In en om Assen





Avonturen in de oude watertoren van Assen


De watertoren gezien vanaf het veemarktterrein in 1957 (fotocollectie Drents Museum Assen)


Behalve kerktorens vormen watertorens vrijwel altijd een markant herkennings punt in een stad. In Assen bepaalde lange tijd de watertoren nog meer de skyline van de stad dan welk ander gebouw ook. De oude watertoren was nauwelijks te missen op zijn strategische plek langs de spoorlijn en de Rolderstraat. En door zijn hoogte en zijn kleine dakkapelletjes sprak hij tot de verbeelding. Daarvan getuigt het volgende verhaal.


De vriendenclub gaat op onderzoek

Meteen was ik hevig geboeid door de watertoren toen ik in 1950 aan de Oosterparallelweg kwam te wonen. Ik was 9 jaar en vond alles wat met torens te maken had spannend. Vooral deze toren had iets weg van een heuse kasteeltoren. Wat de toren met water te maken had was voor mij een raadsel. Er zaten immers ramen in en hoe kon er dan water inzitten? Nee, meer voor de hand lag dat er iemand in woonde. Er was echter geen bel, geen brievenbus en geen huisnummer. Dus dat er iemand woonde leek onwaarschijnlijk. Toch moest er iets binnen zijn, want als ik 's avonds vanuit mijn slaapkamer nog even naar de donkere silhouet van de toren keek, meende ik vaak een vaag schijnsel achter een van de ramen te zien. Ik was nieuwsgierig en vastbesloten ooit eens een kijkje in die geheimzinnige toren te nemen

Het duurde nog zes jaar voor het zover was. Toen ik weer eens langs de toren liep, ontdekte ik dat er een ruitje boven de deur was ingegooid. De opening was ongeveer 30 bij 30 centimeter groot, dus met enige moeite zou een 15-jarige jongen daar doorheen kunnen kruipen. We hadden nog weinig last van overgewicht. Zoals veel jongeren van die leeftijd hadden we een vriendenclub, die bestond uit een vaste kern met een wat wisselende aanhang. Tot de vaste kern behoorden Harry Kramer, Harry Muskee, Bert Zwiers, Erik Mulder en ikzelf. De leden waren altijd wel te porren voor een avontuur. Dus op de eerstvolgende vrije schoolmiddag liepen Harry Muskee, Erik Mulder en ik onopvallend naar de watertoren.

De toren stond in een rustig hoekje naast de spoorbaan. Toch wilden we zeker zijn dat we niet de aandacht trokken. Het grootste probleem was de seinwachter, die zich in een huisje bevond op zo'n vijftig meter van de toren. Hier hadden we het volgende op gevonden. We wachtten tot er een trein kwam, zodat de seinwachter de spoorwegbomen moest laten zakken. In die korte tijd moesten we binnen zien te komen. Ik voelde me geroepen om als eerste naar binnen te gaan. Als lid van de Asser Gymnastiekvereniging AGV werd ik verondersteld lenig te zijn. Mijn twee makkers tilden me op en als een soort slangenmens wurmde ik me achterstevoren door het raampje.


De toren zou ons clubhuis worden

Aan de andere kant liet ik me aan mijn armen zakken om ten slotte op de vloer terecht te komen. De deur bestond uit twee naar buiten draaiendev delen. De ene helft was vast gezet met grendels. Eén boven en één beneden. Het slot zat in de andere helft en viel in het vergrendelde deel. Door de grendel los te trekken kon ik de deur zo naar buiten drukken. Snel kwamen mijn twee kameraden binnen en we sloten de deur weer met behulp van de grendels. Eenmaal binnen voelde ik me weer wat rustiger en we namen de omgeving in ons op. We stonden in een ronde ruimte met een houten vloer. Alles lag onder een dikke laag stof. Dat gaf een redelijke zekerheid dat er niemand in de toren aanwezig was. Op ongeveer drie meter hoogte was een plafond. Er was ook nog een gat in de vloer met een trap naar beneden. Maar wij namen de trap naar boven.

Gespannen en zwijgend liepen we langzaam de krakende trappen omhoog. Op de eerste verdieping hetzelfde. Weer een trap naar de volgende etage. Na vier trappen kwamen we bij het gedeelte waar de toren breder werd. In deze ruimte stond een enorme ronde ijzeren bak, waarlangs een trap naar boven ging. Boven aangekomen ontdekten we waarom het een watertoren werd genoemd. De bak, met een doorsnee van wel tien meter en een diepte van ongeveer vijf meter was gevuld met water. Midden over deze waterbak lag een bruggetje. Tot nu toe viel het eigenlijk best mee. We kregen weer wat praatjes. Wel spinnenwebben en spinnen, maar geen ratten, vleermuizen of erger.

Er was echter nog een trapje naar het hoogste punt van de toren: de spits met de vier kleine dakkapelletjes waar ik 's avonds wel eens dat lichtschijnsel meende te hebben gezien. Met verzamelde moed kropen we vlak achter elkaar langzaam het trapje op. Dit kwam uit op een spannende zolder met dikke balken, veel stof en spinnenwebben. Maar ook hier geen teken van bewoners. Vanuit de torenraampjes had je een fantastisch uitzicht over de stad. Dit zou ons clubhuis worden.


De Rolderstraat met het voorplein van het veemarktterrein in juni 1962 (collectie Gemeentearchief Assen)


Zes agenten omsingelden met getrokken pistool de toren

Vanaf dat moment kwamen we regelmatig in de toren bijeen. We genoten van het uitzicht, kaartten of kletsten wat en voelden ons kasteelheren in onze toren. Ook ontdekten we onder de toren nog een kelder, maar die stond half onder water. Dus was die niet interessant. Misschien dat het bezoek aan de toren op den duur te veel routine werd, waardoor we onze aanvankelijke voorzichtigheid wat lieten varen. Hoe dan ook: op een middag toen we met ons vieren in de toren waren werden we opgeschrikt door politiesirenes. We renden naar de torenraampjes en zagen ver beneden ons twee politiewagens aan komen scheuren. Ze stopten voor de toren. Een stuk of zes agenten sprongen uit de auto's en omsingelden met getrokken pistool de toren.

In het seinhuisje zag ik een glimp van het triomfantelijke gezicht van de seinwachter. In paniek zochten we naar een schuilplaats. Een van ons rende de trappen af naar beneden, volgens ons recht in de armen van de politie. Bij gebrek aan iets beters trokken we ons zo ver mogelijk terug achter de ijzeren waterbak in gespannen afwachting van wat er zou gebeuren. Intussen waren de agenten blijkbaar bezig de deur te forceren, want we hoorden veel kabaal en vervolgens snelle voetstappen die de trappen op kwamen. Naarmate ze hoger kwamen nam de snelheid af en ten slotte hoorden we alleen nog wat geschuifel en wat zenuwachtig gekuch. We werden van twee kanten ingesloten achter de ijzeren waterbak. Als eerste zagen we het bekende gezicht van de agent die we 'Trek-bek' noemden.

Deze bijnaam had hij te danken aan een tic, waardoor zijn rechter mondhoek steeds naar beneden zakte. In zijn hand hield hij een pistool, dat opvallend trilde. De man was zichtbaar opgelucht toen hij zag dat we slechts kwajongens waren. Maar hij bleef toch in zijn rol. "Handen omhoog en geen gekke bewegingen", beet hij ons toe. "Langzaam achter elkaar mijn kant uitkomen", vervolgde hij al bekkentrekkend. Hoewel we in die tijd nog respect hadden voor het gezag, kon hij ons niet echt imponeren. We volgden en gingen hem voor de trappen af. Beneden werden we in politieauto's geduwd en in snel tempo afgevoerd naar het politiebureau aan de Brink (nu ouderensoos In de Kloosterhof). Het viel ons op dat onze vierde vriend nergens te bekennen was.


De rechter legde ons een boete van twee gulden op

Ieder van ons werd in een hoek gezet met het gezicht naar de muur. Toen ik voorzichtig over mijn schouder gluurde zag ik de agenten overleggen. Eén stak vier vingers op en wees naar ons. Blijkbaar hadden ze door gekregen dat er vier personen in de toren hadden gezeten en na enig rekenen kwam men tot de conclusie dat er daar nog iemand moest zijn. Dus snel weer naar de watertoren. Veel te snel waren de agenten weer terug met een jongen die tot zijn middel kletsnat was. Hij stond voor het politiebureau en dat vonden de agenten verdacht. Na enig aandringen gaf de jongen toe dat hij tot ons groepje behoorde en zich verstopt had in de kelder van de toren. Uit solidariteit stond hij bij het politiebureau op ons te wachten. Waar zie je dat nog tegenwoordig!

Toen kon het verhoor beginnen. Zinnige vragen werden gesteld zoals 'Hoe heten jullie', 'waar wonen jullie', 'wat doet je vader', 'waarom waren jullie in de toren' en 'wat deden jullie daar?' Een vrouwelijke agent werd er nog bij gehaald om wat lastige vragen te stellen als 'deden jullie wel eens spelletjes?' Ja natuurlijk. We kaartten wel eens. Maar dat bedoelde ze niet. 'Vieze spelletjes, zoals in het water plassen en zo,' zei ze fluisterend. We vroegen maar niet wat dat 'en zo' zou kunnen zijn. "Nee, natuurlijk niet, we bevuilen ons eigen drinkwater toch niet?" zeiden we eenstemmig. Deze vraag-en-antwoord-sessie duurde ongeveer een uur en aangezien het al tegen vijven liep mochten we naar huis. De agenten trouwens ook. Maar wel kregen we de opmerking mee: 'Jullie horen hier nog wel van.'

Daar geloofden we niets van, dus werd het hele incident voor onze ouders verzwegen. Maar toen kwam het moment dat er een dagvaarding in de brievenbus lag om voor de rechter te verschijnen. Zelfs voor mijn ouders, die als het om kwajongensstreken ging wel wat van mij gewend waren, ging het te ver. De gebruikelijke sancties als huisarrest en geen zakgeld volgden. Eenmaal voor de rechter voelden we ons heel klein en luisterden met knikkende knieën naar een preek over hoe erg dit wel was en dat we hierdoor op het verkeerde pad zouden kunnen komen.

De rechter besloot de twee jongens die al zestien jaar waren een boete op te leggen van twee gulden. De twee vijftienjarigen werd opgedragen ieder een gulden te betalen aan de zestienjarigen. Uiteindelijk was dit ons het avontuur wel waard. De jaren daarna konden we alleen nog genieten van de buitenkant van de toren totdat ook die ons ook werd ontnomen. De schitterende toren ging helaas in 1961 tegen de vlakte. Maar onze herinneringen bleven overeind.



De watertoren van Assen

De watertoren bij de Rolderstraat dateerde uit 1897. Hij werd gebouwd vlak bij de spoorwegovergang op initiatief van de toen net opgerichte NV De Asser Bronwaterleiding, die Assen vanaf dat moment van leidingwater voorzag. De NV was een voortzetting van een particulier initiatief uit 1896. Waterleidingbedrijven zagen in die tijd de watertoren als hun visitekaartje en daarom werd veel aandacht besteed aan het uiterlijk. Vandaar waarschijnlijk de karakteristieke dakkapelletjes. De toren was een ontwerp van J.P. Hazeu. Het gevaarte was 40 meter hoog en had een reservoir voor 190.000 liter water.

In 1937 werd de gemeente eigenaar van de waterleidingmaatschappij. Ook heeft de toren enige tijd de functie van openbaar badhuis gehad. Mensen die thuis niet in bad konden gingen naar de toren voor een bad tot er een apart badhuis aan de Van Riebeeckstraat, even verderop, werd gebouwd. In 1961 werd de toren gesloopt, nadat datzelfde jaar de nieuwe 33 meter hoge watertoren aan de Troelstralaan in gebruik was genomen. Het reservoir van de oude toren was te klein geworden voor groeiend Assen en de toren verkeerde in slechte staat. De nieuwe stond op een meer centrale plek in de stad en kreeg een reservoir van 550.000 liter. Er leiden 154 traptreden naar boven waar de ramen rondom een groots uitzicht over de stad bieden.

Het is een ontwerp van W. ter Braake, destijds hoofd stedenbouw van de gemeente Assen. Watertorens waren belangrijk voor het op druk houden van het water in de leidingen en als opvangvat voor een teveel aan water in het leidingnet. Bij korte storingen houdt het reservoir de watervoorziening aan de stad in stand. In de loop der jaren hebben pompen en hydrofoorinstallaties, die voor voldoende druk zorgen, het werk van watertorens overgenomen. Toch is de watertoren in Assen nog steeds van nut als onderdeel van het waterleidingnet van de Waterleidingmaatschappij Drenthe. Er gaan stemmen op deze toren de status van monument te verschaffen om daarmee sloop te voorkomen.


Bronvermelding:

Asser Historisch Tijdschrift; nummer 2 / juni 2005. Een artikel van Jaap Hilbrandie





© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl