In en om Assen



De straat van mijn jeugd. De Middenstraat in het Witte Dorp


Bronvermelding:
Tijdschrift van de Asser Historische Vereniging; nummer 2 / juni 1994 Een verhaal van Emma Wijnkoper opgetekend door Bertus Boivin.


Foto genomen tussen 1936 en 1951 toont Woningen aan de Spoorstraat (vóór 1929 Tunnelstraat, gezien vanaf de tweede spoorwegovergang) in het Witte Dorp te Assen als zijstraat van de Middenstraat (nog net te zien op de achtergrond) komt haaks uit op de (latere) Dennenweg (en spoorlijn). Later (en na nieuwbouw) heet dit gedeelte Populierstraat. (collectie: Gemeente Assen)


De woningbouwvereniging wilde het aanzien van de buurt niet achteruit laten gaan


Emma Wijnkoper verontschuldigt zich bij voorbaat. Ze weet weinig van Assen, vertelt ze. Geboren in Amersfoort aan het eind van de eerste Wereldoorlog, verhuisde ze toen ze net zes was naar Assen. Vader zat bij ‘het spoor’ en zoiets betekende voor de gezinnen niet zelden een lange zwerftocht kriskras door het land. Het gezin Wijnkoper bleef slechts zes jaar in Assen tot men letterlijk aan de vooravond van de crisis in 1929 naar Roosendaal verhuisde.

Als spoedig zal tijdens het gesprek blijken dat de herinneringen van een meisje dat in de Middenstraat in het Witte Dorp woonde, buitengewoon scherp kunnen zijn. Hoe gek het misschien ook klinkt, maar hoe korter je in een stad woont, des te zuiverder zijn dikwijls de herinneringen; niet verkleurd door kennis achteraf of verstopt achter latere emoties. Emma Wijnkoper vertelt Bertus Boivin over haar jeugd in een buitengewoon keurig, gloednieuw woonwijkje met uitzicht op Lombok en het Aardscheveld….


Mijn ouders kenden niemand in Assen

“Mijn vader was veel van huis en mijn moeder heeft ons zo’n beetje in haar eentje moeten opvoeden. Als een van mijn eerste Asser herinneringen zie ik haar nog staan, met mijn broertje op de arm, op mij aan het wachten voor de school bij de spoorweg. De Oosterhoutschool heette die volgens mij. Ik zat in een soort houten noodgebouw. Later kwam de Roodewegschool klaar en daar heb ik mijn laatste schooljaren gezeten. Moeder bracht me de eerste jaren twee keer per dag naar school. Tussen de middag holden we altijd, want dan lag mijn broertje al in bed”.

“Mijn ouders kenden niemand in Assen. Als kind heb je dat niet door, maar achteraf denk ik dat mamma het een raar buurtje moet hebben gevonden. Een beetje petieterig allemaal. En ontzettend grote, onderlinge verschillen, die mijn moeder van huis uit helemaal niet gewend was. Onze buurt, het Witte Dorp, verschilde bijvoorbeeld enorm van het Blauwe Dorp en dat verschilde weer van het Rode Dorp bij het Lodewijk Napoleonplein. Om maar te zwijgen van de mensen in de witte blokken in het Tranendal (de latere Tuinstraat) en de kleine huisjes die je nog in Lombok kon vinden. Volgens mij noemden ze het de Bokkestreek. Maar als kind kwam je d’r niet. Ik kan me in ieder geval niet herinneren dat we ooit Lombok op zijn geweest.”


Vijf gulden huur per week

“Onze wereld was het Witte Dorp. Voor je gevoel woonden we een stukje buiten de stad. Drie keurige straatjes: de Melkweg (later Lindelaan), de Spoorstraat (Populierstraat) en de Middenstraat (Berkenstraat), waar wij dan woonden. Echt spiksplinternieuwe woningen waren het en voor die tijd beslist van alle gemakken voorzien.

Later heeft mijn moeder me wel verteld dat we – geloof ik – vijf gulden huur per week betaalden en dat dat ongeveer de duurste woningen van heel Assen waren. Het kwam regelmatig voor dat de woningbouwvereniging geen huurders kon vinden. Dan hingen ze zelf gordijnen en vitrage voor de ramen om het aanzien van de buurt niet achteruit te laten gaan. Anders zouden de huizen helemaal onverhuurbaar zijn”.


Kinderen kunnen ongelooflijk hard zijn

“Er woonden volgens mij heel weinig echte Assenaren in het Witte Dorp. Er zaten nogal wat spoormensen en personeel van de EDS – dat was de tram naar Emmen – en mensen die op de kazerne werkten. Echt import waren we en dat merkte je vooral op school, waar je allerlei scheidslijnen had. Je had minstens drie groepen: de ‘gewone’ Asser kinderen waar je verder niet zoveel van merkte, de kinderen uit arme gezinnen – de kinderen van Lombok, uit het Tranendal en achter uit het Blauwe Dorp – en ons, de ‘import’ met veel Hollanders en zuiderlingen.

Kinderen kunnen ongelooflijk hard zijn, over elkaars kleren, elkaars taal. Groepjes tegen elkaar, groepjes tegen enkelingen. Wij speelden na school altijd in het Witte Dorp, andere kinderen zag je nooit op het kruispunt van de Middenstraat en de Spoorstraat. Of we zaten bij de sloot aan het eind van de Spoorstraat waar je naar de treinen kon kijken. Als mijn vader langskwam, hing ie uit het raampje en zwaaide hij met zijn zakdoek.”


De tijd had alles een beetje gelijk getrokken

“Ver na de oorlog kwam ik voor mijn werk een keer in Assen en toen ben ik voor het eerst weer eens naar mijn oude buurtje wezen kijken. En wat was het nou helemaal? Een gewoon, een beetje sleets buurtje dat zich in niets onderscheidde van die andere woningwetwoninkjes in dat deel van de stad. De tijd had alles een beetje gelijk getrokken, leek het wel.

We hadden ons altijd heel wat gevoeld – den je dan tenminste achteraf – maar daar was in de jaren zestig, toen ik daar op een middag rondliep, helemaal geen reden voor; een gewoon straatje vol gewone mensen die niet vreselijk meer hun best deden om de schijn op te houden. “Lombok’ – dat wereldje dat zo ver van ons vandaan was maar eigenlijk gewoon aan de overkant van de sloot lag – was verdwenen. Hoge bomen met eronder grote paviljoens waar ze psychiatrische patiënten verpleegden. Ik herinner me in de trein terug dat ik tegen mezelf zei dat ik oud begon te worden. Stel je voor: dat was meer dan dertig jaar geleden!”.

Er waren nieuwe huisjes gekomen Assen winkelen. Samen hebben we het Witte Dorp weer opgezocht. Ze hadden het afgebroken, er waren nieuwe huisjes gekomen en het was net of die ook al weer hun beste tijd gehad hadden. Als je je dan nóg niet oud voelt, dan weet ik het niet meer….”







© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl