle kloosterge- bouwen daarin overeen, dat eene binnenplaats het middelpunt uitmaakt van de woonverblijven, voor het gemeenschappelijk leven der kloosterlingen vereischt. Alle vier zijden - of ook slechts drie - van het vierkante binnenplein zijn door een kruisgang begrensd die, in den regel de benedenverdieping der kloostergebouwen uitmakende, tot wandel - en verbindingsgang diende en tevens met de kerk gemeenschap gaf. Het binnenplein diende soms voor begraafplaats of voor de processiën en was dikwijls ook als een tuin aangelegd, waarin geneeskundige kruiden groeiden.

Aan de kruisgang grensden de Kapittelzaal, alwaar de vergaderingen van het convent werden gehouden en de Reefter of Refectorium, tot eetzaal bestemd. Tot de meest omvangrijke vertrekken behoorde voorts het Dormter (Dormitorium) of de gemeenschappelijke slaapzaal, welke zich veeltijds, evenals de cellen der monniken of nonnen, in de bovenverdieping bevond. Voorts waren er nog vertrekken voor gasten en ziekenkamers, brouwerij, bakkerij, melkkamer, kelderije, benevens verblijfplaatsen voor de leekebroeders, terwijl bij grootere of nonnenkloosters bovendien nog eene afzonderlijke woning voor den prior was. Eene aanschouwelijke voorstelling van de inrichting van een convent uit de middeleeuwen geeft het uitvoerige plan van een klooster te St. Gallen, waarvan eene beschrijving voorkomt in het bekende werk van W. J. HOFDIJK ,,Ons voorgeslacht. ".

Elk nonnenklooster stond onder de bescherming van een monnikenklooster van dezelfde orde; uit verscheidene stukken blijkt dan ook dat de abt van een der naburige conventen en wel van Claercamp in Friesland en Aduard in Groningen, beiden tot de orde van de Cisterciensers behoorende, met de bescherming van de abdij te Assen en met het toezicht op de nonnen en het beheer van de goederen is belast geweest. De nonnen te Assen hadden werkelijk wel bescherming noodig, daar de abdij meermalen te lijden had van roovers die zich kloostergoederen toeeigenden. Aan het hoofd van het klooster stond de abdis, die door de nonnen gekozen werd; zij voerde den kromstaf en de priesterlijke stola.

Op het Rijksarchief is nog aanwezig het bronzen zegel dat door de abdissen van het Asser convent voor het zegelen der stukken werd gebruikt. Dat het door haar - zooals verhaald werd - met een zilveren keten om den hals of de schouders zou zijn gedragen, is zeer onwaarschijnlijk, daar de Cisterciensters geen andere versierselen mochten hebben dan een rozenkrans. De zilveren ketting welke - naar men zegt - vroeger aan het zegel bevestigd was, moet klaarblijkelijk van later tijd zijn geweest. Op de abdis volgde in rang de priorin, die soms haar plaats innam; onder deze stond weder de subpriorin, die het opzicht had over de nonnen en het geheele gezin, terwijl aan de keldersche het opzicht over de voedingsmiddelen en aan de kleedmeesteres dat over de kleedingstukken was opgedragen.

Het ordegewaad der Cisterciensers bestond uit een witten lijfrok met zwarten gordel, scapulier, en wijle of kaper. Er werden in het klooster ook nog werkbroeders en proveniers of kostgangers aangenomen, welke laatsten hunne goederen in het klooster brachten en daarvoor levenslang onderhouden werden. De dienst in de abdijkerk werd verricht door een priester of prior, die tevens biechtvader der nonnen was en in een afzonderlijk huis woonde. Verplaatsen wij ons thans, eenigszins vertrouwd geraakt met de inrichting van een middeleeuwsch klooster en met zijne bewoners, in onze gedachten naar de Asser abdij. Nadat wij door de bij de gracht gelegen poort - later de Pelerpoorte genaamd - wellicht door een leekebroeder zijn binnengelaten, komen wij op het voor de abdij gelegen terrein en zien deze met de bijbehoorende kerk en verdere gebouwen voor ons liggen.

Met recht kan gezegd worden dat men hier een zeer groot klooster voor zich ziet, daar het de terreinen omvatte thans ingenomen door het . gemeentehuis, het gouvernement, het hotel van den Commissaris der Koningin, de tuinmanswoning en het gebouw van het Rijksarchief, voor zoover betreft het gedeelte thans in gebruik voor het Provinciaal Museum van Oudheden. Het gebouw was geheel opgetrokken van zoogenaamde kloostermoppen, waarin hier en daar zandsteen was aangebracht. In Noord-Nederland was het bouwen in gebakken steen omstreeks 1250 algemeen geworden. De voortbrengselen uit dien tijd hebben door latere verbouwing veel van hun oorspronkelijk karakter verloren en daarom is het niet gemakkelijk zich van de 13de-eeuwsche kunst een juist denkbeeld te vormen.

Bij vergrooting der Romaansche kerken in de 15de eeuw, waarbij de bergsteen van de oude gebouwen afkomstig niet voldoende was voor de nieuwe, die zooveel grooter waren, bepaalde men er zich toe de omlijstingen van de deuren en vensters, de lijsten, de balustrades en alle versierde deelen van gehouwen steen te maken. Indien ditzelfde bij de abdij heeft plaats gehad, zal zij oorspronkelijk voornamelijk van gebakken steen zijn opgetrokken met hier en daar eenig zandsteen, op eene soortgelijke wijze als het tegenwoordige archiefgebouw, en dateeren de zandsteenen kruisramen en banden, zooals deze, blijkens de reeds vroeger besproken teekeningen, aan de gebouwen voorkwamen, van later tijd.

Een dier zandsteenen kruisramen werd bij het afbreken van het vorige gouvernementsgebouw teruggevonden, benevens een zandsteenen band, blijkbaar van een deur - of raamomlijsting afkomstig. Wellicht heeft, in verband met het hierboven opgemerkte, de op dezen laatsten geplaatste inscriptie ,,in 't jaer ons heere 1536" betrekking op eene in dat jaar aan het kloostergebouw plaats gehad hebbende verbouwing. Beide voorwerpen zijn weder in het nieuwe gebouw ingemetseld; het raam in den muur van de gang achter de zaal van den Commissaris der Koningin en de steen met inscriptie in dien achter de vergaderzaal van Gedeputeerde Staten. Beginnen wij thans met onze wandeling door de gebouwen, dan vangen wij aan met het middelpunt van het klooster, namelijk de abdij- of kloosterkerk .

Deze behoefde niet groot te zijn, daar zij immers alleen bestemd was voor de kloosterlingen, de bewoners van de bijbehoorende ge- bouwen en boerderijen en voor de weinigen die in de naaste omgeving woonden. Men verlieze, wat dit laatste punt betreft, niet uit het oog, dat het klooster in een eenzaam oord gebouwd was, dat het aan de westzijde, daar waar thans Smilde gelegen is, begrensd was door uitgestrekte, onbewoonde hei- en veenvlakten, terwijl voor hen die ten noorden en ten noord - oosten woonden gelegenheid bestond zich voor het vervullen hunner godsdienstige plichten naar een der kerken te Norg, Vries of Anloo te begeven. welke reeds bestonden ten tijde toen het klooster gebouwd werd.

Alleen voor de geringe ver uiteenwonende bevolking ten oosten en ten zuiden was de Asser kerk als aangewezen; doch weldra zou ook hierin verandering komen voor hen, die ten oosten en zuidoosten van Assen woonden, door den bouw van de vrij groote kerk te Rolde, welke, te oordeelen naar de bouwwijze van het schip, blijkens de thans nog aanwezige gegevens, dateert uit het 3de kwartaal der 14de eeuw. Zeer waarschijnlijk reikte de kloosterkerk dan ook niet veel verder dan tot de plaats alwaar het driezijdig zoogenaamd choor begon, dat, zooals wij later zullen zien, in 1817 aan de later herbouwde kerk werd aangebouwd. Hoe zij er oorspronkelijk inwendig zal hebben uitgezien ? Wie zal dat kunnen zeggen, bij het totaal gemis aan gegevens. Doch dit weten wij wel, dat, op grond van de voorschriften van de orde der Cisterciensers, bij de inrichting de grootst mogelijke eenvoud moest worden in acht genomen.

Gouden en zilveren kruisen werden niet in de kerken dier orde geduld: slechts van houten kruisen mocht gebruik worden gemaakt. Luchters werden geacht weeldeartikelen te zijn, met uitzondering van een enkele, die slechts van ijzer mocht wezen. Dezelfde soberheid trof men aan bij de wierookvaten en het outergeraad, welke slechts van onedele metalen of van hout mochten zijn. Van grooten eenvoud getuigt dan ook de offerkist met ijzeren beslag en met twee groote sloten voorzien, uit het laatst der 16de eeuw, vroeger in de oude kerk, thans in het Museum van Oudheden te Assen aanwezig. Uit een geschrift van het jaar 1558 waarbij CLAES VAN WELSEN ,,the Orgaenist" opnieuw in het Convent wordt toegelaten, blijkt dat er vroeger een orgel in de kerk is geweest.


Vogel in 13de eeuwse nis in de abdijkerk, oostelijke plafond helft; de snavel wijst naar de nok van de nis, de poten naar de kerk (afm. baksteen: 15 bij 21 cm.)


Er schijnt oorspronkelijk een toren op het gebouw te hebben gestaan


Muurschilderingen, verkregen door het aanbrengen van waterverven op droge kalk, eene versiering bij vele Romaansche kerken aange troffen, zullen in onze kloosterkerk wel niet te vinden zijn geweest; hoogstens zal men zich daar, waar kleur aangebracht was, bepaald hebben tot het versieren met lijnen of vormen, ten einde te blijven binnen de perken van den voorgeschreven eenvoud. In overeenstemming met het inwendige was het uitwendige van de kerk; ook dáár gelijke soberheid als bij het klooster zelf werd aangetroffen. Gebouwd in een tijd waarin de Gothische bouworde in opkomst, doch de Romaansche nog de heerschende was, zal de kerk uiterlijk niet veel verschild hebben van die te Zweeloo of Anloo, die van ongeveer denzelfden tijd dateeren, laatstgenoemde wat het schip betreft, hoewel niet blijkt dat bij de abdijkerk van tufsteen gebruik gemaakt is.

Wellicht dat hier en daar, evenals bij het klooster, spaarzaam eenige zandsteenen versieringen waren aangebracht. De oorspronkelijke kerk van het klooster had, blijkens het bestek van het afbreken van dat gebouw, ten westen, dat is aan de voorzijde aan den Brink, een hoogen gevel, welke ten behoeve van de verbouwing in 1662 geheel afgebroken werd tot aan den grond toe ,,mits dat de pilaer ,,in 't Zuidwesten bij het uijrwerk zal blijven staen ,,tot aan de naeste venster, zoo hooch als de ,,gevel aldaer sal blijven. " In de kerk, althans bij den gevel in 't zuidwesten, stond dus een pilaar, terwijl ook een uurwerk aanwezig was. Waarvoor die pilaar diende is niet zeker na te gaan, ook niet of er meerdere waren of daarin vroeger geweest zijn.

Wie zegt of het gebouw, dat toen reeds meer dan 4 eeuwen bestaan had, al niet eens eerder eene verbouwing had ondergaan ! Er schijnt ook oorspronkelijk een toren op het gebouw te hebben gestaan, zooals o. a. blijkt uit het door Gedeputeerde Staten den 12den Januari 1602 bij de secularisatie van het klooster gegeven bevel ,,om het vervallen hout so van den toren ,,als andere vervallen huisen mitsgaeders de ,,steenen en de pannen in de kercke en elders ,,liggende in 't Westerende van de kercke ofte ,,op andere bekwame plaetsen in 't drooge op ,,eenen hoop te laeten vleijen." De mogelijkheid is niet uitgesloten, dat de pilaar, waarover hiervoor gehandeld wordt, diende tot steun van den toren.

Zooals men ziet was de kloosterkerk, die gedurende eeuwen tot stichting der geloovigen had dienst gedaan, van bestemming veranderd, daar zij gebezigd werd tot bewaarplaats van steenen en pannen. Niet lang daarna, nog in hetzelfde jaar, werd op den landdag besloten om de pannen van het dak te nemen en het hout en de steenen van de kerk voor andere doeleinden te gebruiken. Steeds meer en meer vervallende, scheen er toch eindelijk uitredding nabij te zijn, toen in de Drentsche Synode van 1650 besloten werd aan de Commissarissen-politiek te verzoeken bij den eerstkomenden Landdag te ,,recommanderen en urgeren " dat de kerk uit haren zeer vervallen toestand opgericht en weder opgebouwd zou worden. Doch men kon in die dagen niet zoo spoedig tot een besluit komen, zoodat het verzoek, eerst in 1657 en daarna in 1660, nog eens herhaald moest worden.

In 1661 werd tot den verbouw overgegaan. Volgens de bijlagen tot de rekening van den rentmeester van Assen over 1663 werd het af - breken en schoonmaken der afgebroken steen bij de aanbesteding aangenomen door den metselaar PETER JANSEN voor 350 Caroligulden, het metselwerk door de gebroeders JACOB en BERENT LUCAS voor 900 Caroligulden ,,ende elx eenen Rosenobel", terwijl aan den timmerman JOHAN WIJCHERS te Assen het timmeren van het houtwerk - waaronder ook de toren begrepen was - werd toegestaan voor 1425 Caroligulden benevens een gouden ducaton voor zijn vrouw en twee ducaten voor zijn twee knechten. De Landschap zorgde voor het hout, onder bepaling dat de aannemer het oude hout, afkomstig van het dormitor van het kloostergebouw, mocht verwerken.

Blijkens de bestekken bleef de zuidelijke muur, welke thans nog aanwezig is en welke grenst aan het tegenwoordige gouvernementsgebouw en de woning van den concierge, bestaan zooals hij was, met dien verstande, dat de gedeelten welke inge - waterd of verregend waren, moesten afgebroken en wederom opgemetseld worden. Hij heeft de buitengewone dikte van ongeveer 2.30 Meter en is een zoogenaamde gegoten muur, waaronder feitelijk twee muren moeten verstaan worden, waarvan de eene tot het tegenwoordige gemeentehuis - de vroegere kerk en de andere tot het gouvernement en de conciergewoning behoort, welke elk eene dikte hebben van ongeveer 0.80 M., terwijl de binnenruimte tiisschen beide muren opgevuld is met puin, kalk, enz. In het muurgedeelte dat aan de woning van den concierge grenst, is nog aanwezig een groote poort (korfboog) hoog 2.58 M. en breed 2 M., gemaakt van 5 beurtelings inspringende rollagen van profielsteenen.

Kennelijk maakten de nonnen van deze poort gebruik om daardoor van uit de kloostergang de kloosterkerk te bereiken. In het daartegenover liggende gedeelte van den muur, welke thans tot het gemeentehuis behoort, moet dan eene opening geweest zijn van gelijke grootte, hetgeen echter, daar die muur thans geheel bepleisterd is, niet meer kan worden nagegaan. In het bestek voor het afbreken van de oude kerk komt o. a. de volgende bepaling voor : ,,Ende sal de annemer oock gehouden zijn ,,in de doorganck van den heer secretaris een ,,nije deuregatt, daer een deurcousijn in can ,,staen, door de kerckmuijre bij de torffschuire ,,te maecken, gelijck aengewesen sal worden. "

Niet onwaarschijnlijk is het dat men van uit het huis van den secretaris, zijnde het gedeelte van het gouvernementsgebouw gelegen naast het gemeentehuis, door de gemelde poort en zoo verder door den muur kon komen naar de achter de kerk gelegen turfschuur. Het puin en de afval waarmede de gegoten muur gevuld was, zal daaruit natuurlijk verwijderd zijn, waardoor van zelf een gang ontstond, terwijl later de ledige ruimte weder schijnt te zijn aangevuld. Volgens een ooggetuige, die voor eenigen tijd op een ladder staande, van boven in den muur kon zien, schijnt het gedeelte dat thans vol puin is, eertijds voor een ander doeleinde gediend te hebben, althans het blijkt dat er in gestookt is. Ook schijnt in dezen muur een soort bergplaats geweest te zijn, welke naar het zuiden open was, doch met de kerk geen gemeenschap had, gelegen dicht bij het in 1817 bijgebouwd choor.

Voor omstreeks 60 jaar stond op de binnen - plaats van het gouvernement, in de onmiddellijke nabijheid van den muur, een zeer oude turfschuur van zware steen (zoogenaamde kloostermoppen) gebouwd, welke later is afgebroken. Blijkbaar is dit dezelfde schuur geweest waarin de vroegere secretarissen hunne brandstoffen bewaarden. Het reeds meer genoemd bestek bepaalt o. a. dat, behalve de westelijke muur of voorgevel, ook de noordelijke zijmuur tot aan de fundamenten moest worden afgebroken, zoodat, daar de ooste- lijke niet meer bestond, de zuidelijke muur met de fundamenten aan de west - en noordzijde, benevens de steenen die voor den opbouw van de vernieuwde kerk - het tegenwoordige gemeentehuis - werden gebezigd, nog de eenige overblijfselen zijn van de oude kerk der abdij.

De vernieuwde voor de Hervormden bestemde kerk kwam in 1662 gereed. Zooals wij reeds gezien hebben werd voor den opbouw gebruik gemaakt van de oude steenen van het kerkgebouw der abdij, waarmede de muren, die 2 à 24 steen dik waren, tot eene hoogte van 30 voet werden opgetrokken. Aan de noordzijde kwamen 5 en aan de oostzijde 3 ramen. De voorgevel aan den Brink, waarin werd aangebracht een deur met een raam aan weerszijden, werd vrij hoog opgetrokken, zoodat hij meer dan 2 M. hooger was dan de tegenwoordige gevel van het stadhuis. Oorspronkelijk was zij een topgevel, zooals blijkt uit de plaat in den ,,Tegenwoordigen Staat", doch later werd hierin eenige wijziging gebracht, welke echter geen verbetering was, te oordeelen naar de teekening van C. KOOIJSTRA en het plaatje van C. MEYBOOM, zooals dat voorkomt in het werk van PAREAU ,,De Oude Kerk te '.

Uit de laatste twee afbeeldingen kan men zien dat boven de deur en de twee groote ramen drie kleine raampjes waren geplaatst; daarop volgde de gevellijst, gedekt door het in Assen nog bij sommige huizen voorkomende, hier geheel misplaatste, driehoekje; hierop stond een gedeelte van den ouden topgevel, sterk verankerd, waar - binnen een rond raam door een krans omgeven, terwijl alles gedekt werd door een uurwerk, waar - boven weder een driehoekje met het jaar 1662 en een vaas van gelijke gedaante als de twee welke aan weerszijden van den gevel stonden. Duidelijk kan men op de beide teekeningen zien waar de dikke zuidermuur eindigt, dat is ter plaatse waar de gevel aan de zijde van het gouvernement inspringt.

Bij de latere verbouwing van de kerk tot gemeentehuis, werd de gevel tot dat gedeelte verlaagd. Thans kan men nog zien, dat het gedeelte muur van de deur van het stadhuis naar het gouvernement breeder is dan het gedeelte aan de andere zijde van de deur gelegen. Op het dak van de kerk, op eenige voeten afstands van den gevel, werd een torentje geplaatst. Aangaande den bouw daarvan wordt in het meergenoemd bestek het volgende bepaald: ,,Wijders sal de annemer volgens het model1 ,,een torentien van hout op het dack van de voers: ,,kercke maecken, ruim 54 voeten van de vorenste ,,gevel.

,,Ende van de naelde ofte vorst van de kercke ,,sal het hooch werden gemaeckt tot aen de spitse ,,14 voeten, achtkantig met 8 stijien, ieder ongeveer 11 ofte 12 duimen dick, ende van buiten ,,wijt, volgens het model, g voeten. ,,Sullende bekleet werden van de vorst tot ,,aen de tweede lijste, daer de openinge is waer- ,,inne de klocke sal hangen ende beneden de vorst ,,aen de zuijt- ende noorder zijden met eecken , ,plancken. ,,Ende van de bovenste lijste (als sullende om ,,de tooren drie lijsten volgens het model ge - ,,maeckt worden) een spitse te maecken, hooch ,,tot daerop de knope ende kruiswerck sal comen ,,16 voeten, ende de spits met eecken plancken ,,te bekleden " enz.

Boven op de spits werd geplaatst ,,een groote copere Engel1 tot een weerhaene" benevens ,,een groote coperen cnop." Hiervoor werd betaald f 24.- benevens voor het vergulden van een en ander f 20.-, terwijl voor ,,een coperen plate tot een wijser", groot 49 voet en hoog 4 voet, werd besteed 27 gulden, 3 stuiver en 4 duiten, benevens f 35.- voor het vergulden met gouden letters en lofwerk. In den toren hing een oude klok, waarschijnlijk van de abdijkerk afkomstig, welke later door eene andere vervangen werd, die tot opschrift had ,,I0 Borchard fudit Enchusae A. 1768". Deze laatste, later in het tegenwoordige koepeltorentje overgebracht, moest, gebarsten als zij was, voor een dertigtal jaren hare plaats inruimen voor de tegenwoordige.

Niet onwaarschijnlijk is het dat de ,,copere Engell", welke destijds als windwijzer dienst deed, dezelfde is als de thans op het tegenwoordige torentje nog aanwezige. De in 1662 gebouwde achtkantige toren had, naar de bestaande afbeeldingen te oordeelen, een niet onaardigen vorm. Tot aan den koperen bol was hij, zooals wij reeds gezien hebben, 30 voet hoog, zoodat hij, staande boven op het reeds zeer hooge dak van de kerk, ver boven het geboomte uitstak en daar - door in den omtrek van Assen goed zichtbaar was, hetgeen met het tegenwoordige koepeltorentje niet overal het geval is. Wat de inwendige inrichting van de kerk betreft, vermelden wij hier nog, dat daarin een preekstoel werd aangebracht, waarvoor die in de kerk te Ruinen tot model diende en waarvan de maker was JAN JANSEN DECKER te Steenwijk, die daarvoor ontving 150 gulden en bij de aflevering een gouden dukaton voor zijn vrouw.


Plattegrond van Assen, rooilijnen en waterstaatkundige toestand circa 1840. 1. Kerk, 2. Westvleugel, 3. Drostenhuis, 4. Zuidvleugel, 5. Gevangenis, 6. Pastorie, 7. Ontvangershuis, 8. School, 9. Plaats van de mairie, 10. Plaats van de brouwerij en Helinge-erve, 11. Plaats van rentmeesterserve, 12. Plaats van Meierserve (oorspronkelijk kloosterboerderij), 13. Plaats van de Pelerpoort


Onder het huis van den heer Engers bevindt zich een zeer oude kelder


Later in 1817 werd het gestoelte verkocht aan de Hervormde gemeente te Oosterhesselen, waarna het in de kerk aldaar geplaatst werd, waarin het nog aanwezig is. In de kerk was o. a. bovendien nog aanwezig een koperen armluchter en arm met zandlooper, thans in het Museum van Oudheden te Assen bewaard. Aanvankelijk was het gebouw voor het gehoor veel te ruim, doch door den sterken aanwas der bevolking ontstond er later gebrek aan ruimte. Eerst trachtte men daarin te voorzien door in 1810 aan het westeinde eene zoldering aan te biengen ,,de Klunderbeun" genaamd, van voren op twee pilaren rustende, waardoor eene ruimte ontstond voor onderscheidene zitplaatsen.

Doch in 1817 zag men zich genoodzaakt over te gaan tot vergrooting van het gebouw, hetgeen geschiedde door den aanbouw aan de oostzijde van het met drie zijden van een achthoek gesloten gedeelte, hetgeen het choor genoemd werd. Het werd in tegenstelling van het andere gedeelte van het gebouw van gewone steenen opgetrokken, zooals thans nog duidelijk te zien is. Tevens werden de kleine in lood gevatte glas - ruiten door groote ruiten in houten ramen vervangen. De aanbouw en inwendige verbouwing van het kerkgebouw bleken op den duur niet voldoende te zijn, zoodat het in 1848 door de Hervormden verlaten werd, in welk jaar de tegen- woordige kerk aan het Kerkplein in gebruik genomen is. De oude kerk werd nu tot gemeentehuis ver- bouwd en als zoodanig in 1851 in gebruik genomen. Zooals wij reeds gezien hebben werd daarbij een gedeelte van den westelijken gevel afgebroken.

Men heeft toen gemeend, hoewel te kwader ure, het gebouw uitwendig een sierlijker aanzien te geven door het geheel met kalk te witten. Het is een gelukkige gedachte geweest van het tegen - woordige gemeentebestuur, in 1905 het witte kleed te verwijderen. Doch verplaatsen wij ons thans weder in den tijd van het klooster en vervolgen wij onze wandeling door de kloostergang, gelegen langs den zuidkant van de abdijkerk. Want dat daarlangs werkelijk een gang geloopen heeft, daarvan getuigen nog de aanwezige sporen en overblijfselen der uitgekapte kruisbogen, thans door de woning van den concierge bedekt en dus niet meer zichtbaar. De afgekapte boogvoeten waren op dezelfde hoogte als in de beide andere gangen aan de west- en oostzijde van het binnenplein, zoodat mag worden aangenomen, dat deze daaraan gelijk waren.

De noordelijke gang, waarin de poort uitkwam waardoor de nonnen uit het klooster in de kerk konden komen, liep behalve langs den muur van het kerkgebouw waarschijnlijk ook langs een daarachter gelegen gebouwtje en een wellicht daaraan sluitenden muur, welke grensde aan de oostelijke kloostergang. Het gemelde gebouwtje is waarschijnlijk het zelfde als dat hetwelk in de rekening van den rentmeester van 1608 voorkomt als het ,,hus ,,achter an de kercke daer TONNEIS tegenwoordich in woont." Deze TONNEIS, wiens volle naam TONNEIS GARBRANTS was, oefende het beroep van metselaar uit. Meermalen werd aan hem het uitvoeren van metselwerk aan de kloostergebouwen opgedragen.

Zoo ontving hij o. a. in 1608 met zijn helper 85 Caroli gulden voor het maken van een gedeeltelijk nieuwen gevel en het aanbrengen van twee schoorsteenen aan het gemelde achter de kerk gelegen huis en het toemetselen van ramen aan de oostzijde daarvan. Waarvoor dit door TONNEIS GARBRANTS in 1608 bewoonde huis oorspronkelijk gediend zal hebben in den tijd toen het klooster nog in bloei was, is moeilijk na te gaan. Men zou allicht geneigd zijn aan te nemen dat men hier te doen heeft met de priesterswoning, omdat de priester die in een nonnenklooster den dienst in de kerk deed, niet in het klooster zelf, maar in eene woning bij het kerkgebouw zijn verblijf hield.

De mogelijkheid is dan ook geenszins uitgesloten, dat de dienstdoende geestelijke in de eerste tijden na de stichting van de Asser abdij in het gemelde huis of in dat hetwelk achter het kerkhof stond, daar waar thans de woningen van den heer TETRODE en de heeren ENGERS en VAN DALEN gelegen zijn, gewoond heeft, doch later heeft de priesterswoning elders gelegen, zooals blijkt uit het besluit van Gedeputeerde Staten van 8 Januari 1602, waarbij besloten werd tot het aanbrengen van verbeteringen aan het huis ,,genoempt der ,,heren ofte priestersbehuizinge ofte woeninge ,,naest de Collegie", waaruit blijkt, dat die woning niet achter de kerk, doch ten westenvan het tegenwoordige gouvernementsgebouw gelegen was.

Wanneer de gemelde woning van TONNEIS den priester niet tot verblijf diende, dan kan het mogelijk zijn dat zij, als zijnde dicht bij de kerk en het kerkhof gelegen, dienst deed als sacristy of als lijkenhuis, in welk laatste geval daarin wellicht de lavatoirs of waschbakken aanwezig waren, waarin de Cisterciensers gewoon waren de lijken van hunne ordegenooten vóór de begrafenis te wasschen. Hierbij zij opgemerkt, dat de voor de Cister- ciensers gestelde regelen ook golden voor de nonnen dier orde. Ten slotte zou men ook nog kunnen aannemen, dat de bedoelde woning be- stemd was voor een der bedienden van het klooster.

Wanneer wij thans voor een oogenblik de noor- delijke kloostergang verlaten en ons achter de .abdijkerk begeven, komen wij op het kerkhof van het klooster, dat, blijkens de meermalen opgegraven beenderen, zich niet alleen ten noorden maar ook ten oosten van de kerk tot dicht bij den ingang van het tegenwoordige Archief- en Museumgebouw uitstrekte. Aan onze rechterhand zouden wij dan een huis aantreffen, gelegen op het terrein, waarop thans gedeeltelijk de huizen van den heer TETRODE en wijlen den heer HUNSE staan, welk laatste huis thans in tweeën is gesplitst; het gedeelte aan de zijde van den heer TETRODE wordt door den heer ENGERS en het andere gedeelte door den heer VAN DALEN bewoond.

Bij het verrichten van graafwerk in October 1910 op het terrein gelegen tusschen de huizen van de heeren TETRODE en ENGERS, werd ontdekt een stuk muur, van kloostermoppen gemaakt, breed o.9o M., hoog 0.80 M. en lang tot aan den muur van het huis van eerstgenoemde 1.05 M., waarbij tevens bleek, dat die muur onder dat huis doorloopt. Tevens werd ontbloot een oude steenen vloer, gemaakt van roode vierkante tegels, liggende op een zandlaag, welke rustte op eene bevloering van drie rijen op elkaar gemetselde kloostermoppen. Deze vloer, I Meter breed en I Meter lang, liep in de richting van den Brink naar den tuin van den heer ENGERS en lag hooger dan het bovengedeelte van gemelden muur.

Blijkbaar had men hier de restes van een oud tot het klooster behoorend gebouw weergevonden, waarvoor des te meer grond van zekerheid bestaat, omdat rechts daarvan, onder het huis van den heer ENGERS, een zeer oude kelder ligt en links onder het huis van den heer TETRODE een gedeelte van een soortgelijken kelder aanwezig is. Eerstgenoemde kelder bestaat uit op ronde pilasters steunende gewelven, volkomen gelijk aan die welke in de kloostergangen werden aangetroffen, terwijl de oude gedeelten van den vloer bestaan uit ingemetselde kloostermoppen. Kennelijk heeft men hier een ouden kelder uit den tijd van het klooster. Men treft daarin nog aan een afgeschoten gedeelte dat gesloten kan worden door een eikenhouten deur, hoog 1.56 M., breed 0.78 M. en dik 0.04 M., voorzien van drie ronde luchtgaten en een oud slot.

Hoewel zeer oud, is dit gedeelte later aangebracht, althans na den oorspronkelijken bouw, hetgeen hieruit kan worden afgeleid, dat de loop der gewelven door den tusschenmuur voor dat gedeelte wordt onderbroken. Onwillekeurig vraagt men zich af of bedoeld gedeelte diende tot het opsluiten van een gevangene; waarvoor anders die drie in de deur aangebrachte luchtgaten ? Sommige vorige bewoners van het huis hebben die deur steeds gesloten gehouden, in de vaste overtuiging dat zij toegang verschafte tot eene onderaardsche gang, welke onder den Brink zou loopen. De fantasie ging zelfs zoo ver, dat men ons personen met name heeft aangewezen, die wel eens in die gang geloopen zouden hebben; uit een bij die personen door ons ingesteld onderzoek blijkt echter, dat die verhalen op verzinsels berusten.

Men heeft, eenmaal op een onderaardsche gang belust, lang gemeend dat deze ook kan geloopen hebben van uit het thans door den heer VAN DALEN bewoonde huis naar de Kloosterstraat. Blijkens eene reeds vroeger door wijlen den heer Mr. C. L. KNIPHORST, die, ongeveer 90 jaren geleden, in dat huis geboren werd, aan ons verstrekte mededeeling, is bij latere gravingen van putten en fundeeringen op het plaatsje tusschen dit huis en het archiefgebouw nooit iets gevonden van metselwerk dat het vermoeden van het bestaan van een dergelijke gang aldaar wettigt en werden daar, zooals reeds is opgemerkt, wel veel doodsbeenderen opgegraven, maar is er geen spoor van overdekte gangen aangetroffen.

De opgegraven doodshoofden werden 's avonds wel eens aan de schelknoppen der bewoners van de huizen aan den Brink gehangen tot grooten schrik van allen die er mee in aanraking kwamen. Ook bij, het maken der fundeeringen van het archiefgebouw en het gouvernement is geen gang gevonden, zoodat het verhaal van het bestaan daarvan dus wel een sprookje zal zijn en blijven. In vroeger jaren werd het bedoelde huis het spookhuis genoemd, omdat 's nachts door de bewoners dikwijls het heen en weer loopen van menschen gehoord werd. Hiervoor is een zeer verklaarbare reden, daar het huis destijds verbonden was aan de toenmalige pastorie, thans archiefgebouw, en daaraan de gevangenis aansloot.

Daar de oostelijke kloostergang, zooals wij straks zullen zien, liep langs de pastorie en daarmede een geheel uitmaakte en gedeeltelijk in de gevangenis doorliep, kan die gang, als een groote spreekbuis, de overbrenger van het geluid der voetstappen van de gevangenen zijn geweest. Ook vinde hier nog eene plaats, dat in November 1910, bij het schoonmaken van een weliswaar van kloostermoppen gebouwden, doch blijkbaar van lateren tijd afkomstigen regenput bij het huis van den heer VAN DALEN, ontdekt werd, dat daarin uitliep een soort gang, welke men een breed riool zou kunnen noemen, welke liep een eind onder het gemelde huis, en dat een soortgelijke gang zich uitstrekte in de richting van de singegracht.

Terwijl een derde gang, in de tegenovergestelde richting gelegen, zich mede onder het huis bevindt, waarvan echter de toegang tot den put dichtgemetseld is. Ook deze gangen, waarvan de zijden opgemetseld zijn van een soort gele steen, welke tegenwoordig niet meer gebruikt wordt en waarvan de voegen tusschen de steenen behoorlijk afgewerkt waren en die plus minus 1.50 Meter hoog en zoo breed zijn, dat een volwassen man gebukt daarin loopen kan, kunnen als spreekbuizen geluiden van elders hebben overgebracht. Het kan zijn, dat in de tijden toen het klooster nog als zoodanig bestond, op het hiervoren be- schreven terrein het priesterhuis stond, doch er is meer grond voor de opvatting, dat wij hier het ,,brouwhuis ' van het klooster moeten zoeken, in verband met den grooten, goed gebouwden kelder en de bedoelde gangen of riolen, die wellicht dienden tot afvoer van het afvalwater.

Uit een onderzoek in het Rijksarchief blijkt, dat volgens eene declaratie van den deurwaarder JAN HELINGE het ,,brouwhuis , nadat het was verbrand, in 1610 weder werd opgebouwd en dat de gemelde deurwaarder er in 1628 nog in woonde, in welk jaar het gerepareerd werd. Bij de grondwerken, in October 1910 uitgevoerd naast het huis van den heer ENGERS, kwamen de fundamenten van den noordelijken muur van dat huis bloot, waarbij bleek, dat deze bestaan uit leem, aangevuld met oude profielsteenen van het klooster afkomstig, zoodat die muur kennelijk van later tijd dateert. Het huis van wijlen den heer HUNSE heeft als landschapsgebouw den ontvangers-generaal jaren lang tot verblijf verstrekt.

Hier woonden o. a. achtereenvolgens de heeren H. J. ELLENTS, C. ELLENTS, Mr. J. VAN LIER en waarschijnlijk Mr. J. H. OOSTING, die allen gemeld ambt bekleedden. Behalve een geschilderd schoorsteenstuk uit de eerste helft der achttiende eeuw, een antieke gesneden muurkast, benevens een niet onaardige monumentale hardsteenen pomp in den tuin, is er, behalve de reeds gemelde kelder en waterleidingen, in dat huis niets aanwezig uit vroeger tijden. Naast meergenoemd huis lag de woning van den landschapsklerk, zooals o. a. blijkt uit eene op het Rijksarchief aanwezige declaratie van het jaar 1725, waarin wordt gedeclareerd voor het verven van eene ,,planketting aan Mijnheer ,,ELLENTS huis na de kant van Monsieur MONTER".


Ontwerp over een nieuw provinciehuis, J. Strootman (?), 1876; niet uitgevoerd (collectie Rijksarchief Drenthe)


De sporen van den brand


In dat jaar was de heer C. ELLENTS ontvanger- generaal en de heer JOH. MONTER landschapsklerk. Niet onaardig is het te letten op het verschil in titulatuur. ELLENTS werd ,,Mijnheer , doch MONTER slechts ,,Monsieur" genoemd, omdat hij lager in rang stond. Het huis van den klerk stond waarschijnlijk op dezelfde plaats waar thans de woning van den heer TETRODE ligt; het schijnt later te zijn afgebroken, daar het niet voorkomt op de kaarten van BUWAMA AARDENBURG. Wij keeren thans weder naar het oude klooster- gebouw terug en richten onze schreden naar de oostelijke kloostergang, welke gelijk is aan de daartegenover liggende westelijke en de noordelijke, welke wij zoo juist verlaten hebben.

De ramen, welke op het binnenplein uitzien, hebben geen zandsteenen omlijsting en zijn ook geen kruisramen. Daar zij niet dicht bij elkaar staan, zijn de gangen vrij spaarzaam verlicht, doch voldoende om te kunnen zien dat de gewelven, in vergelijking met die in andere kloosters, van zeer eenvoudige constructie zijn. Door de ramen naar het binnenplein ziende, ontwaren wij, dat dit niet tot begraafplaats wordt gebruikt. Ten onrechte heeft men wel eens gemeend, dat dit het geval zou geweest zijn, doch bij de opgravingen gedaan ten behoeve van den bouw van het achtergedeelte van het gouvernementsgebouw, zijn geen sporen van beenderen gevonden.

Denkelijk was het plein als tuin aangelegd en werden daarin voor de zieken geneeskundige kruiden gekweekt. Later stonden er, blijkens de kaart van BUWAMA AARDENBURG, boomen op en liep er toen een schutting of heg langs de zijde van de pastorie. In den buitenmuur van de gang, welke bij den bouw van het Archief is blijven staan, waren nog aanwezig eenige restes van de oorspronkelijke ramen, naar welke gegevens men aan de vensters den oorspronkelijken vorm heeft kunnen teruggeven Langs de oostzijde van de oostelijke kloostergang was de kelderije gelegen en zeker zullen daar ook de keuken, voorraadkamers en wat daaraan annex is, te vinden zijn geweest.

Aan het hoofd van dit gedeelte stond de ,,Keldersche", die blijkbaar in het klooster nog al in aanzien stond, daar zij met de abdis en de priorin meermalen tegenwoordig was bij het opmaken van akten. Ten einde een overzicht te geven van hetgeen in keuken en kelder voorhanden was, laten wij hieronder eene opgave volgen, ontleend aan de inventarisatie van de aanwezige goederen van het klooster, den 29 Januari 1602 opgemaakt door de heeren EGBERT DE MEPSCHE, HERMAN PAPINCK en den secretaris van 't landschap, in tegenwoordigheid van den rentmeester en de bewoners.

Daaruit blijkt, dat gevonden werden in de keuken : ,,vier ketels, ses coeperen potten, drie ,,ende twintich tinnen schottelen klein ende ,,groott, twee roesters, een lange taefele, twee ,,bancken, een haell, een braetspitt, een spijse- ,,kaste, twee candelaers, twee tangen, een kanne, ,,een messingen lavoer, twee tinnen soltvaten, ,,een sitten, twee graeuve pullen ". In den kelder : ,,twee tonne bier, een vattien ,,met sulte, een vattien met enich pekelvleisch, ,,een vattien met enich swijnevleisch, een vorndell ,,botter, vier mudde broott, een tonne solt, een ,,halve tonne met stockvisch, viertijn sijde speck ,,en twee wijmen met gerookt rundervleisch."

Dit gedeelte van het klooster, dat achter de kerk en het kerkhof gelegen was en zich daardoor ,,als wesende deselve van allen anloep van ,,vagebonden & bedelaers meerder affgesondert" uitstekend leende tot eene woning van den predikant, werd aan SAMUEL BRUMLEW of BRUMLEVIUS, die eerst als onderwijzer en later als predikant beroepen werd, tot woning gegeven. Dit blijkt o. a. ook uit een request door SWANE VAN LINGE, conventuael binnen Assen, den 25Sten October 1630 aan Drost en Gedeputeerden gericht, waarin zij verzocht om vermeerdering van onderhoudskosten en waarin zij o. a. schrijft: ,,ten aensiene de kelderije bij U.E.M. tot een ,,predicantswoeninge verordonneert ende den itzigen prediger SAMUELI BRUMLEVIO is ingegeven."

SWANE schrijft verder nog in haar adres, dat zij bij hem zou kunnen blijven inwonen ,,waerinne de prediger wel te vreden is ende sulx geerne ,,toelaten wil ", doch waarin zij blijkbaar geen zin gehad heeft. Vóór dien tijd had de kelderije tot woning gediend aan den executeur ROUWE TIDDENS. Het laat zich verklaren, dat er, om haar tot eene behoorlijke woning voor den predikant in te richten, nog al iets aan vertimmerd moest worden en werkelijk blijkt ook uit de bijlagen van de rekening van den rentmeester over 1631, dat in dat jaar belangrijke reparaties aan de bedoelde gebouwen werden aangebracht.

Wellicht dateeren uit dien tijd de vertimmeringen aan de kloostergang, zooals men die aantrof bij de afbraak der pastorie, hierin bestaande, dat een gedeelte als gang bij de pastorie getrokken werd, een ander gedeelte tot kamer werd ingericht en het overblijvende getrokken werd bij de gevangenis, die destijds aan de pastorie grensde.Bij een reparatie in 1631 in de gevangenis verricht, wordt dan ook gesproken van het opruimen van puin in de ,,gewelven '. In een der bijlagen van de gemelde rekening J van den rentmeester over 1631 vonden wij, bij eene opsomming van verrichte reparatiën, o. a. melding gemaakt van ,,optimmering van het ,,verbrande Dormitoir, sijnde de heer Drosten ,,camers, gevangenissen en predicantsbehuisinge", hetgeen eene belangrijke aanwijzing geeft aangaande de indeeling van de abdij.

Daar ons daaruit niet alleen blijkt dat de predikant ook een gedeelte van het dormter tot woning had, doch ons tevens doet zien dat het dormter nergens anders kan gelegen hebben dan op het terrein waar thans te vinden zijn de tuinmanswoning met het daarbij ten noorden en ten westen gelegen open erf en het oostelijk gedeelte van den aan de Kloosterstraat gelegen vleugel van het hotel van den heer Commissaris der Koningin. Doch hierover later. Men had zich gevleid bij het afbreken van de oude pastorie nog belangrijke gegevens te zullen vinden van het oude kloostergebouw, doch zag zich daarin teleurgesteld. De kelders leverden niets bijzonders op; hoewel oud, dateerden zij blijkbaar niet uit den eersten kloostertijd. Alleen vond men boven de gewelven van de kloostergang de sporen van den brand, waardoor Assen den 11den Augustus 1676 geteisterd werd en die zich ook tot de woning van den predikant uitstrekte.






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl