In en om Assen





De historie van het landgoed Vredeveld te Assen;
Vredeveld en het recht van havezate Entinge


Bronvermelding:
Tijdschrift van de Asser Historische vereniging; nummer 5 / december 1999. Een artikel van Tjeerd Jongsma


Van der Feltz verkocht het recht van havezate

Vredeveld wordt in de berichtgeving hierover het huis havezate genoemd. Dit vormt een aanleiding om nog eens de feiten hieromtrent op een rijtje te zetten, want hoewel Vredeveld inderdaad een voormalige havezate genoemd mag worden, is dat het in werkelijkheid maar een korte periode zo geweest is. Havezate is niets anders dan hofstede: have is hof en zate komt van zitten. Het woord wordt gebruikt voor adellijke of ridderhofsteden. In Drenthe komt het woord pas in het begin van de zeventiende eeuw in gebruik. Het begrip is afkomstig uit Overijssel. Daar werd havezate gedefinieerd als: “huis welks bezit vereist is voor de edelman, die zitting wil hebben in de Ridderschap als stand in de Staten en daarmee deel hebben aan het bestuur van het land”.

Ook moest het huis met de bijbehorende landerijen en boerderijen een zekere, in geld uitgedrukte, waarde bezitten, wilde het door de Staten als havezate erkend worden. Erkenning geschiedde op verzoek van de eigenaar. In het begin van de zeventiende eeuw kende men een aantal vereisten voor toelating tot de Ridderschap: hij die aantoonde dat hij een havezate bezat, dat hij erin woonde en dat hij van adel was. Pas dan kom men aanspraak maken op verschrijving (uitnodiging tot verschijnen op) tot de landdag. In 1646 werd een lijst van erkende havezaten samengesteld. Aan de havezaten was een zeker privilege inzake de betaling van belasting verbonden. In een enkel geval werd naderhand verlegging van ‘het recht van havezate’ toegestaan.

In 1698 werd besloten dat er geen rechten van havezaten meer verplaatst mochten worden. De Eigenerfden zullen bezwaren hebben aangevoerd tegen belastingprivilege. Zeker indien het overgebracht zou worden van een klein of bouwvallig gebouw naar een gebouw waarvoor het privilege veel profijtelijker was. Maar ondanks dit besluit werd in de achttiende eeuw ‘het recht van havezate’ verhandeld en verlegd op boerenerven en keuterijen als object van winzucht en instrumenten van politieke manoeuvres.


Zuidwest Drenthe in 1634 met Entinge tussen Bantinge en Dwingeloo


Het recht kon beschouwd worden als beleggingsobject

In het geval van Vredeveld is het recht van havezate in 1769 voor fl. 1.200,- verkocht door de familie Hilbing. Zij bezaten het huis Entinge te Bonnen, waarop het recht van havezate berustte sinds het in 1725 was verlegd naar het huis Entinge te Dwingeloo. De Hilbings verkochten het recht van havezate aan de toenmalige eigenaar van Vredeveld, officier in het leger van de Republiek. Van der Feltz zal het recht van havezate beschouwd hebben als een beleggingsobject. Hij was geen edelman en kon dus niet verschreven worden in de Ridderschap. In 1772 wilde Van der Feltz het recht van havezate verkopen aan J.W.R. baron Van Heeckeren tot Overlaar. Deze wilde het recht vestigen op zijn goed te Craloo, maar kreeg daarvoor geen toestemming van Ridderschap en Eigenerfden.

De verkoop ging daarom niet door. In 1774 slaagde Van der Feltz er wel in het recht van havezate te verkopen. Het werd verkocht aan Alexander Carel graaf van Heiden tot den Dam, heer van Laarwoud en drost van Drenthe. Deze kocht het recht van havezate Entinge voor fl. 1.550,- voor zijn zoon Sigismund Pieter Alexander. De laatste kon daarmee verschreven worden in de Ridderschap. Vredeveld raakte daarmee zijn status van havezate kwijt. Het werd verlegd op een vlakbij Vredeveld gelegen keuterij aan de Steendijk. Deze keuterij was in 1773 door Alexander Carel graaf van Heiden tot den Dam aangekocht van de weduwe van ontvanger – generaal Carsten. De ligging van de keuterij werd bij die gelegenheid omschreven als ten westen van de Heereweg naar Zuidlaren.


Een keuterij op de plaats van de Coveco

Van de verkoop in 1773 werd een perceel beplant met dennenbomen, genaamd de ‘Nije of Halve Maan camp’. Deze naam was in het begin van deze eeuw nog in gebruik. De keuterij heeft waarschijnlijk vlakbij dit perceel gelegen. Het is zo ongeveer op de plaats van de voormalige slachterij Coveco. Het recht van havezate zou op deze keuterij blijven liggen totdat het, samen met andere adellijke rechten, in 1795 werd afgeschaft. In 1805 werd het overigens nog wel omschreven als ‘het goet en de havezate’. De keuterij zalf was overigens in die tijd al aan het vervallen.

De rentmeester van de Asser bezittingen van de familie Van Heiden schreef al in 1798 aan Sigismund Pieter Alexander graaf van Heiden, heer van Entinge te Zuidlaren dat een deel van het huis in een slechte toestand verkeerde. Het was aangetast door de aanhoudende regenval van voorgaande jaren en dat de lemen voegen grotendeels weggespoeld waren Vredeveld heeft zich dus maar een korte periode, vijf jaren, mogen verheugen in de status van havezate. En dat het recht van havezate in bepaalde gevallen niets te maken had met het aanzien van het huis bewijst het feit dat het recht van havezate Entinge uiteindelijk kwam te liggen op een keuterij aan de Steendijk. Een keuterij waarvan tot nu toe de exacte ligging nog niet is achterhaald.






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl