In en om Assen





De historie van het landgoed Vredeveld te Assen.
De periode Augustinus van Valkenstijn


Bronvermelding:
Scriptie van Sander Schimmel; Assen 1 april 1977


Toegangslaan naar het landgoed Vredeveld (foto Sietse Kooistra 2011)


Augustinus van Valkenstijn

Josephus Steveniers verkoopt op 10 mei 1842 het huis Vredeveld en toebehoren aan Augustinus van Valkenstijn. De toebehoren omvatten: “huis en erf, groot 24 roeden en 40 ellen; tuin, groot 1 bunder, 18 roeden, 10 ellen; een perceel laan en Bosch, groot 1 bunder, 33 roeden; een perceel weiland, groot 1 bunder, 99 roeden, 30 ellen, ½ stoot; een perceel water, groot 52 roeden, 76 ellen”
Op 18 maart 1854 wordt dan nog het tien percelen oftewel 20 ha. Tellende “groote Vredevelder Bosch”, het tegenwoordige Peelincksbos, geveild voor fl. 22.083,10, na een week daarvoor te zijn ingezet voor fl. 21.531.-
Augustinus van Valkenstijn werd op 12 mei 1806 te Den Haag geboren, zoals zijn doopceel vermeldt:

“1806 – 1e 12 may baptezé Augustinus, qui est né le mêime jour á 10 heures du matin. Le pére et la mere sont inconnus. Charles Augustinus van Valkenstijn en Peternella van Breda”.

Aangezien de aanvankelijke vermelding “inconnus” is doorgestreept en pas later de namen der ouders zijn toegevoegd en bovendien de toendertijd gebruikelijke term “son épouse” (zijn wettelijke vrouw) ontbreekt, valt aan te nemen dat het hier een buitenechtelijk kind betreft. De ouders zijn vermoedelijk reeds vroeg overleden en van verdere bloedverwanten wordt nergens melding gemaakt. Augustinus van Valkenstijn groeide op onder toezicht van voogden en werd naar het gymnasium te Utrecht gezonden.

Op 8 mei 1829 ontvangt hij een schriftelijke verklaring van bekwaamheid tot deelname aan het hoger onderwijs, na het gymnasium vijf jaar lang met goed gevolg doorlopen te hebben. In dat zelfde jaar wordt hij onbezoldigd kwekeling voor de medicijnen van het Departement van Oorlog, en vervolgens op 9 december 1831 tijdelijk officier van gezondheid, hetgeen waarschijnlijk door de gespannen toestand met België en Frankrijk bewerkstelligd zal zijn.

Op 18 augustus 1841 neemt hij als officier van gezondheid derde klasse te Veere de registers over van Netéton van Ingen, om die op zijn beurt in februari 1842 over te geven aan de officier L.H. Verwey, waaruit geconcludeerd kan worden dat hij toen afscheid nam uit de militaire dienst. Ondertussen heeft hij dan als geneeskundige deelgenomen aan de Tiendaagse Veldtocht en is assistent geweest in de kliniek voor ooglijders te Utrecht.


Louise Aubry d’Arancey

Op 22 april 1842 treedt hij Haarlem in het huwelijk met Louise Aubry d’Arancey, geboren op 21 december 1809 te Utrecht, zoals blijkt uit het nu volgende “Extrat du Registre des Baptêmes et Mariages de La Chapelle Royale”:

“op Zaterdag den 21 April 1810, Paasch-Zaterdag, zijn in de Koninklijke Kapel te Utrecht de ceremoniën aangevuld van het doopsel door mij ondergeteekende, Paul Joseph Bertrand, priester, Vicares Generaal van het diocees Nancy, gewoon aalmoezenier des Konings en Kanzelier der Koninklijke orde, aan Louise, wettige dochter van den heer Joseph Antonius Lodewijk Abry d’Arancey, Luitenant-Kolonel bij het Koninklijke korps artillerie in Holland en van Mevrouw Johanna Hester Smith, geboren den 21 december 1809, gedoopt denzelfden dag door den heer Petrus Piérquin, Kapelaan van Zijne Majesteit.

De peter is geweest de zeer hooge, zeer doorluchtige en zeer uitstekende vorst Louis Napoleon, Koning van Holland en Connetable van Frankrijk, vertegenwoordigd door Zijne Excellentie, Mijnheer de Baron de Roest van Alkemade, Grootmaarschalk van het paleis Zijner Majesteit, Groot-majoor bij den staf, Grootkruis van de Koninklijke orde l’Union, in tegenwoordigheid van den Vader en de Moeder van het kind, welke allen met ons hebben geteekend op denzelfden dag en jaar als beneden”.

Volgens sommigen wordt het feit, dat Louis niet door haar ouders, maar door haar grootouders of oom, een professor uit Utrecht, werd opgevoed, veroorzaakt doordat zij in werkelijkheid een kind was van Lodewijk Napoleon en diens hofdame Johanna Hester Smith, en dat deze laatste nadat zij bleek zwanger te zijn, werd uitgehuwelijkt aan de in gering aanzien staande markies die in de geciteerde acte genoemd wordt.

In ieder geval werd zij door koningin Hortensia, de gemalin van Lodewijk Napoleon, ten doop gehouden en werd door hem in haar onderhoud voorzien door een belangrijke som voor haar op het Franse grootboek te zetten, waarvan zij de rente genoot. Haar moeder, de dochter van de protestantse president van het Hoog Militair Gerechtshof te Utrecht, hertrouwde na de vroegtijdige door van haar katholieke man met de eveneens protestantse generaal Knoll, terwijl haar zuster zich in Frankrijk vestigde en aldaar met Auguste Eugene Le Blanc Buquot de Plessis.


Zij treden in een protestantse kerk in het huwelijk

Het is dus heel goed mogelijk dat beide echtelieden onechte kinderen zijn, aangezien Augustinus zou zijn geboren uit een pastoor en één van diens biechtelingen en vervolgens zou zijn opgevoed door de kinderloze zuster van de pastoor, wier nalatenschap hij zou hebben geërfd, doch voor geen van beiden valt dit te bewijzen. Tijdens zijn studiejaren wordt Augustinus sterk gedemoraliseerd door de voortdurende bespotting vanwege zijn vaderloosheid.

Hij zondert zich af van het wereldse leven en bezoekt tenslotte alleen nog maar één van zijn professoren, de verzorger van Louise, die hij als vriend had leren kennen. Daar ontmoet hij Louise, bij wie hij tengevolge van haar eigen onduidelijke afkomst voor zijn problemen begrip vindt. Later gaat Louise zelfstandig wonen, eerst in Zeist en dan in Haarlem. Als zij daar na jaren Augustinus weer terugziet, blijkt de wederzijdse sympathie nog steeds aanwezig en treden zij in een protestantse kerk in het huwelijk, hetgeen Louise van katholieke zijde als schandelijk en misdadig werd verweten.

Augustinus zelf echter zegt in zijn, overigens zeer interessante autobiografie, over zijn huwelijk met de nog immer het katholieke geloof belijdende Louise:

“Mijne oogen gingen open en ik wenschte nu dat ik ze nooit geopend hadde – Mijne aanstaande, was aan de R.K. geestelijk- of beestelijkheid overgegeven – Ja geheel in verward als een vlieg in ene spinneweb – ik kondet mij maar niet voorstellen – en tog was het zóó -. Nu wenschte ik wel ene beschrijving te geven van wat ik toen gewaer werd – maar dat kan ik niet – ik was te veel verpletterd onder de ontdekking van het feit – ik speelde voor het eerst – aap wat hebt ge fraaije jongen – ondertusschen dacht ik – ja wezenlijk ik begon te denken en te zien – en onder dat denken en zien geraakten wij op den stadhuize en leyden daar den band – den band – tot …. mijn eeuwig ongeluk!! Ik huwde een vrouw die de speelpop van priesterlist en priesterknoeijerij was – dan ik liet mij niet door hem boeijen – die band werd snel bevestigd door de burgerknoopman – maar niet door de geestelijke knoopman. Want ik die mij, sints jaaren, reeds hun (…) niet gehoond had, kon tog nog zoo veel van mij verkrijgen dat ik hunne oogmerken goed kon inzien -. Daadelijk merkte ik op – dat het geld van mijne vrouw hun lokaas was.”

Kennelijk had Louise zich, in de jaren van Augustinus’ verblijf elders, sterker aan de katholieke kerk gebonden dan hem zinde, en probeerde hij haar van die banden te bevrijden door de kerkelijke invloeden te ontvluchten, zoals eveneens blijkt uit de autobiografie:

“Wij kochten een buiten in de provincie Drenthe - , daar in dat schier geheel protestantsche land meende wij ten minste á boule portant vrij te zijn, maar ja wel ’t mogt wat (…) – Ook die lieden zijn zeer zwak wat dispuut betreft, al schreeuwen zij nog zoo hard – liever Turks dan Paaps – lari – wij ondervonden het en dit zal ik nu vervolgens beschrijven:”


Het aantekenboekje van Augustinus Van Valkenstijn. Te bewonderen in het Drents Archief te Assen (nummer 0588 -1). In het roze papiertje een haarlok van zijn vrouw Louise Aubry d’Arancey


Augustinus gaat ter orientatie naar Assen

Het handschrift geeft vervolgens weer hoe Augustinus, nadat hij besloten had zich van de ergerlijke en geldbeluste invloed der katholieke kerk te wille ontdoen, vóór zijn huwelijk een week naar Assen gaat om zich te oriënteren over de aanschaf van een landgoed; hoe hij daar zeer welkom wordt ontvangen in een vriendelijke herberg en enthousiast is over de aangename mensen.
Hoe hij besluit Vredeveld te huren en willicht later te kopen van Johannes Steveniers, die, blijkens citaten, van Vlaamse of in ieder geval Zuidnederlands afkomst is.

Hoe hij tevreden terugkeert naar zijn aanstaande vrouw en haar huwt. Hoe zij, een week na het huwelijk naar Assen komen om hun nieuwe woonplaats te betrekken. Dat zij echter een week moeten overbruggen die nodig is voor het aanpassen van Vredeveld aan de wensen van het echtpaar, het (in Biedermeier) te doen inrichten en het overbrengen van hun eigendommen. Hoe dan aan de vreemdelingen in alle gasthuizen de toegang zonder opgaaf van redenen wordt ontzegd en zij overal nors en afwijzend worden bejegend. Hoe zij uiteindelijk bij een niet-katholieke herbergier – en volgens Augustus dankzij dit feit – in Smilde onderdak vinden en een week verblijven.

Hoe zij zich na zich Vredeveld gevestigd te hebben voortdurend met een smoesje worden lastiggevallen door nieuwsgierige buurtbewoners en meerdere malen, ook middels opdringerige en aanmatigende, aan de ‘weduwe’ van Valkenstijn geadresseerde brieven, door de katholieke kerk. Hoe ook de familie van Louise zich om geloofsredenen altijd sterk tegen hun verkering gekant had, zodat zij genoodzaakt waren te huwen zonder daarvan voorkennis te hebben gegeven, en nu van die familie hoogst beledigende brieven ontvangen.

Hoe Augustinus Vredeveld – dat hij dan cynisch ‘ons moordhol’ noemt – tenslotte koopt van Steveniers, die hij beschrijft als een minne en laaghartige kerel, eropuit om hem op te lichten. En hoe zij zich daar tenslotte van de buitenwereld, die voor Augustinus voornamelijk door katholieken bepaald wordt, afzonderen en zich terugtrekken in hun isolement.


Volgens katholieke bron is Augustinus een goddeloos man geworden

Volgens katholieke bron daarentegen, is Augustinus door het ontberen van godsdienstoefeningen op de universiteit en in het leger, na het op jonge leeftijd verliezen van zijn ouders, een volkomen goddeloos man geworden. Hij heeft de zwakke Louise, die haar geweten met geweld tot zwijgen heeft moeten brengen, geprest tot de misdaad, niet in overeenstemming met de voorschriften van de katholieke kerk te trouwen, hetgeen door de kerk als een zedelijke schaking wordt beschouwd. Als dan op die zonde de schaamte tegenover hun omgeving volgt, vluchten Augustinus en Louise naar het afgelegen Drenthe, om zich daar vrij en onbespied op Vredeveld te vestigen.

Spoedig zou het huwelijk echter ongelukkig zijn gebleken, wat veroorzaakt werd door, of tot uitdrukking kwam in de kinderloosheid van Louise en de afwezigheid van een vaste werkkring die hen met de maatschappij zou kunnen verbinden. Men zegt hierover o.a.: “Louise had gewild, dat haar echtgenoot de betrekking van officier van gezondheid zou nederleggen; nu zou hij nog zoo nuttig kunnen zijn als gewoon geneesheer; hij had evenwel slecht een patiënte, n.l. als mevrouw ongesteld was, daarbij bleef het”. Augustinus zou, om toenadering van de nog steeds vrome en godvruchtige Louise tot de kerk te voorkomen, onafgebroken gewaakt hebben over zijn vrouw, die om het gemis aan contact met de pastoor te ondervangen, altijd veel bad.

Later zou dit blijken uit haar gebedenboek, dat zij aan de kerk naliet en dat sterk versleten was, “vooral op de plaats van de gebeden om eenen zaligen dood”. Ooit zou Augustinus een plan van de katholieke dienstmaagd Mietje Fukker hebben verijdeld om samen met Louise te ontvluchten en haar van het erf hebben gedreven. Ook zouden landarbeiders dikwijls het geluid van ruziënde stemmen op zolder of buitenshuis hebben gehoord en dit alles leidt de katholieke kerk tot de conclusie, dat Augustinus zijn vrouw het recht van godsdienstvrijheid ontzegde.


Louise wordt door een naamgenoot beledigd

Er bestaat nog een versie van de geschiedenis van Augustinus en Louise. Volgens deze variant, die echter het meest onwaarschijnlijk is, omdat er geen enkel bewijs voor schijnt te zijn, zou Augustinus na een overplaatsing naar Utrecht zijn geliefde, die na de dood van haar verzorger bij een familie woonde waar het haar maar matig beviel, op een zekere nacht hebben geschaakt en met haar naar Engeland gevlucht zijn, waar het huwelijk zou hebben plaatsgevonden. Na geruime tijd zouden de koningsdochter en de vondeling, zoals Augustinus zichzelf zou hebben genoemd, verhuisd zijn naar Parijs en daar al spoedig enig aanzien hebben verworven.

Toen de Bonapartes weer invloedrijker werden zou Louise zich op haar bloedverwantschap met Lodewijk Napoleon hebben laten voorstaan en de som op het Franse grootboek als getuigenis hebben gebruikt. Hierdoor zou ook haar vlucht en huwelijk met een man zonder aanzienlijke afkomst bekend zijn geworden, hetgeen tot het verlies van haar prestige zou hebben geleid.
Haar man zou in het openbaar door een naamgenoot van Louise zodanig beledigd zin, dat hij gedwongen was tot een duel op het pistool, waarbij hij zijn tegenstander dankzij geluk neerschoot. Daar er in Frankrijk voor hun geen plaats meer was, zou Louise erin toegestemd hebben naar Nederland terug te keren onder voorwaarde, dat zij zich op een afgelegen plaats zouden vestigen.


Augustinus dwaalde 's nachts door Assen

Hij zou dan Vredeveld gekocht hebben in de hoop, dat zij er haar levenslust zou terugvinden, doch na enkel malen door op haar verleden zinspelende bezoekers gekwetst te zijn zou zij een teruggetrokken en mensenschuw bestaan zijn gaan leiden. Hij zou alleen ’s nachts het buiten verlaten hebben en eenzaam door de straten van Assen gedwaald hebben, nieuwsgierig naar de verrichtingen der bewoners, overdag zijn vrouw gezelschap houdend. In ieder geval zijn alle geschiedschrijvers het erover eens, dat de van Valkenstijns op Vredeveld een zonderling bestaan geleid hebben.

Aanvankelijk schijnen zij nog enige omgang met anderen gehad te hebben. Als Louise haar brieven afhaalde of soms inkopen deed, beoordeelde men haar als een vriendelijke, zachtmoedige vrouw met een grote liefde voor kinderen. Augustus sleet zijn dagen met lezen, tuinieren, knutselen en vogels voeren en weerde verder al spoedig iedere bezoeker van zijn erf. Na verloop van tijd werd Louise ziekelijk, zwak en wispelturig en overleed na een ziekbed, door jicht gekweld, op 17 januari 1871, zonder de Heilige Sacramenten te hebben ontvangen Augustinus liet de inboedel verzegelen en verleende geen toegang aan haar familieleden die een bezoek wilden afleggen, waarvan sommigen verrast waren over haar huwelijkse staat.


Toeganshek landgoed Vredeveld (foto Sietse Kooistra 2001)


De brief van Louise

Na haar dood vond Augustinus een reeds tien jaar voor haar overlijden geschreven brief van Louise aan haar man, waarin zij hem verzocht aan haar nicht Canilla een legaat van inschrijving op het Franse grootboek, en aan haar zuster een kerkboek met wapens en wat andere kostbaarheden te doen toekomen En tevens aan de arts, die twee dagen voor haar sterven uit de stad was ontboden en een paar oude kennissen enkele gouden voorwerpen te schenken. Ook ontvingen de katholieke, protestantse en Israëlitische armen samen fl. 1000,- en kreeg de katholieke kerk een schilderij uit haar jeugd, getiteld “Christus de kinderen zegenend”, alsmede een Frans kerkboek.

Hoewel de beschikkingen geen wettelijke waarde hadden was Augustinus wel bereid ze uit te voeren, behalve de positie betreffende de som op het grootboek, omdat in het huwelijkscontract was vastgelegd dat hij zijn hele leven ‘het vruchtgebruik van haar goederen zou hebben’. Tot besluit schonk Louise in haar schrijven vergiffenis aan allen die haar gekweld hebben. Louise werd begraven in de graftombe in de tuin van Vredeveld, die Augustinus vóór haar dood had laten bouwen.

Haar lijk was gehuld in de wit-met-rode sprei van Koning Lodewijk, waarin ze haar communie had afgelegd en haar hoofd rustte op het van de Franse Adelaar voorziene satijnen kussen, waarop ze door koningen Hortensia ten doop was gehouden. De stoffelijke resten werden in een loden kist, voorzien van een glazen deksel, geplaatst, die op zijn beurt in een houten kist werd neergelaten. Tijdens de korte begrafenisplechtigheid hield Augustinus een beknopte toespraak, die hij besloot met de woorden: “nu is alles vergeven”. Vervolgens raakte hij de kist nog één maal aan, waarop de grafkelder gesloten werd.


De zorg voor de grafkelder werd zijn belangrijkste bezigheid

Na de dood van Louise werd de zorg voor de grafkelder de belangrijkste bezigheid van Augustinus. Iedere morgen, ongeacht de weersomstandigheden, begaf hij zich naar de tombe, legde zijn hoofd op het monument, vouwde een tijdlang zijn handen alsof hij bad, wenkte met zijn hand bij wijze van groet en ging heen. En nog immer gaf hij op de volkstellingslijsten op, geen enkele godsdienst te belijden. Hij schafte al zijn vee af en behield als personeel slechts zijn tuinman Lammert Smit en twee dienstmaagden, die hij om de tijd de doden boeken, een stereoscoop en een handharmonica schonk. Vaak liep hij mijmerend door de tuin en bouwde vogelnestjes van sigarenkisten en bloempotten.


Augustinus verzwakte zienderogen

Al in de zomer van 1881 voelde hij langzamerhand zijn einde naderen. Zienderogen verzwakte hij, de ingeroepen hulp van een geneesheer kon de consequenties van een slepende ziekte niet meer keren en tenslotte ontsliep hij op 27 januari 1882 in het bijzijn van de tuinman. Zijn lijk werd in een soortgelijke kist als die van zijn vrouw gelaten en op de dag van de begrafenis, zoals van te voren door hem was vastgelegd, het huis uitgedragen, daarna eenmaal eromheen, vervolgens driemaal rond en pas toen naar de grafkelder, waar de kist naast die van zijn vrouw werd geplaatst.

Daarbij waren de burgemeester, twee katholieke armvoogden, twee protestantse diakenen, de notaris en enkele andere personen, waaronder zijn zwager, aanwezig. Deze laatste, voorheen een Waals predikant, sprak tijdens de plechtigheid, waarbij verder geen woord werd gesproken, zijn afkeuring uit over de onmaatschappelijke levenswijze van de overledene. De materiële bezittingen van zijn vrouw vielen terug aan haar familie; vrijwel al zijn eigen stoffelijke bezittingen werden, tot ieders grote verassing, nagelaten aan de diaconie der katholieke gemeente.


Grafplaten van Augustinus van Valkenstijn en Louise van Valkenstijn - Daranceij (foto Sietse Kooistra)


De wilsbeschikking van Augustinus Valkenstijn

De tekst van deze laatste wilsbeschikking luidt aldus:

“Ondergeteekende Augustinus van Valkenstijn wonende op Vredeveld onder Assen, verklare bij dezen de volgende testamentaire beschikkingen te maken:

- Ik maak aan de Diaconie der Rooms Katholieke gemeente te Assen mijn bezittingen op Vredeveld zijnde behuizinge met alle daarbij en omtoe gelegene landerijen, niets uitgezonderd, onder de volgende bepalingen: a. dat de grafkelder, waarin mijne vrouw rust en ook ik wensch te worden bijgezet netjes en ongeschonden worde in stand gehouden; b. dat de Diaconie het buitengoed Vredeveld goed onderhoude en in wezen late en tot een landbouwhoeve doe inrichten, terwijl de jaarlijksche opbrengsten ten voordeele der Rooms Katholieke armen komen.

- Ik maak aan diezelfde Diaconie eene som van drie duizend gulden twee en half percent werkelijke schuld om die te plaatsen op het Grootboek en de revenuen zoo nodig tot onderhoud van den grafkelder te doen strekken. Hetgeen er overschiet is voor de armen dier gemeente. Dit overschot mag evenmin als opbrengst der plaats sub 10 voor de kerkelijke oeremoniën worden aangewend, maar moet den armen ten goede komen.

- Ik wil dat mijn knecht Lammert Smit en na zijn dood zijn oudste zoon geregeld toezicht houde op tuin en grafkelder en leg aan gemelden Smit en na zijn dood aan zijnen oudsten dan in leven zijnden zoon daarvoor een jaargeld van honderd gulden. Ik wil, dat mijn executeur daarvoor ene som op het Grootboek plaatse om uit de revenuen daarvan, dit jaargeld te bekostigen. Na den dood van Lammert Smit en zijn zoon kan mijn executeur testamentair of bij diens overlijden de Burgemeester van Assen daarvoor een eerlijken oppassenden arbeider te Steendijk aanwijzen, die dan dat jaargeld trekt: die benoeming moet jaarlijks plaats hebben.

- Ik maak aan mijne bij mij inwonende dienstmeid Hendrika Dekker eene som van duizend gulden en het perceel land de Leeuwerik door mij gedoopt en door mij aangekocht van den heer mr. P. van der Veen en tevens het derde gedeelte van mijn geheelen inboedel, linnnen en lijftoebehoren mijner vrouw daaronder begrepen.

- Ik maak aan mijne bij mij inwonende dienstbode Marigje Haselaar eene som van duizend gulden en een derde gedeelte van den geheelen inboedel, linnen en lijftoebehoren mijner vrouw daaronder begrepen

- Ik maak aan mijner knecht Lammert Smit mijn lijftoebehoren en mijne tuingereedschappen

- Ik wil dat mijne huishouding nog een jaar en zes weken na mijn door blijve bestaan. Mijne vrouwelijke dienstboden zullen het huis blijven bewonen, de vruchten van den tuin genieten en alle opkomsten en revenuen van de bezitting Vredeveld gedurende dat jaar hebben om de huishouding te drijven. Gedurende dat jaar en zes weken zal mijn executeur geregeld het gewone dagloon aan Lammert Smit uitbetalen, die daarvoor zijn tuin- en veldwerk zal verrichten als vroeger

- Ik benoem als executeur testamentair en geheelen boedelredder met de meest uitgebreide macht den heer mr. Hendrik van Lier, notaris te Assen.
De legaten en bechikkingen ten voordeele van mijnen knecht en dienstmaagden zijn vrij van successierechten, die door den executeur uit den boedel zullen worden betaald.

Alles wat er vervolgens na uitbetaling en levering der legaten en na liquidatie der kosten van boedelredding overschiet, vermaak ik aan de algemeene armen der gemeente Assen. Ik wil dat mijn executeur testamentair de macht hebbe de uitkeering van het saldo mijner nalatenschap over twee, drie of meer jaren te verdelen en alzoo ten behoeve der algemeene armen uit te keren aan den Burgemeester van Assen, die na advies van mijn executeur de verdeeling van dit saldo evenredig tusschen de verschillende inrichtingen van liefdadigheid in Assen naar zijn beste weten moet vaststellen.

Aldus deze eigenhandig geschreven en geteekend te Vredevel den 24sten December 1881

Get. A van Valkenstijn

Ik geef aan de Rooms Katholieke Diaconie te Assen bovengenoemd drie duizend gulden ter betaling der successierechten en om verder zoo veel noodig het gebouw voor hoeve in te richten

Assen, den 24sten December 1881

Get. A. van Valkenstijn”


De Rooms-Katholieke Diaconie van Assen

Op deze wijze is het landgoed Vredeveld in handen gekomen van de Rooms-katholieke Diaconie van Assen, die het in 1884 verhuurt aan een zekere Hidding voor fl. 360.- per jaar, benevens fl. 10,- jachtrecht, nadat de waarde die het geheel vertegenwoordigde op fl. 15.000,- geschat was.

De zorg voor de graftombe is na de dood van Lammert Smit overgenomen door diens zoon Hermannus (Mans) Smit. Na diens overlijden kreeg zijn schoonzoon het beheer, dat hij langzamerhand verwaarloosde. Ook het tuinhuis, de vroegere woning van Smit, is tweemaal verhuurd geweest, van 1884 tot 1891 aan J.W. Brinkhof en van 1891 tot 1894 aan F. Mulder.
Dan wordt het gehuurd door degene die op dat moment, sinds 1 mei 1889, ook Vredeveld zelf in huur heeft, de heer J. Krans.




© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl